Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC5781

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-03-2008
Datum publicatie
05-03-2008
Zaaknummer
200704666/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 april 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Terneuzen (hierna: het college) geweigerd aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Windkracht 7 B.V. en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Eneco Milieu B.V. (hierna: Windkracht 7 en Eneco) vrijstelling te verlenen voor de oprichting van windturbines in een gebied plaatselijk bekend als Eendragtpolder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2008/4954
ABkort 2008/120

Uitspraak

200704666/1.

Datum uitspraak: 5 maart 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Windkracht 7 B.V. en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Eneco Milieu B.V., gevestigd onderscheidenlijk te Zaamslag en Capelle aan den IJssel,

appellanten,

tegen de uitspraak in zaak nr. 05/1464 van de rechtbank Middelburg van 24 mei 2007 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Terneuzen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 april 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Terneuzen (hierna: het college) geweigerd aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Windkracht 7 B.V. en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Eneco Milieu B.V. (hierna: Windkracht 7 en Eneco) vrijstelling te verlenen voor de oprichting van windturbines in een gebied plaatselijk bekend als Eendragtpolder.

Bij besluit van 24 november 2005 heeft het college het door Windkracht 7 en Eneco daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 mei 2007, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Middelburg (hierna: de rechtbank) het door Windkracht 7 en Eneco daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben Windkracht 7 en Eneco bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 juli 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 2 augustus 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Windkracht 7 en Eneco hebben nadere stukken ingediend.

Bij brief van 14 december 2007, aangevuld bij faxbericht van 17 december 2007, heeft het college verzocht om geheimhouding ingevolge artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ten aanzien van delen van het advies van advocatenkantoor Adriaanse & Van der Weel van 12 november 2004.

De Afdeling heeft in andere samenstelling beslist dat het verzoek gerechtvaardigd is.

Windkracht 7 en Eneco hebben bij brief van 8 januari 2008 de Afdeling medegedeeld toestemming te verlenen als bedoeld in het vijfde lid van artikel 8:29 van de Awb om mede op basis van de geheim te houden passages uit het advies van advocatenkantoor Adriaanse & Van der Weel van 12 november 2004 uitspraak te doen.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 januari 2008, waar Windkracht 7 en Eneco, vertegenwoordigd door mr. J.H.M. Berenschot, advocaat te Apeldoorn, en het college, vertegenwoordigd door F.R.G. Steijaert, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Windkracht 7 en Eneco hebben ter zitting hun beroep tegen de beslissing van de rechtbank dat de beperkte kennisneming van het advies van advocatenkantoor Adriaanse & Van der Weel gerechtvaardigd is, ingetrokken.

2.2. Het project waarvoor het college vrijstelling heeft geweigerd, betreft de oprichting van 13 windturbines met een vermogen van in totaal 39 MW binnen een zogenaamde parkopstelling in een gebied plaatselijk bekend als Eendragtpolder (hierna: windpark Eendragtpolder).

2.3. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing. Ingevolge het eerste lid wordt onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk, intergemeentelijk of regionaal structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstig bestemming van het betreffende gebied.

2.4. Windkracht 7 en Eneco betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar bevoegd was zonder nadere bemoeienis van de gemeenteraad dan wel het college van gedeputeerde staten van Zeeland vrijstelling te verlenen op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO.

Zij betogen voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het niet onredelijk is te achten dat het college geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot het volgen van een vrijstellingsprocedure en het verlenen van vrijstelling. Windkracht 7 en Eneco stellen dat de motivering van het college om geen gebruik te maken van deze bevoegdheid ondeugdelijk is. Zij bestrijden in dit verband het standpunt van het college, dat een goede ruimtelijke onderbouwing voor het project niet valt te geven, omdat het een project betreft waarin het nieuwe bestemmingsplan "Buitengebied Terneuzen-Sas van Gent" niet voorziet, nu het door de gemeenteraad ongewenst werd geacht en de gemeenteraad om die reden dat bestemmingsplan op dit punt gewijzigd heeft vastgesteld ten opzichte van het ontwerp van dat plan. Volgens Windkracht 7 en Eneco kan ook sprake zijn van een goede ruimtelijke onderbouwing, indien het project in strijd is met het toekomstige bestemmingsplan.

Windkracht 7 en Eneco betogen verder dat het college niet zonder meer kon weigeren mee te werken aan het project, nu zij op basis van door het college gewekte verwachtingen en zonder voorbehoud gedane toezeggingen erop mochten vertrouwen dat de vrijstellingsprocedure op grond van artikel 19 van de WRO zou worden gestart. Windkracht 7 en Eneco betogen tot slot dat de rechtbank heeft miskend dat het college op geen enkele wijze rekening heeft gehouden met hun financiële belangen.

2.4.1. Uit het besluit op bezwaar volgt, zoals het college ter zitting heeft bevestigd, dat het college het verzoek om vrijstelling voor het project windpark Eendragtpolder heeft beoordeeld op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO. Het project past binnen de door het college van gedeputeerde staten van Zeeland op 16 november 2004 vastgestelde lijst van categorieën van gevallen (gepubliceerd in het provinciaal blad op 23 november 2004), op grond waarvan het college met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling kan verlenen. Dat het project binnen voornoemde lijst van categorieën van gevallen past en het college op zich bevoegd was vrijstelling te verlenen, betekent, anders dan Windkracht 7 en Eneco betogen, echter niet dat het college reeds daarom van die bevoegdheid om op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling te verlenen, ook gebruik had moeten maken.

2.4.2. Het college heeft zich in het besluit op bezwaar onder verwijzing naar de nota van inlichtingen, gericht aan de commissie voor de bezwaarschriften, op het standpunt gesteld dat voor het verlenen van vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO niet langer plaats is. Dit omdat het windpark Eendragtpolder niet slechts in strijd was met het op dat moment geldende bestemmingsplan "Buitengebied Terneuzen", maar ook met het toen reeds vastgestelde, zij het nog niet in werking getreden bestemmingsplan "Buitengebied Terneuzen-Sas van Gent". Dit bestemmingsplan voorziet, anders dan het ontwerp van dat plan, niet meer in het door Windkracht 7 en Eneco gewenste windpark Eendragtpolder. De, na uitvoerige beraadslaging, gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan is het gevolg van het door de gemeenteraad ingenomen standpunt dat een windpark van een dergelijke omvang vanuit planologisch oogpunt ter plaatse niet gewenst is. De gemeenteraad heeft daarbij van belang geacht dat het windpark Eendragtpolder een grote invloed op de omgeving zou hebben, doordat het bestaande open landschap wordt aangetast, en dat er voorts geen maatschappelijk draagvlak voor een windpark ter plaatse is. Als gevolg van een en ander waren de omstandigheden met betrekking tot de planologische aanvaardbaarheid van het project volgens het college zodanig gewijzigd dat een goede ruimtelijke onderbouwing voor het project niet meer kon worden gegeven. Immers er kon niet meer worden teruggevallen op het eerder ter inzage gelegde ontwerp bestemmingsplan, nu dat juist ten aanzien van dit project door de gemeenteraad niet was goedgekeurd.

2.4.3. Een college kan de bevoegdheid niet worden ontzegd om in verband met gewijzigd planologisch beleid, zoals in dit geval het veranderde oordeel van de gemeenteraad omtrent de gewenstheid van het windmolenpark, terug te komen op een aanvankelijke bereidheid medewerking te verlenen aan een vrijstellingsprocedure op basis van artikel 19 van de WRO. Verwezen wordt in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 7 juni 2006 in zaak nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200510412&verdict_id=14007&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200510412/1&utm_term=200510412">200510412/1</a>, waarin is overwogen dat het niet in strijd is met de WRO om van de vrijstellingsbevoegdheid geen gebruik te maken met verwijzing naar gewijzigd beleid. Dat onder de hiervoor geschetste omstandigheden het college niet tot het gebruik maken van de vrijstellingsbevoegdheid is overgegaan, kan het college niet worden verweten. Het heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat als gevolg daarvan de situatie zodanig gewijzigd was dat voor een vrijstelling geen plaats meer was. Van een onzorgvuldige of onjuiste belangenafweging dan wel een ondeugdelijke motivering is, de geschetste omstandigheden in aanmerking genomen, geen sprake, ook al stonden er voor Windkracht 7 en Eneco grote financiële belangen op het spel. De conclusie is dat het betoog van Windkracht 7 en Eneco faalt.

2.5. Aangezien het college, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, medewerking aan een vrijstellingsprocedure voor het project van Windkracht 7 en Eneco mocht onthouden, komt aan het beroep op andere vrijstellingsmogelijkheden - wat daar verder ook van zij - geen zelfstandige betekenis toe.

2.6. Het betoog van Windkracht 7 en Eneco dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat, ondanks maatschappelijke onrust, wel vrijstelling is verleend voor het windpark Koegorspolder, faalt. Voor zover Windkracht 7 en Eneco met dit betoog een beroep doen op het gelijkheidsbeginsel, wordt overwogen dat het windpark Koegorspolder een niet met het windpark Eendragtpolder vergelijkbaar geval betreft. Ter zitting in hoger beroep is door het college onweersproken gesteld dat het windpark Koegorspolder een andere ontstaansgeschiedenis kent dan het windpark Eendragtpolder en dat de gemeente door het afsluiten van contracten ten aanzien van het windpark Koegorspolder een inspanningsverplichting had mee te werken aan de realisering van dit windpark. Bovendien is ter zitting in hoger beroep gebleken dat het windpark Koegorspolder in een ander plangebied is gelegen.

2.7. Het beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. C.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Montagne

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2008

374.