Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC5801

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-03-2008
Datum publicatie
05-03-2008
Zaaknummer
200703847/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 mei 2006 heeft de raad van de gemeente Spijkenisse (hierna: de gemeenteraad) verklaard een bestemmingsplan voor te bereiden voor het gebied "Centrum e.o" (hierna: het voorbereidingsbesluit).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2008/5384
ABkort 2008/117

Uitspraak

200703847/1.

Datum uitspraak: 5 maart 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], allen wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/4664 van de rechtbank Rotterdam van 23 april 2007 in het geding tussen:

appellanten,

en

de raad van de gemeente Spijkenisse.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 mei 2006 heeft de raad van de gemeente Spijkenisse (hierna: de gemeenteraad) verklaard een bestemmingsplan voor te bereiden voor het gebied "Centrum e.o" (hierna: het voorbereidingsbesluit).

Bij besluit van 11 oktober 2006 heeft de gemeenteraad het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 april 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellanten] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 11 oktober 2006 vernietigd, bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, en het bezwaar van [appellanten] tegen het besluit van 10 mei 2006 niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 juni 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 juni 2007.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 januari 2008, waar [appellanten], in persoon en vertegenwoordigd door mr. H.L. Verweel, advocaat te Spijkenisse, en mr. A. van Diermen, alsmede de gemeenteraad, vertegenwoordigd door mr. C.E. Radenborg-den Heijer en mr. L.L. Scheppink, beiden ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het voorbereidingsbesluit is genomen ten behoeve van een bouwplan dat voorziet in het oprichten van een parkeergarage, een bibliotheek en 37 zogenoemde levensloopbestendige woningen.

Het college van burgemeester en wethouders van Spijkenisse (hierna: het college) heeft op basis van het voorbereidingsbesluit vrijstelling en bouwvergunning voor dit bouwplan verleend.

2.2. [appellanten] betogen dat de rechtbank, door te overwegen dat het voorbereidingsbesluit als een besluit van algemene strekking moet worden aangemerkt en hun belang zich niet onderscheidt van anderen in het gebied waar het betrekking op heeft, hen ten onrechte niet als belanghebbenden heeft aangemerkt. Zij voeren daartoe aan dat zij op korte afstand wonen van de projectlocatie en zicht hebben op de te realiseren bebouwing, waardoor zij allen als belanghebbende dienen te worden aangemerkt.

2.2.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.2.2. Het voorbereidingsbesluit heeft weliswaar een ruimere strekking dan het bouwplan, doch nu dat mede strekte tot het met toepassing van artikel 19, eerste lid, gelezen in samenhang met het vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) verlenen van vrijstelling voor het bouwplan, die daarna ook op basis van het voorbereidingsbesluit is verleend, heeft de rechtbank niet onderkend dat de vraag of het belang van [appellanten] moet worden beantwoord aan de hand van dezelfde maatstaven zoals die worden gesteld bij een besluit tot verlening van vrijstelling voor dat bouwplan. Aldus heeft zij evenmin onderkend dat de belangen van [appellanten] rechtstreeks bij het voorbereidingsbesluit zijn betrokken. Gezien de ter zitting door het college overgelegde situatietekening, zullen [appellanten] zicht hebben op het bouwplan en zijn hun woningen op een afstand van minder dan 100 m daarvan gelegen. Ook is niet onaannemelijk dat zij door verwezenlijking van het bouwplan kunnen worden geraakt in de door hen gestelde belangen.

2.3. [appellanten] betogen voorts dat de gemeenteraad niet tot het nemen van het voorbereidingsbesluit over had mogen gaan, nu bij een globale beschouwing aanstonds duidelijk had behoren te zijn dat het voorgenomen bouwplan in planologisch opzicht onaanvaardbaar is.

Volgens [appellanten] heeft het bouwplan een ingrijpende inbreuk op het geldende bestemmingsplan, een onevenredig grote ruimtelijke uitstraling op de omgeving en kan een vrijstelling daarvoor niet worden voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Zij betogen voorts dat de gemeenteraad voorafgaande aan het voorbereidingsbesluit een voldoende zorgvuldig onderzoek had dienen te verrichten naar de luchtkwaliteit en dit ten onrechte heeft nagelaten.

2.3.1. Het betoog van [appellanten] komt er op neer dat reeds het voorbereidingsbesluit moet zijn voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Een dergelijke eis stelt artikel 21 van de WRO echter niet. Daarvoor bestaat evenmin uit anderen hoofde grond. Bij de toepassing van artikel 21, eerste lid, van de WRO is aan de orde dat de gemeenteraad, gelet op de gevolgen die het inwerkingtreden van het voorbereidingsbesluit kan hebben, verklaart dat voor een bepaald gebied een bestemmingsplan wordt voorbereid. De gemeenteraad, in aanmerking genomen de bewoordingen van artikel 21, eerste lid, van de WRO en de aard van de bevoegdheid die daarin aan hem is toegekend, komt daarbij een ruime mate van beleidsvrijheid toe. Indien een voorbereidingsbesluit, zoals in dit geval, wordt genomen teneinde een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO mogelijk te maken, betekent het vorenstaande dat slechts dan aanleiding zal zijn voor de conclusie dat de gemeenteraad niet in redelijkheid tot het nemen van het voorbereidingsbesluit heeft kunnen overgaan, indien reeds bij een globale beschouwing aanstonds duidelijk had behoren te zijn dat het voorgenomen bouwplan in planologisch opzicht onaanvaardbaar is. In hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd, bestaat echter geen grond voor dat oordeel.

Daarbij wordt in aanmerking genomen dat uit het voorstel van het college van 3 mei 2006 aan de gemeenteraad tot het nemen van het voorbereidingsbesluit blijkt dat de bouwplannen passen in de gewenste ontwikkelingen voor het centrum. Voorts wordt daarbij in aanmerking genomen dat ingevolge artikel 7, tweede lid, aanhef en onder c, van het Besluit luchtkwaliteit 2005 ook bij het nemen van een voorbereidingsbesluit de bij dat Besluit gestelde grenswaarden weliswaar in acht moeten worden genomen, maar dat [appellanten] niet aannemelijk hebben gemaakt dat op voorhand aanleiding is voor de conclusie dat het bouwplan uit dat oogpunt geen doorgang zal kunnen vinden.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Nu de zaak geen verdere behandeling behoeft, zal de Afdeling het beroep van [appellanten] tegen het besluit van 10 mei 2006 van de gemeenteraad ongegrond verklaren.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding omdat het besluit van 11 oktober 2006 alsnog in stand wordt gelaten.

2.6. Redelijke toepassing van artikel 43, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat het door [appellanten] betaalde griffierecht door de Secretaris van de Raad van State aan hem wordt terugbetaald.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 april 2007 in zaak nr. 06/4664;

III. verklaart het in die zaak door [appellanten] bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. bepaalt dat de Secretaris van de Raad van State het door hen voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 214,00 (zegge: tweehonderdveertien euro) terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. C.W. Mouton, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van Staat.

w.g. Mouton w.g. Van Roessel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2008

313-564.