Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC5782

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-03-2008
Datum publicatie
05-03-2008
Zaaknummer
200706172/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 oktober 2005 heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de minister) op grond van het door [appellante sub 2] tegen zijn besluit van 12 juni 2002 gemaakte bezwaar, laatstgenoemd besluit gehandhaafd en aan [appellante sub 2] in aanvulling op dit besluit alsnog een bedrag van

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200706172/1.

Datum uitspraak: 5 maart 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

2. [appellante sub 2], gevestigd te [plaats],

appellanten,

tegen de uitspraak in zaak nr. 05/2243 van de rechtbank Maastricht van 19 juli 2007 in het geding tussen:

appellante sub 2,

en

appellant sub 1.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 oktober 2005 heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de minister) op grond van het door [appellante sub 2] tegen zijn besluit van 12 juni 2002 gemaakte bezwaar, laatstgenoemd besluit gehandhaafd en aan [appellante sub 2] in aanvulling op dit besluit alsnog een bedrag van

€ 278.636,50 aan nadeelcompensatie en een bedrag van € 2.750,- voor kosten van juridische ondersteuning toegekend.

Bij uitspraak van 19 juli 2007, verzonden op 19 juli 2007, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellante sub 2] ingestelde beroep gegrond verklaard en dit besluit vernietigd voor zover daarin is gehandhaafd de afwijzing van het verzoek van [appellante sub 2] om, beoordeeld naar de maatstaven van mogelijke nadeelcompensatie, te bezien of aanleiding bestaat tot vergoeding van schade voor de waardevermindering van de 8,3 ha grond, waarvoor zij met de provincie Limburg ten tijde van de peildatum reeds een koopovereenkomst had gesloten. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de minister, bij brief bij de Raad van State ingekomen op 28 augustus 2007, en [appellante sub 2], bij brief bij de Raad van State ingekomen op 30 augustus 2007, hoger beroep ingesteld. De minister heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief bij de Raad van State ingekomen op 25 september 2007. [appellante sub 2] heeft haar hoger beroep aangevuld bij brief bij de Raad van State ingekomen op 1 oktober 2007.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante sub 2] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 januari 2008, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. J.E.F.M. den Drijver-van Rijckevorsel en mr. R.J.M. van den Tweel, beiden advocaat te Den Haag, en [appellante sub 2], vertegenwoordigd door [directeur], bijgestaan door mr. J.L. Stoop, advocaat te Maastricht, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellante sub 2] is in 1987 begonnen met de ontwikkeling van het recreatieplan Portomaar (hierna: het Project) dat uiteindelijk voorzag in 300 recreatiewoningen, een hotel met 60 bedden, een jachthaven met 80 ligplaatsen en bijkomende voorzieningen, op een ongeveer 13 ha groot gebied, thans geheel gelegen in de gemeente Maastricht, dat gesitueerd is binnen het zogeheten stroomvoerend winterbed van de rivier de Maas.

In dat gebied heeft [appellante sub 2] in 1994 4,8 ha grond in eigendom verworven. Met de provincie Limburg heeft zij in april 1995 overeenstemming bereikt over de verwerving van de resterende 8,3 ha benodigde grond, maar tot levering van de eigendom door de provincie is het niet gekomen.

Ten behoeve van het Project is het bestemmingsplan "Portomaar" in procedure gebracht, dat onherroepelijk is geworden bij Koninklijk besluit van 13 maart 1996. Het plangebied omvat ongeveer 10,5 ha grond, bestemd tot "Uit te werken recreatieve doeleinden, verblijfsrecreatie (Urv)". Van de 4,8 ha grond die [appellante sub 2] in eigendom heeft verworven ligt 2,3 ha binnen het plangebied. De overige 2,5 ha ligt binnen een ander bestemmingsplan dat recreatief gebruik van de betrokken grond niet verbiedt, maar geen bebouwing daarvoor toelaat.

Op 9 juli 1996 heeft [appellante sub 2] bij de Minister van Verkeer en Waterstaat de voor realisering van het Project ingevolge de Rivierenwet vereiste vergunning aangevraagd. Die is haar bij besluit van 1 augustus 1997 geweigerd wegens strijd met de beleidslijn "Ruimte voor de rivier" (hierna: de Beleidslijn), gepubliceerd op 19 april 1996 (Stcrt. 1996, nr. 77), zoals gewijzigd en laatstelijk gepubliceerd in Stcrt. 1997, nr. 87.

Bij brief van 30 oktober 1997 heeft [appellante sub 2] de minister van Verkeer en Waterstaat verzocht om schadevergoeding wegens het als gevolg van de inwerkingtreding van de Beleidslijn niet kunnen realiseren van het Project.

De minister heeft bij besluit van 12 juni 2002 haar een schadevergoeding toegekend ten bedrage van € 579.539,73, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te berekenen vanaf 30 oktober 1997 tot de dag van uitbetaling en het verzoek voor het overige afgewezen.

Bij uitspraak van 11 december 2003 heeft de rechtbank het daartegen door [appellante sub 2] ingestelde beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit op bezwaar vernietigd.

Bij uitspraak van 16 maart 2005, nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200400527/1&verdict_id=12879&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200504305/1&utm_term=200400527/1">200400527/1</a> heeft de Afdeling de daartegen door de minister en [appellante sub 2] ingestelde hoger beroepen ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, zij het met verbetering van de gronden waarop zij rust.

2.2. De minister betoogt tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat tussen [appellante sub 2] en de provincie Limburg een koopovereenkomst is gesloten met betrekking tot de resterende 8,3 ha voor het Project benodigde grond. Dat [appellante sub 2] met de provincie Limburg in april 1995 overeenstemming heeft bereikt over de verwerving van die grond, is door de Afdeling in haar voormelde uitspraak van 16 maart 2005 immers reeds vastgesteld.

2.3. De minister betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat hij uitvoerig heeft gemotiveerd dat, ook als er vanuit zou worden gegaan dat er een koopovereenkomst tussen [appellante sub 2] en de provincie Limburg is gesloten met betrekking tot de resterende 8,3 ha voor het Project benodigde grond, er geen aanleiding bestaat voor het toekennen van nadeelcompensatie.

2.3.1. Dit betoog slaagt. [appellante sub 2] stelt nadeel te hebben geleden doordat de 8,3 ha grond na aankoop aanzienlijk in waarde is gestegen en deze waardestijging vervolgens is tenietgegaan toen haar de ingevolge de Rivierenwet voor realisering van het Project vereiste vergunning wegens strijd met de Beleidslijn werd geweigerd. Vast staat dat de 8,3 ha grond niet door de provincie Limburg aan [appellante sub 2] is geleverd, zodat zij daarvan geen eigenaar is geworden. De waardestijging onderscheidenlijk -daling van de grond trof [appellante sub 2] derhalve niet in haar vermogenspositie.

Zij heeft in zoverre geen nadeel in de vorm van vermogensschade geleden. De minister heeft het verzoek tot vergoeding daarvan dan ook terecht afgewezen. Dat [appellante sub 2] om haar moverende redenen heeft afgezien van het eisen van nakoming van de koopovereenkomst door middel van levering van de 8,3 ha grond, komt voor haar risico en rekening.

De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.4. [appellante sub 2] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister de voorbereidings- en ontwikkelingskosten die zij heeft gemaakt terecht slechts voor de helft heeft gecompenseerd, nu zij door gemeentelijke en provinciale bewilliging van het Project geen ondernemersrisico droeg.

2.4.1. Dit betoog faalt. De minister heeft overwogen dat de zogenoemde initiatieffase eindigde door de goedkeuring van de bestemmingsplannen en heeft daaraan de conclusie verbonden dat het redelijk is de helft van de tot aan de peildatum gemaakte kosten als onevenredige buiten het normale bedrijfsrisico vallende schade te vergoeden. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de minister [appellante sub 2] daarmee niet te kort heeft gedaan. Het feit dat de provincie van begin af aan en de gemeente in een vroegtijdig stadium te kennen hebben gegeven medewerking aan het Project te willen verlenen en daaraan ook gevolg hebben gegeven door het zetten van de benodigde procedurele stappen, betekent niet dat [appellante sub 2] reeds voorafgaand aan de goedkeuring van de bestemmingsplannen volledige zekerheid had verkregen over de uitvoering van het Project en om die reden geen enkel ondernemersrisico droeg.

2.5. [appellante sub 2] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de kosten van deskundige bijstand voor zover gemaakt vóór de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2005 niet meer aan de orde kunnen komen en dat voor zover deze kosten daarna zijn gemaakt de minister in redelijkheid een bedrag van € 2.750,- heeft kunnen toekennen.

2.5.1. Ook dit betoog faalt. Terecht en op goede gronden heeft de rechtbank overwogen dat over de vergoeding van kosten van deskundige bijstand gemaakt voorafgaand aan de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2005, reeds is geoordeeld in de eerste uitspraak van de rechtbank en dat dit oordeel in hoger beroep in stand is gebleven, zodat dit punt niet nogmaals aan de rechter ter beoordeling kan worden voorgelegd.

Voorts heeft de rechtbank terecht en op goede gronden overwogen dat de minister de na de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2005 gemaakte kosten van juridische bijstand in redelijkheid tot een bedrag van € 2.750,- heeft kunnen vergoeden. Terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat voor volledige vergoeding van deze kosten met overeenkomstige toepassing van het onteigeningsrecht, geen grond bestaat.

2.6. Het hoger beroep van [appellante sub 2] is ongegrond. Het hoger beroep van de minister is gegrond en de aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank door [appellante sub 2] ingestelde beroep alsnog ongegrond verklaren.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep van de minister gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 19 juli 2007 in zaak nr. 05/2243;

III. verklaart het door [appellante sub 2] bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.C. Rop, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Rop

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2008

417.