Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC5803

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-03-2008
Datum publicatie
05-03-2008
Zaaknummer
200704988/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 juli 2006 heeft de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: de minister) opnieuw besloten op het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van de minister van 19 februari 2003 houdende de weigering om het integrale dossier van het onderzoek van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (hierna: IGZ) in het Vlietlandziekenhuis te Schiedam openbaar te maken, en dit bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard. De minister heeft enkele gespreksverslagen en de notitie "Vlietlandzorgen" gedeeltelijk openbaar gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2008, 167

Uitspraak

200704988/1.

Datum uitspraak: 5 maart 2008.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/3643 van de rechtbank Rotterdam van 29 mei 2007 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 juli 2006 heeft de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: de minister) opnieuw besloten op het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van de minister van 19 februari 2003 houdende de weigering om het integrale dossier van het onderzoek van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (hierna: IGZ) in het Vlietlandziekenhuis te Schiedam openbaar te maken, en dit bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard. De minister heeft enkele gespreksverslagen en de notitie "Vlietlandzorgen" gedeeltelijk openbaar gemaakt.

Bij uitspraak van 29 mei 2007, verzonden op 5 juni 2007, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 juli 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 30 augustus 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 24 september 2007 heeft [appellant] de toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), verleend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 januari 2008, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. M.M.A. Reith, ambtenaar in dienst van het ministerie, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob), voor zover thans van belang, kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, voor zover thans van belang, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het voorkomen van onevenredige benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

2.2. Bij het voor de rechtbank bestreden besluit is opnieuw beslist op het bezwaar van 2 april 2003 na vernietiging van het besluit op dat bezwaar van 8 maart 2004, bevestigd bij uitspraak van de Afdeling van 22 maart 2006 in zaak nr. 200503197/1. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden overwogen dat de omvang van het geschil is beperkt tot de openbaarmaking van de in het besluit van 8 maart 2004 aangeduide stukken. Het tegen deze overweging van de rechtbank gerichte betoog van [appellant] faalt.

2.3. De Afdeling volgt de rechtbank voorts in haar overweging dat de minister het verzoek van [appellant] om openbaarmaking van de betreffende documenten terecht heeft aangemerkt als een verzoek op grond van de Wob. Nu [appellant] zich in de procedure die heeft geleid tot de vernietiging van het besluit op bezwaar van 8 maart 2004 slechts uitdrukkelijk op de Wob heeft beroepen, lag het, anders dan [appellant] betoogt, niet op de weg van de minister om bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar te beoordelen of ingevolge de Wet bescherming persoonsgegevens voor [appellant] een recht tot inzage van de opgevraagde stukken bestond.

2.4. Bij zijn besluit tot weigering om alle door [appellant] opgevraagde documenten volledig openbaar te maken, heeft de minister zich beroepen op het belang gediend met het voorkomen van onevenredige benadeling van bij de aangelegenheid betrokken personen. De minister heeft in de besluitvorming laten meewegen dat de voorzitter van de raad van bestuur van het Vlietland ziekenhuis te kennen heeft gegeven dat van de zijde van het stafbestuur en de organisatie van het ziekenhuis is aangevoerd dat het volledig openbaar maken van de betreffende documenten, kan leiden tot intimiderend gedrag van [appellant]. Voorts heeft de minister gewicht toegekend aan de omstandigheid dat drie medewerkers van het ziekenhuis die informatie hebben verstrekt die is neergelegd in enkele van de documenten waarop het verzoek van [appellant] betrekking heeft, schriftelijk hebben verklaard dat zij deze informatie niet zouden hebben gegeven indien zij hadden geweten dat de documenten openbaar zouden worden gemaakt. Deze medewerkers hebben te kennen gegeven dat zij ernstige bezwaren hebben tegen openbaarmaking uit vrees voor onevenredige benadeling.

2.5. Voor zover [appellant] heeft willen betogen dat de minister bij het besluit op bezwaar van 24 juli 2006 ten onrechte een niet eerder in de procedure ingeroepen weigeringsgrond heeft gehanteerd, wordt overwogen dat de minister aldus niet is getreden buiten de grenzen die artikel 7:11, eerste lid, van de Awb stelt aan de heroverweging in bezwaar. Door aan het besluit op bezwaar van 24 juli 2006 alsnog de weigeringsgrond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob, ten grondslag te leggen, heeft de minister de juridische grondslag van het primaire besluit van 8 januari 2003 gewijzigd. Deze wijziging is te beschouwen als het resultaat van de heroverweging van het primaire besluit van 8 januari 2003.

2.6. [appellant] bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat de minister terecht heeft geweigerd om de documenten waarop het verzoek om openbaarmaking ziet, volledig openbaar te maken. Hij voert hiertoe aan dat de minister niet heeft gemotiveerd waaruit de onevenredige benadeling van bij de aangelegenheid betrokken personen zou bestaan.

2.6.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het recht op openbaarmaking op grond van de Wob uitsluitend het publieke belang van een goede en democratische bestuursvoering dient, welk belang de Wob vooronderstelt. Daarom kan ten aanzien van de openbaarmaking geen onderscheid worden gemaakt naar gelang de persoon of de oogmerken van de verzoeker. Bij de in het kader van de Wob te verrichten belangenafweging worden slechts het algemene of publieke belang bij openbaarmaking en de door de weigeringsgronden beschermde belangen betrokken en niet het belang dat appellant stelt te hebben bij openbaarmaking ervan, ook al is dit voor hem van groot gewicht.

De vraag of een door de weigeringsgronden beschermd belang aanwezig is, dient door de rechter integraal te worden beoordeeld. De rechterlijke toetsing van het bestuurlijk oordeel of het openbaarheidsbelang meer of minder zwaar weegt dan de andere in de Wob genoemde belangen, wijkt niet af van de redelijkheidstoetsing overeenkomstig het tweede lid van artikel 3:4 van de Awb. Bij die toetsing dient het uitgangspunt van de Wob - openbaarheid is regel - zwaar te wegen.

2.6.2. Na met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb, kennis te hebben genomen van de weggelakte passages in de openbaar gemaakte documenten, stelt de Afdeling met de rechtbank vast dat het belang waarop de minister zich heeft beroepen bij de informatie in deze passages aan de orde is. De passages hebben betrekking op de namen, het geslacht, de functie, de locatie van de werkplek en het aantal contracturen van de personen die informatie hebben verstrekt. Met het weglakken van deze passages is het aanmerkelijk minder eenvoudig geworden om te achterhalen wie de informatie heeft verstrekt die in de documenten is neergelegd. Deze personen zullen derhalve minder snel op hun verklaringen worden aangesproken. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de minister bij het nemen van het bestreden besluit heeft mogen meewegen dat bij de medewerkers van het Vlietlandziekenhuis die de IGZ informatie hebben verstrekt, uit vrees voor onevenredige benadeling bezwaar bestond tegen volledige openbaarmaking van de documenten waarop het verzoek van [appellant] betrekking heeft. Daarbij heeft de rechtbank terecht gewicht toegekend aan de omstandigheden dat bedoelde documenten een rol hebben gespeeld in de procedure die heeft geleid tot het opzeggen van de toelatingsovereenkomst tussen [appellant] en het Vlietlandziekenhuis en dat aannemelijk is dat sprake is van een verstoorde verhouding tussen [appellant] en zijn voormalige collega's. Gelet op deze omstandigheden is het belang van openbaarmaking voldoende gediend met de door de minister gekozen wijze van openbaarmaking. De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. W. van den Brink, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2008.

312-546.