Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC5804

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-03-2008
Datum publicatie
05-03-2008
Zaaknummer
200705180/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 september 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de staatssecretaris) aan [appellante] een boete op grond van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav) opgelegd van € 8.000 wegens het zonder tewerkstellingsvergunning hebben laten verrichten van arbeid door [naam] (hierna: de vreemdeling).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200705180/1.

Datum uitspraak: 5 maart 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/181 van de rechtbank Roermond, van 15 juni 2007 in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 september 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de staatssecretaris) aan [appellante] een boete op grond van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav) opgelegd van € 8.000 wegens het zonder tewerkstellingsvergunning hebben laten verrichten van arbeid door [naam] (hierna: de vreemdeling).

Bij besluit van 5 januari 2007 heeft de staatssecretaris het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 15 juni 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 juli 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 december 2007, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg, en vergezeld door haar [directeur] en de minister, vertegenwoordigd door mr. J.J.A. Huisman, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 1˚, van de Wav wordt onder werkgever verstaan degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, voor zover thans van belang, wordt het niet naleven van artikel 2, eerste lid, als beboetbaar feit aangemerkt.

Ingevolge artikel 18a, eerste lid, kunnen beboetbare feiten worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen.

Ingevolge artikel 19a, eerste lid, legt een daartoe door de minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar namens hem de boete op aan degene op wie de verplichtingen rusten welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een beboetbaar feit.

Ingevolge artikel 19d, eerste lid, aanhef en onder b, is de hoogte van de boete, die voor een beboetbaar feit kan worden opgelegd, indien begaan door een rechtspersoon, gelijk aan de geldsom van ten hoogste € 45.000.

Ingevolge artikel 19d, derde lid, stelt de minister beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de beboetbare feiten worden vastgesteld.

Volgens beleidsregel 1 van de Beleidsregels boeteoplegging Wav, zoals die ten tijde van belang luidden (hierna: de beleidsregels), worden bij de berekening van een boete, als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de Wav voor alle beboetbare feiten als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de 'Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wav' (hierna: de Tarieflijst), die als bijlage bij deze beleidsregels is gevoegd.

Volgens de Tarieflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, op € 8.000 per persoon per beboetbaar feit gesteld.

2.2. Blijkens het op ambtseed door inspecteurs van de Arbeidsinspectie opgemaakte boeterapport van 27 juni 2006 (hierna: het boeterapport), kwam de vreemdeling tijdens de controle op de nertsenfarm van [appellante] op 19 april 2006 de vliering af van een loods waarin nertsenkooien en gereedschap lagen.

Uit de bij het boeterapport gevoegde verklaring van de Centrale organisatie voor Werk en Inkomen (hierna: de CWI) van 21 april 2006 blijkt dat aan [appellante] ten behoeve van de vreemdeling een tewerkstellingsvergunning was afgegeven geldig van 15 november 2005 tot 8 april 2006.

2.3. [appellante] betoogt terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat namens [appellante] niet is ontkend dat de vreemdeling ten behoeve van haar op de datum van inspectie enige werkzaamheden heeft verricht, nu namens haar in de gronden van beroep, alsmede ter zitting bij de rechtbank, uitdrukkelijk is betwist dat de vreemdeling op de dag van de controle ten dienste van haar werkzaamheden heeft verricht.

2.3.1. Uit het boeterapport kan niet worden opgemaakt dat de inspecteurs van de Arbeidsinspectie, die de controle hebben uitgevoerd, hebben waargenomen dat de vreemdeling feitelijk bezig was werkzaamheden te verrichten. Dit is door de minister ter zitting bevestigd.

Volgens [appellante] was de vreemdeling op de dag van de controle niet op het bedrijf om te werken, maar bracht hij daar, in afwachting van zijn terugkeer naar Polen, een bezoek. Ter zitting heeft [directeur] verklaard dat het gebruikelijk is dat vreemdelingen van wie de geldigheidsduur van de tewerkstellingsvergunning is verlopen, wachten op het verlopen van de geldigheidsduur van tewerkstellingsvergunningen van andere vreemdelingen, zodat zij gezamenlijk naar Polen kunnen terugkeren.

Blijkens het bij het boeterapport gevoegde rapport van gehoor van 9 juni 2006, heeft [directeur] ten overstaan van inspecteurs van de Arbeidsinspectie verklaard dat de vreemdeling vanaf 15 november 2005 werkzaam was geweest voor [appellante] en dat hij op de dag van de controle al sinds twee weken niet meer voor dit bedrijf werkte.

Deze verklaring sluit aan bij voormelde verklaring van de CWI van 21 april 2006 waaruit blijkt dat ten behoeve van de vreemdeling tot 8 april 2006 een tewerkstellingsvergunning was afgegeven.

Daarnaast heeft [directeur] ter zitting verklaard dat de personen die ten tijde van de controle wel aan het werk waren, over de benodigde papieren beschikten, hetgeen door de minister niet is weersproken. Voorts heeft [directeur] ter zitting toegelicht dat de vliering een zeer kleine ruimte is, waar het onmogelijk is kooien of kleppen te repareren.

De minister heeft ter zitting verklaard dat de inspecteurs niet op de vliering van de loods zijn geweest.

2.3.2. Voormelde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, bieden onvoldoende grond voor het oordeel dat de vreemdeling ten tijde van de controle op 19 april 2006 werkzaamheden ten dienste van [appellante] verrichtte. De constatering dat de vreemdeling van de vliering kwam is daartoe ontoereikend. De in het boeterapport opgenomen verklaringen van de vreemdeling en de echtgenote van [directeur] nopen in het licht van het voorgaande niet tot een ander oordeel, te minder nu deze verklaringen niet zijn ondertekend. Desgevraagd heeft de minister ter zitting bevestigd dat uit het boeterapport evenmin kan worden opgemaakt dat de verklaringen aan de vreemdeling en de echtgenote van [directeur] zijn voorgelezen en dat zij in de gelegenheid zijn gesteld hierop te reageren. Het voorgaande in aanmerking genomen, heeft de rechtbank aan de door [appellante] gemotiveerd betwiste verklaringen in het boeterapport niet de betekenis kunnen hechten die zij daaraan heeft gehecht.

2.4. Gelet op het vorenstaande is onvoldoende aannemelijk geworden dat sprake is van een beboetbaar feit als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Wav. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door [appellante] bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog gegrond verklaren en het besluit op bezwaar van 5 januari 2007 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) vernietigen. De Afdeling ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 11 september 2006 te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.5. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Roermond van 15 juni 2007 in zaak nr. 07/181;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 5 januari 2007, kenmerk AI/JZ/2006/86739;

V. herroept het besluit van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 11 september 2006, kenmerk 070602869/03;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 5 januari 2007;

VII. veroordeelt de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot vergoeding van de bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) aan [appellante] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VIII. gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 709,00 (zegge: zevenhonderdnegen euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. P.M.B.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Beerse

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2008

32-490.