Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC5765

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-03-2008
Datum publicatie
05-03-2008
Zaaknummer
200704169/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 maart 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden (hierna: het college) een verzoek van [appellanten] om handhavend op te treden tegen het gebruik door de Stichting Maatschappelijke Opvang Fryslân (hierna: de SMO) van het pand gelegen op het perceel aan de Schoolstraat 17 te Leeuwarden (hierna: het pand), afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200704169/1.

Datum uitspraak: 5 maart 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], allen wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/1919 van de rechtbank Leeuwarden van 14 mei 2007 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 maart 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden (hierna: het college) een verzoek van [appellanten] om handhavend op te treden tegen het gebruik door de Stichting Maatschappelijke Opvang Fryslân (hierna: de SMO) van het pand gelegen op het perceel aan de Schoolstraat 17 te Leeuwarden (hierna: het pand), afgewezen.

Bij besluit van 27 juni 2006 heeft het college het daartegen door [appellanten] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 mei 2007, verzonden op 15 mei 2007, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellanten] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief van 18 juni 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 27 juli 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 december 2007, waar het college, vertegenwoordigd door H. Veenstra, ambtenaar in dienst van de gemeente, is verschenen. Voorts is de SMO, vertegenwoordigd door mr. R.C.M. Kamsma, advocaat te Leeuwarden en [manager] primair proces, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 3 december 1996 heeft het college aan [belanghebbende] vergunning verleend voor het verbouwen van het kantoor in het pand tot een kantoor met appartementen (hierna: de bouwvergunning). De appartementen zijn daarop in gebruik genomen voor de huisvesting van buitenlandse studenten. Voor de kamerverhuur is bij besluit van 23 januari 2004 krachtens artikel 6a.1.2 van de Bouwverordening van de gemeente Leeuwarden aan [belanghebbende] een gebruiksvergunning verleend voor kamerverhuur in het pand aan maximaal zestien bewoners. Sinds maart 2006 wordt het pand door de SMO gehuurd en gebruikt voor het bieden van onderdak aan maximaal zestien personen met ernstige psychiatrische en verslavingsproblemen. Bij besluit van 15 januari 2007 is door het college aan de SMO een gebruiksvergunning als voormeld verleend voor de kamerverhuur in het pand aan maximaal zestien bewoners.

2.2. Het gebruik van het pand als onzelfstandige woonruimten bestemd voor kamerbewoning is, naar niet in geschil is, in strijd met de bestemming "gemengde doeleinden" die ingevolge het bestemmingsplan "Schoolstraat e.o." op het perceel rust omdat die slechts het gebruik toelaat van woningen, bestemd voor de huishouding van één huishouden.

Naar evenmin in geschil is, moet dat gebruik van het pand worden geacht te zijn toegestaan gelet op de in 1996 afgegeven bouwvergunning en de verleende vergunning voor kamerverhuur. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of de verhuur als onzelfstandige woonruimten, bestemd voor kamerbewoning door buitenlandse studenten, planologisch op één lijn kan worden gesteld met het gebruik dat wordt gemaakt door de bewoners die een kamer huren van de SMO.

2.3. [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het gebruik van het pand kan worden aangemerkt als kamerbewoning in voormelde zin. Hiertoe voeren zij aan dat het gebruik dat de bewoners van het pand maken, moet worden beschouwd als eigen aan een zorginstelling, pension of logiesverblijf met een maatschappelijk doel.

2.3.1. Dit betoog slaagt. Naar ter zitting door de SMO is te kennen gegeven, gebruikt zij het pand voor de opvang en begeleiding van (uitbehandelde) psychiatrische patiënten met een ernstige verslaving. De huur wordt niet door de bewoners van het pand (hierna: de bewoners) zelf voldaan, maar wordt bekostigd uit een budget toegekend aan de SMO door het Centraal Indicatieorgaan Zorg. De woonruimte die elk van de zestien bewoners ter beschikking staat, bestaat uit een eigen kamer met douche. Voorts wordt gebruik gemaakt van algemene voorzieningen zoals toiletten en een recreatieruimte. Aan de bewoners worden, naar de SMO ter zitting heeft gesteld, dagelijks onder begeleiding drugs verstrekt die vervolgens op de eigen kamer door hen mogen worden gebruikt. Elke bewoner van het pand staat onder vaste begeleiding. Aan de hand van een begeleidingsplan en met toepassing van huisregels wordt getracht hem of haar een zekere structuur te bieden, waaronder begrepen een vast dagritme en een zinvolle tijdsbesteding. Blijkens de huisregels is het de bewoners niet toegestaan op de eigen kamer bezoek te ontvangen. Hiervoor kan tussen 10:30 uur en 20:00 uur, na overleg met een medewerker van de SMO, gebruik worden gemaakt van een inpandige spreekkamer. Naar eveneens ter zitting door de SMO gesteld, wordt de maaltijd voor de bewoners verzorgd, omdat zij niet in staat zijn zelfstandig te koken. Tevens is in het pand dag en nacht een beheerder aanwezig.

Deze omstandigheden in aanmerking genomen is de mate van begeleiding zodanig dat dit niet gelijk kan worden gesteld met kamerbewoning door studenten. Dat de woonruimte op zichzelf geschikt is voor zelfstandige bewoning neemt niet weg dat deze bewoners, die enige mate van zelfstandigheid genieten, daar slechts kunnen verblijven met behulp van de begeleiding die de SMO als zorginstelling biedt. De rechtbank heeft derhalve niet onderkend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de bouwvergunning, beschouwd in samenhang met de vergunning tot kamerverhuur, strekt tot het toestaan van het in geding zijnde gebruik en om die reden niet handhavend kan worden opgetreden.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Gelet hierop zal de Afdeling het beroep van [appellanten] tegen het besluit van 27 juni 2006 gegrond verklaren. Dat besluit komt voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Het college dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.5. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 14 mei 2007 in zaak nr. 06/1919;

III. verklaart het in die zaak bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van 27 juni 2006, kenmerk FH/rs/202-2006;

V. veroordeelt het college tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1127,00 (zegge: elfhonderdzevenentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Leeuwarden aan [appellanten] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

VI. gelast dat de gemeente Leeuwarden aan [appellanten] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 355,00 (zegge: driehonderdvijfenvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. W. van den Brink, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Huijben, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Huijben

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2008

313-543.