Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC5762

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-03-2008
Datum publicatie
05-03-2008
Zaaknummer
200704241/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 april 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Nuth (hierna: de raad) bij besluit van 5 september 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Locatie Kamp".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200704241/1.

Datum uitspraak: 5 maart 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 april 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Nuth (hierna: de raad) bij besluit van 5 september 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Locatie Kamp".

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 juni 2007, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft het college van burgemeester en wethouders van Nuth, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 februari 2008, waar [appellanten], in persoon en bijgestaan door mr. M.J.M. Senden, en het college, vertegenwoordigd door P.H.M. Hanen, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door mr. L.G.M.H. Bohnen, ambtenaar in dienst van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. [appellanten] voeren als procedureel punt aan dat zowel het besluit van de raad tot vaststelling van het plan als het goedkeuringsbesluit van het college niet bekend zijn gemaakt in het gemeentelijke publicatiekastje aan het gemeentehuis.

2.2.1. Voor zover hier van belang, dient ingevolge artikel 26, eerste lid, van de WRO in samenhang gelezen met artikel 23, eerste lid, onder a, van de WRO en artikel 3:12 van de Awb van een besluit tot vaststelling van een plan kennisgeving plaats te vinden in de Staatscourant en in een of meerdere dag-, nieuws- of huis-aan-huis-bladen of op andere geschikte wijze. De kennisgeving van het vastgestelde plan heeft plaatsgevonden in de Staatscourant en in het "Infobulletin Gemeente Nuth en Omstreken". Voorts is door de raad onweersproken gesteld dat kennisgeving van besluiten op grond van de WRO in het gemeentelijke publicatiekastje reeds jaren geleden in onbruik is geraakt. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de genoemde voorschriften niet verplichtten tot kennisgeving van het besluit tot vaststelling van het plan in het gemeentelijke publicatiekastje. De kennisgeving van het besluit tot vaststelling van het plan voldoet aan de uit genoemde voorschriften voortvloeiende eisen.

2.2.2. Met betrekking tot het feit dat geen kennisgeving heeft plaatsgevonden in het gemeentelijke publicatiekastje van het goedkeuringsbesluit van het college, overweegt de Afdeling als volgt. Deze beroepsgrond heeft betrekking op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kan reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Reeds hierom faalt deze beroepsgrond.

2.3. [appellanten] kunnen zich er niet mee verenigen dat hun percelen gelegen aan de Kamp in Nuth, geen onderdeel vormen van het vastgestelde plan. Zij wensen dat aan deze - thans onbebouwde - percelen een woonbestemming wordt toegekend, zoals in het ontwerp-plan het geval was. [appellanten] voeren hiertoe aan dat de raad de vaststelling van de plangrens in afwijking van het ontwerp-plan ondeugdelijk heeft gemotiveerd en daaraan oneigenlijke motieven ten grondslag heeft gelegd. [appellanten] betogen dat het college in zoverre dan ook ten onrechte het plan heeft goedgekeurd.

2.4. De raad heeft de percelen, die in het ontwerp-plan een woonbestemming hadden, niet opgenomen in het vastgestelde plan. Hiertoe heeft de raad overwogen dat de gemeente hecht aan het open karakter van het plangebied en derhalve realisatie van woningen op de percelen van [appellanten] uit stedenbouwkundig oogpunt niet wenselijk is. Tevens is gebleken dat woningbouw op deze percelen niet leidt tot een batig exploitatieresultaat van het plan. Mede als gevolg van dit gebrek aan economische uitvoerbaarheid zijn de percelen niet in het vastgestelde plan opgenomen.

2.5. Het college heeft met de gekozen plangrens ingestemd en heeft het plan goedgekeurd.

2.6. De Afdeling overweegt dat het beroep van [appellanten] geacht moet worden te zijn gericht tegen de plangrenzen.

Gelet op de systematiek van de Wet op de Ruimtelijke Ordening komt de raad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geoordeeld of anderszins in strijd is met het recht.

2.7. De Afdeling is van oordeel dat in dit geval het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat het college het plan ook overigens in redelijkheid heeft kunnen goedkeuren. Hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat [appellanten] niet aannemelijk hebben gemaakt dat tussen hun percelen en de aangrenzende gronden binnen het plangebied een zodanige ruimtelijke samenhang bestaat, dat deze percelen in het plan opgenomen hadden moeten worden.

In de overgelegde stukken is geen grond te vinden voor de stelling van [appellanten] dat de gemeente bij het bepalen van de planbegrenzing zich heeft laten leiden door motieven van niet-planologische aard. De redenen die de gemeente heeft aangedragen voor zijn keuze van de planbegrenzing zijn niet onjuist gebleken en kunnen deze keuze rechtvaardigen. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.P. de Rooy, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. De Rooy

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2008

59-571.