Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC5767

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-03-2008
Datum publicatie
05-03-2008
Zaaknummer
200704961/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 juli 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (hierna: het college) aan Schiphol Area Development Company N.V. (hierna: SADC) vrijstelling verleend voor de aanleg van de weg Beech Avenue vanaf de Rijkerstreek tot aan de Fokkerweg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200704961/1.

Datum uitspraak: 5 maart 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "De Groene Groep Ontwikkeling B.V.", gevestigd te Rotterdam,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak nr. 06-10262 van de rechtbank Haarlem van 25 juni 2007 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (hierna: het college) aan Schiphol Area Development Company N.V. (hierna: SADC) vrijstelling verleend voor de aanleg van de weg Beech Avenue vanaf de Rijkerstreek tot aan de Fokkerweg.

Bij besluit van 29 augustus 2006 heeft het college het door "De Groene Groep Ontwikkeling B.V." (hierna: De Groene Groep) daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 juni 2007, verzonden op 29 juni 2007, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het bestreden besluit op bezwaar gedeeltelijk vernietigd, doch bepaald dat de rechtsgevolgen ervan in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft De Groene Groep bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 juli 2007, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 januari 2008, waar De Groene Groep, vertegenwoordigd door mr. J.M. Neefe en mr. R.J.G. Bäcker, beiden advocaat te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.C. Ellerman en mr. M. Klijnstra, beiden advocaat te Amsterdam, en D.J. van der Graaf en C. Lakerveld, ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Als deskundige van de zijde van het college is gehoord ing. E. Stehouwer (hierna: de deskundige), werkzaam bij Ingenieursbureau Oranjewoud B.V. (hierna: Oranjewoud). Voorts is als partij gehoord SADC, vertegenwoordigd door drs. G. Kuper.

2. Overwegingen

2.1. Het verweer van het college dat De Groene Groep geen procesbelang meer heeft, nu haar gronden waarop een deel van de Beech Avenue wordt aangelegd inmiddels zijn onteigend, faalt. Indien immers haar hoger beroep slaagt, is niet uit te sluiten dat onder omstandigheden de titel aan bedoelde onteigening komt te ontvallen.

2.2. De aanleg van de Beech Avenue is in strijd met de ter plaatse geldende bestemmingsplannen. Om niettemin medewerking te kunnen verlenen aan het project heeft het college krachtens artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling van deze bestemmingsplannen verleend.

2.3. De Afdeling leest de rechtsoverwegingen 2.2 en 2.3 van de aangevallen uitspraak aldus, dat de rechtbank heeft geoordeeld dat als vaststaand is aan te nemen dat, behoudens het aspect luchtkwaliteit, voldaan is aan het vereiste van een goede ruimtelijke onderbouwing als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO. Thans is derhalve uitsluitend in geschil of het besluit op bezwaar voldoet aan het bepaalde in het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: het Blk 2005).

2.4. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Blk 2005, nemen bestuursorganen bij de uitoefening van bevoegdheden dan wel bij de toepassingen van wettelijke voorschriften die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, de in paragraaf 2 genoemde grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10), lood, koolmonoxide en benzeen in acht.

Ingevolge het derde lid kunnen bestuursorganen de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, in afwijking van dat lid mede uitoefenen indien:

a. de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of tenminste gelijk blijft;

b. bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de desbetreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert.

2.5. De Groene Groep betoogt dat de in het rapport "Luchtkwaliteitsonderzoek Beech Avenue" van Oranjewoud van 26 april 2006 (hierna: het rapport) voor de beoordeling van de luchtkwaliteit gehanteerde meetpunten niet representatief zijn. Volgens haar had de luchtkwaliteit ook moeten worden beoordeeld op de omliggende wegen.

2.5.1. Op pagina 3 van het rapport wordt vermeld dat op de in de omgeving gelegen wegen de verschillen tussen de verkeersintensiteit met en zonder de Beech Avenue verwaarloosbaar zijn. Volgens het rapport zijn de gekozen onderzoekslocaties dan ook te beschouwen als representatief voor de veranderingen in de luchtkwaliteit ten gevolge van de aanleg van de Beech Avenue. Ter zitting hebben het college en de deskundige het rapport nader toegelicht aan de hand van kaarten en aangegeven dat de aanleg van de Beech Avenue, gelet op de ligging en functie van die weg, geen relevante gevolgen heeft voor de omliggende wegen. Aldus is voldoende aannemelijk gemaakt dat de door Oranjewoud gehanteerde meetpunten een representatief beeld geven. Hetgeen De Groene Groep heeft aangevoerd, biedt geen aanleiding voor een ander oordeel.

2.6. De Groene Groep betoogt voorts tevergeefs dat niet alle relevante bronnen van luchtverontreinigende stoffen door Oranjewoud bij het onderzoek naar de luchtkwaliteit zijn betrokken. Uit paragraaf 4.6 van het rapport blijkt dat de autosnelweg A4 bij het onderzoek naar de luchtkwaliteit in ogenschouw is genomen. De Groene Groep heeft niet aannemelijk gemaakt dat de wijze waarop dit is gedaan, niet voldoet. Uit de stukken en de toelichting van de deskundige ter zitting volgt verder dat de invloed van de emissies van het vliegverkeer op Schiphol zijn opgenomen in de door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu ter beschikking gestelde achtergrondconcentraties en aldus in de berekeningen zijn betrokken. Niet aannemelijk is dat de bijdrage van het vliegverkeer van Schiphol niet volledig in de berekeningen is meegenomen.

Uit de "Aanvulling verweer B&W inzake besluit artikel 19 WRO Beech Avenue" en de door het college gegeven toelichting ter zitting volgt dat, anders dan de Groene Groep heeft aangevoerd, ook de invloed van de autosnelweg A5 is verwerkt in het door het college gehanteerde verkeersmodel "verkeersprognosemodel 2010" en aldus bij de beoordeling van de luchtkwaliteit is betrokken. Hetzelfde geldt voor de groei van de bedrijventerreinen in de omgeving van de Beech Avenue en de daarmee gepaard gaande toename van verkeersbewegingen. De Groene Groep heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar nog andere relevante ontwikkelingen voordeden waarvoor planologische besluitvorming had plaatsgevonden die zodanig concreet was, dat het college die ontwikkelingen bij zijn besluit had moeten betrekken.

Het betoog faalt.

2.7. De Groene Groep betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat in het rapport ten onrechte niet is gemotiveerd waarom de daarin gehanteerde afstanden tussen de meetpunten en de as van de betrokken wegen representatief zijn.

2.7.1. Het betoog faalt. Op pagina 4 van het rapport wordt uitdrukkelijk aangegeven dat ervoor gekozen is om per wegvak uit te gaan van de minimale afstand van de as van de weg tot aan de rand van de weg, hetgeen per wegvak tot een andere afstand leidt, en dat aldus sprake is van een "worst case" benadering. De Groene Groep heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit uitgangspunt onjuist is. In afwijking van hetgeen De Groene Groep aanvoert, volgt uit overeenkomstige toepassing van de artikelen 7 tot en met 9 van de Meetregeling luchtkwaliteit 2005 niet dat Groenewoud gehouden was de meetpunten op 5 m afstand van het midden van de dichtst bij gelegen rijbaan te plaatsen.

2.8. De Groene Groep betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat aan het rapport onjuiste verkeersgegevens ten grondslag liggen.

2.8.1. Volgens De Groene Groep heeft het college onvoldoende gemotiveerd waarom in het "verkeersprognosemodel 2010" wordt uitgegaan van 45.534 arbeidsplaatsen minder in de gemeente Haarlemmermeer dan in het oudere "verkeersprognosemodel 2015". In bijlage 1 bij het rapport wordt evenwel uitdrukkelijk ingegaan op het kleinere aantal arbeidsplaatsen. Het "verkeersprognosemodel 2015" betrof een maximummodel waarbij alle bedrijventerreinen maximaal werden gevuld, ongeacht of dit ook daadwerkelijk zo zal zijn in het prognosejaar. Het "verkeersprognosemodel 2010" is geen maximummodel, maar een zogenaamd jaarschijfmodel. De sociaal-economische invulling van dat model komt overeen met de geprognosticeerde werkelijkheid, waardoor er werkgelegenheidsgebieden in voor komen die slechts marginaal met arbeidsplaatsen zijn gevuld. Niet valt in te zien dat het college aldus onvoldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd waarom in het "verkeersprognosemodel 2010" wordt uitgegaan van minder arbeidsplaatsen.

2.8.2. Het betoog van De Groene Groep dat bij het onderzoek naar de luchtkwaliteit ten onrechte geen rekening is gehouden met de verkeersaantrekkende werking van de Beech Avenue zelf, faalt. Het college heeft, gelet ook op de ter zitting door hem en de deskundige gegeven toelichting, waarbij is ingegaan op de verkeersstromen voor en na de aanleg van de Beech Avenue, voldoende aannemelijk gemaakt dat die verkeersaantrekkende werking verwaarloosbaar klein is.

2.8.3. De enkele omstandigheid dat, zoals De Groene Groep aanvoert, niet alle invoerparameters van het "verkeersprognosemodel 2010" in het rapport zijn vermeld, biedt voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de aangevallen uitspraak geen stand kan houden. Indien De Groene Groep wenste te beschikken over andere dan de in het rapport vermelde invoerparameters, had het op haar weg gelegen die bij het college op te vragen.

2.8.4. Wat betreft de door De Groene Groep gestelde verschillen tussen de door het college in het "verkeersprognosemodel 2010" gehanteerde verkeersgegevens en de door haar overgelegde gegevens van Rijkswaterstaat, wordt overwogen dat de enkele omstandigheid dat sprake is van een verschil onvoldoende is voor het oordeel dat de door het college gehanteerde gegevens onjuist zijn. De Groene Groep heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door het college gehanteerde verkeersgegevens zozeer afwijken van de werkelijkheid dat daarvan geen gebruik mocht worden gemaakt. De rechtbank heeft dan ook terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat aan het rapport onjuiste verkeersgegevens ten grondslag zijn gelegd.

Het betoog faalt.

2.9. De Groene Groep betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat in het rapport ten onrechte geen berekeningen zijn uitgevoerd voor de situatie na 2015.

2.9.1. De Groene Groep voert onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 25 juli 2007 in zaak no. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200602152/1&verdict_id=17726&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200602152/1&utm_term=200602152/1">200602152/1</a> terecht aan dat de verplichtingen uit het Blk 2005 ook na 2015 gelden. Uit het rapport volgt evenwel dat de relevante waarden in 2015 een dalende lijn laten zien ten opzichte van 2008 en 2012. Gelet hierop en op de ter zitting door de deskundige op dit punt gegeven nadere toelichting, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de luchtkwaliteit na 2015, in afwijking van die tendens, mogelijk weer zal verslechteren met als gevolg dat niet meer aan de in het Blk 2005 neergelegde grenswaarden wordt voldaan. De door De Groene Groep overgelegde gegevens omtrent de in de toekomst verwachte emissies van het vliegverkeer op Schiphol leiden niet tot een ander oordeel, nu die emissies bij het door Oranjewoud uitgevoerde onderzoek naar de luchtkwaliteit zijn betrokken. De rechtbank heeft dan ook terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college ten onrechte geen nader onderzoek heeft verricht naar de luchtkwaliteit na 2015.

Het betoog faalt.

2.10. De Groene Groep betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat de luchtkwaliteit als gevolg van de aanleg van de Beech Avenue per saldo verbetert in de zin van artikel 7, derde lid, aanhef en onder b, van het Blk 2005. Daartoe voert zij aan dat de in het rapport neergelegde waarden voor de concentratie stikstofdioxide ten onrechte zijn afgerond naar hele getallen. Verder voert zij aan dat het college onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt op welke wegvlakken de jaargemiddeldeconcentratie stikstofdioxide zal toenemen en op welke deze zal afnemen en dat het college ten onrechte de Regeling saldering luchtkwaliteit 2005 (hierna: de Regeling) niet van toepassing heeft geacht.

2.10.1. Het betoog van De Groene Groep dat de in het rapport neergelegde waarden voor de concentratie stikstofdioxide ten onrechte zijn afgerond naar hele getallen, faalt. Uit de jurisprudentie waar De Groene Groep naar verwijst, kan niet worden afgeleid dat in het kader van de toepassing van artikel 7, derde lid, aanhef en onder b, van het Blk 2005 slechts gebruik mag worden gemaakt van waarden die zijn weergegeven met twee decimalen achter de komma. Voor het oordeel dat het college in dit geval de in het rapport neergelegde waarden ten onrechte voldoende nauwkeurig heeft geacht om toepassing te kunnen geven aan dat artikel, bestaat geen grond.

2.10.2. De Groene Groep betoogt verder tevergeefs dat het college onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt op welke wegvlakken de jaargemiddeldeconcentratie stikstofdioxide zal toenemen en op welke deze zal afnemen. Gelet op het rapport en de nadere memo van Oranjewoud van 12 oktober 2007, heeft het college voldoende inzichtelijk gemaakt dat de jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide op het wegvak N-P 1, dat een oppervlakte heeft van 635 m2, met 1 μg/m3 zal toenemen en op de wegvlakken N-P 2 en 3, die een oppervlakte hebben van 363 m2 respectievelijk 624 m2, zal afnemen met 1 μg/m3.

2.10.3. Het betoog van De Groene Groep dat het college de Regeling ten onrechte niet van toepassing heeft geacht, leidt, wat daar ook van zij, niet tot het beoogde doel, nu uit het besluit op bezwaar, de daaraan ten grondslag liggende stukken en de ter zitting door het college en de deskundige gegeven nadere toelichting volgt dat de wijze waarop het college artikel 7, derde lid, aanhef en onder b, van het Blk 2005 heeft toegepast voldoet aan de in de Regeling neergelegde criteria. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het college, anders dan De Groene Groep heeft aangevoerd, uitdrukkelijk is ingegaan op het aantal blootgestelden dat door de verslechtering en de verbetering wordt geraakt.

2.11. Gelet op het voorgaande, bestaat geen grond voor het oordeel dat niet alle voor de toepassing van artikel 7, derde lid, aanhef en onder b, van het Blk 2005 relevante factoren zijn onderzocht. Op basis van het rapport mocht het college ervan uitgaan dat de luchtkwaliteit als gevolg van de aanleg van de Beech Avenue per saldo verbetert als bedoeld in dat artikel. Derhalve heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat het Blk 2005 niet aan het verlenen van de vrijstelling in de weg staan.

2.12. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. S.F.M. Wortmann, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Van Roessel

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2008

457.