Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC5778

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-03-2008
Datum publicatie
05-03-2008
Zaaknummer
200705350/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 juni 2005 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de minister) het verzoek van appellante (hierna: de Dassenwerkgroep) om, samengevat weergegeven, handhavend op te treden tegen de verstoring van een dassenpopulatie door het gebruik van de golfbaan in het bestemmingsplangebied "Backerbosch" te Cadier en Keer (hierna: de golfbaan), afgewezen.

Wetsverwijzingen
Flora- en faunawet
Flora- en faunawet 10
Flora- en faunawet 11
Flora- en faunawet 112
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2008/95
JOM 2008/284
JOM 2008/303

Uitspraak

200705350/1.

Datum uitspraak: 5 maart 2008.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting "Stichting Dassenwerkgroep Limburg", gevestigd te Margraten,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/1002 van de rechtbank Maastricht van 15 juni 2007 in het geding tussen:

appellante

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 juni 2005 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de minister) het verzoek van appellante (hierna: de Dassenwerkgroep) om, samengevat weergegeven, handhavend op te treden tegen de verstoring van een dassenpopulatie door het gebruik van de golfbaan in het bestemmingsplangebied "Backerbosch" te Cadier en Keer (hierna: de golfbaan), afgewezen.

Bij besluit verzonden op 28 maart 2006, heeft de minister het door de Dassenwerkgroep daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, het besluit van 21 juni 2005 herroepen en voornoemd verzoek van de Dassenwerkgroep wederom afgewezen.

Bij uitspraak van 15 juni 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het door de Dassenwerkgroep daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Dassenwerkgroep bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 juli 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 augustus 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Het Rijk Golfbanen B.V. (hierna: Het Rijk) een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van Het Rijk. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 januari 2008, waar de Dassenwerkgroep, vertegenwoordigd door [voorzitter], en de minister, vertegenwoordigd door mr. G.J. Veth en S. Hunink BSc, beiden ambtenaar in dienst van het ministerie, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord Het Rijk, vertegenwoordigd door mr. J.A.M.A. Sluysmans, advocaat te Den Haag, en [directeur].

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 10 van de Flora- en Faunawet (hierna: Ffw), is het verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, opzettelijk te verontrusten.

Ingevolge artikel 11 is het verboden nesten, holen, of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren.

Ingevolge artikel 112, eerste lid, is de minister bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van het bij of krachtens deze wet bepaalde.

2.2. Bij besluiten van 23 januari 2006 en 9 februari 2006 heeft de minister aan Onder Bakkerbosch Investerings- en beleggingsmaatschappij B.V., destijds eigenaresse van de golfbaan, ontheffing verleend van het in artikel 11 van de Ffw neergelegde verbod, teneinde enkele nader omschreven fysieke maatregelen op en rond de golfbaan te nemen. De minister stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat met het nemen van deze maatregelen een voldoende grote rustzone is gecreëerd rond de bewoonde dassenburcht in de nabijheid van de golfbaan. Op grond van de bevindingen van een door hem geraadpleegde ecoloog acht hij het gebruik van de golfbaan aldus niet langer in strijd met in de Ffw opgenomen verbodsbepalingen.

2.3. De Dassenwerkgroep bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat de minister in redelijkheid van handhavend optreden jegens Het Rijk, thans eigenaresse van de golfbaan, heeft kunnen afzien. Daartoe voert zij aan dat het gebruik van de banen 13 en 14, die zich in de directe nabijheid van de dassenburchten bevinden, overtreding van de artikelen 10 en 11 van de Ffw met zich meebrengt. Dit doet zich volgens de Dassenwerkgroep met name voor wanneer deze banen in de zomermaanden na zeven uur 's avonds, het moment waarop de dassen actief worden en gaan foerageren, worden bespeeld. De dassen worden verstoord omdat zij golfspelers op de baan kunnen zien, horen en ruiken, aldus de Dassenwerkgroep.

2.3.1. Zoals de minister ter zitting uitdrukkelijk heeft erkend, bestaat er geen reden te twijfelen aan de deskundigheid van [voorzitter] van de Dassenwerkgroep. De Dassenwerkgroep heeft onweersproken gesteld dat [voorzitter] zich reeds langdurig bezighoudt met het observeren en bestuderen van de das in Limburg en dat hij sinds 1993 bekend is met de dassenpopulatie op de locatie waar thans de golfbaan is gelegen. Daarnaast is onweersproken dat onder meer de Dienst Landelijk Gebied, een agentschap van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, hem bij verschillende projecten als deskundige om advies heeft gevraagd.

De door de minister geraadpleegde ecoloog is evenals een door Het Rijk ingeschakelde deskundige sinds enkele jaren bekend met de dassenburcht op de golfbaan.

2.3.2. De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat de Dassenwerkgroep enerzijds en de deskundigen van de minister en Het Rijk anderzijds, van mening verschillen over de vraag welke betekenis moet worden toegekend aan de sporen van dassenactiviteit nabij de golfbaan. De Dassenwerkgroep heeft uitgebreid en onderbouwd toegelicht dat het aantal op en rond de golfbaan levende dassen, sinds het in gebruik nemen van de baan is afgenomen. Ter zitting heeft de Dassenwerkgroep onder meer aan de hand van recente foto's inzichtelijk gemaakt dat grote delen van de dassenburcht nabij de golfbaan zijn begroeid met vegetatie. Onweersproken is dat deze begroeide delen van de dassenburcht reeds gedurende een langere periode niet meer door dassen worden gebruikt. Voorts is onweersproken dat zich op de golfbaan geen kraamburcht meer bevindt. De minister heeft evenmin gemotiveerd betwist dat de dassenpopulatie op de golfbaan sinds enkele jaren geen jongen meer voortbrengt. De enkele stelling van de minister dat bij een veldbezoek pootafdrukken zijn waargenomen die mogelijk van een jonge das afkomstig zijn, is hiervoor niet voldoende.

De door de minister en Het Rijk geraadpleegde deskundigen brengen daartegen in dat er geen aanwijzingen zijn die erop duiden dat de dassen op en rond de golfbaan niet gedijen. Zij hebben te kennen gegeven dat zij niet hebben kunnen vaststellen dat de dassen in de burchten rond de golfbaan door het gebruik van de baan worden verstoord.

2.4. Anders dan de rechtbank overweegt de Afdeling dat, mede gelet op de door de Dassenwerkgroep ter zitting gegeven toelichting, aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de deskundigen van de minister en Het Rijk. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat deze deskundigen, in tegenstelling tot de Dassenwerkgroep, niet bestendig hebben onderzocht hoe de dassenpopulatie zich heeft ontwikkeld na het in gebruik nemen van de golfbaan en de nadien getroffen maatregelen om verstoring van de dassen te voorkomen, maar zich hebben beperkt tot incidentele veldbezoeken. Daardoor hebben zij niet kunnen vaststellen of de dassenpopulatie op de golfbaan aanmerkelijk is afgenomen sinds het in gebruik nemen van de baan. In een zodanige afname van de populatie zou een aanwijzing kunnen zijn gelegen voor de conclusie dat het gebruik van de baan de dassen verstoort. Dat tijdens de veldbezoeken dassenactiviteit is waargenomen op grond waarvan is geconcludeerd dat zich nog dassen in de burchten rond de golfbaan bevinden, vormt tegen deze achtergrond een onvoldoende motivering van het standpunt van de minister dat geen reden tot zorg bestaat met betrekking tot het welzijn van de dassenpopulatie op de golfbaan. Dit klemt temeer nu de Dassenwerkgroep niet bestrijdt dat zich op het terrein nog dassen bevinden, maar gemotiveerd heeft betoogd dat hun aantal is afgenomen en verder afneemt als gevolg van verstoringen door het gebruik van de baan. In dit verband is van belang dat van de zijde van de minister aangevoerde indicaties van dassenactiviteiten door de Dassenwerkgroep ter zitting van de Afdeling gemotiveerd zijn bestreden.

De minister heeft onvoldoende onderzoek verricht om vast te stellen of het door de Dassenwerkgroep geschetste beeld van een uitstervende dassenpopulatie als gevolg van verstoring door het gebruik van de golfbaan, juist is.

2.5. Het vorenoverwogene leidt tot het oordeel dat het besluit op bezwaar is genomen in strijd met het in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde vereiste van een zorgvuldige voorbereiding. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van de minister verzonden op 28 maart 2006 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt eveneens voor vernietiging in aanmerking.

2.7. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 15 juni 2007 in zaak nr. 06/1002;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de minister, verzonden op 28 maart 2006, kenmerk 05.1.0185/GV;

V. gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) aan de stichting "Stichting Dassenwerkgroep Limburg" het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 709,00 (zegge: zevenhonderdnegen euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. W. van den Brink, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2008.

312-546.