Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC5761

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-03-2008
Datum publicatie
05-03-2008
Zaaknummer
200703659/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 april 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Aviko B.V. (hierna: vergunninghoudster) een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een gronddepot voor opslag van tarragrond op het perceel Rozenstraat 5 te Baak, gemeente Bronckhorst. Dit besluit is op 26 april 2007 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 1.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/278
Omgevingsvergunning in de praktijk 2008/871

Uitspraak

200703659/1.

Datum uitspraak: 5 maart 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A], [appellante B] en [appellante C], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 april 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Aviko B.V. (hierna: vergunninghoudster) een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een gronddepot voor opslag van tarragrond op het perceel Rozenstraat 5 te Baak, gemeente Bronckhorst. Dit besluit is op 26 april 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief van 23 mei 2007, bij de Raad van State ingekomen op 24 mei 2007, beroep ingesteld.

Bij brief van 3 juli 2007 heeft het college een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desgevraagd een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellanten] hebben een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 januari 2008, waar [appellant A] en [appellante B] en het college, vertegenwoordigd door A.A.M. Niens en T. Achterkamp, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting vergunninghoudster, vertegenwoordigd door J.H.J.M. Sträter, als belanghebbende gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat de bij deze wetten doorgevoerde wetswijzigingen niet van toepassing zijn op het geding.

2.2. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer, zoals deze vóór 1 juli 2005 luidde, kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

[appellanten] hebben de grond dat de bewoners van het perceel [locatie] ten onrechte geen kennisgeving van het ontwerp van het besluit hebben ontvangen niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. [appellant A] en [appellante B] hebben de gronden inzake ongedierte en vervuiling van de openbare weg niet als bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan hen redelijkerwijs niet kan worden verweten op deze punten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.4. [appellante C] vreest dat de openbare weg zal worden vervuild met tarragrond vanwege het verkeer van en naar de inrichting.

2.4.1. In voorschrift 1.2 is bepaald dat de inrichting ordelijk moet worden gehouden en in goede staat van onderhoud moet verkeren.

In voorschrift 1.5 is bepaald dat transportvoertuigen zodanig schoon dienen te zijn en zodanig te zijn geladen dat tijdens het transport naar en van de inrichting geen tarragrond kan worden afgeschud, dan wel op een andere wijze verspreiding kan optreden.

2.4.2. In hetgeen [appellante C] aanvoert, bestaat mede gezien het deskundigenbericht geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze voorschriften toereikend zijn.

De beroepsgrond faalt.

2.5. [appellanten] betogen dat het college bij het beoordelen van de geurhinder ten onrechte de geuremissie als gevolg van de verspreiding van tarragrond over het om het gronddepot liggende agrarische perceel, buiten beschouwing heeft gelaten.

2.5.1. Het college stelt zich op het standpunt dat hij niet gehouden was de verspreiding van tarragrond te betrekken bij de besluitvorming omdat het om het gronddepot liggende agrarische perceel geen deel uitmaakt van de inrichting.

2.5.2. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer wordt onder inrichting verstaan: elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel worden daarbij als één inrichting beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen.

2.5.3. Niet in geschil is dat tarragrond vanuit het gronddepot op de daaromheen gelegen agrarische perceel wordt verspreid. Deze activiteit maakt geen onderdeel uit van de activiteiten waarvoor in de onderhavige situatie vergunning is verleend.

2.5.4. Voor de bedrijfsvoering is de fysieke nabijheid van de percelen waarop de tarragrond wordt verspreid niet noodzakelijk. Evenmin is het noodzakelijk dat steeds dezelfde percelen voor de verspreiding van tarragrond worden gebruikt, zodat niet kan worden geoordeeld dat het gronddepot en de percelen waarop de verspreiding van tarragrond plaatsvindt tezamen één inrichting vormen als bedoeld in artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer. De toevallige omstandigheid dat in de onderhavige situatie tarragrond wel in de directe nabijheid van het gronddepot wordt verspreid, leidt niet tot een ander oordeel. Het agrarische perceel maakt dan ook geen onderdeel uit van de inrichting. Het college heeft bij zijn beoordeling van de geurhinder de geuremissie als gevolg van de verspreiding van tarragrond buiten het gronddepot terecht buiten beschouwing gelaten. Deze beroepsgrond faalt.

2.6. [appellanten] stellen dat geurhinder zal ontstaan als gevolg van het in werking zijn van de inrichting. In dit verband voeren zij aan dat het college bij de beoordeling van de geurhinder is uitgegaan van een onjuiste ligging van de woning van [appellant A]. Tevens betogen zij dat de in de vergunning opgenomen geurnorm niet kan worden nageleefd.

2.6.1. Het college heeft voor de beoordeling van de geurhinder vanwege de inrichting aangesloten bij het provinciale geurbeleid dat is vastgelegd in het document "Gelderse beleidsregels voor geur in milieuvergunningen" van 17 september 2002. In het provinciale geurbeleid zijn onder meer drie waarden voor geurhinder geformuleerd: de bovenwaarde, de streefwaarde en de richtwaarde. In het geurbeleid is onder meer vermeld dat het college het acceptabel geurhinderniveau vaststelt op de richtwaarde, of zoveel lager als mogelijk is. Het acceptabel geurhinderniveau wordt vastgesteld aan de hand van onder meer de geuremissie, de berekende geurimmissie op leefniveau en de omgeving waarin de inrichting is gelegen.

Het college heeft de omgeving van de inrichting gekwalificeerd als wonen/buitengebied en de aard van de geur gekarakteriseerd als hinderlijk. Deze kwalificatie is door [appellanten] niet betwist. Voor een dergelijke situatie gelden streef-, richt- en bovenwaarden van onderscheidenlijk 0,3, 1 en 3 ge/m3 als 98-percentiel. Het college heeft bij deze waarden aangesloten door voorschrift 2.2 aan de vergunning te verbinden, waarin is bepaald dat de gemiddelde geurbelasting op leefniveau als gevolg van de gehele inrichting ten minste dient te voldoen aan de geurcontouren van 0,3, 1 en 3 ge/m3 als 98-percentiel, zoals weergegeven in afbeelding 4.1 van het bij de aanvraag gevoegde geurrapport van 20 september 2005, dat is opgesteld door bureau Witteveen en Bos.

Niet in geschil is dat de woningen van [appellanten] buiten de geurcontour van 0,3 ge/m3 als 98-percentiel liggen zodat de geurbelasting ter plaatse van deze woningen in ieder geval kleiner is dan de richtwaarde. In hetgeen [appellanten] hebben betoogd, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in voorschrift 2.2 gestelde geurnorm toereikend is ter voorkoming dan wel voldoende beperking van geurhinder.

2.6.2. In september 2006 zijn in opdracht van het college door adviesbureau Pro Monitoring B.V. (hierna: Pro Monitoring) geurmetingen uitgevoerd ter verificatie van de in het bij de aanvraag gevoegde rapport "Geuronderzoek gronddepot Baak" van Witteveen en Bos van 29 september 2005 neergelegde berekening van de geuremissie. Op basis van de resultaten van de geurmetingen is door Pro Monitoring een geuremissie berekend, waaruit volgt dat bij het storten van de natte tarragrond de gehanteerde geurnorm wordt overschreden. Het college wijt de hogere geuremissie aan een incidentele omstandigheid die zich ten tijde van de uitvoering van de geurmetingen heeft voorgedaan. Deze bijzondere omstandigheid bestond daaruit dat 2006 een extreem slecht ‘aardappeljaar’ was, waardoor een hoger percentage organisch materiaal in de natte tarragrond aanwezig was. Dit leidt in warmere periodes tot meer biologische activiteit met een grotere geuremissie. Het college heeft vanwege het incidentele karakter daarvan aanleiding gezien de door Pro Monitoring berekende geuremissie buiten beschouwing te laten bij de beoordeling van de door de inrichting te veroorzaken geurhinder.

2.6.3. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat het binnen de inrichting opslaan van natte tarragrond met een hoger percentage organisch materiaal dusdanig uitzonderlijk is dat het opslaan daarvan niet gerekend kan worden tot de representatieve bedrijfssituatie. Dit wringt te meer, nu niet valt uit te sluiten dat - hetgeen door vergunninghoudster ter zitting is onderkend - de in voorschrift 2.2 van de vergunning gestelde geurnorm als gevolg daarvan wordt overschreden. Het bestreden besluit is in zoverre strijdig met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

Deze beroepsgrond slaagt.

2.7. [appellante C] vreest voor een toenemende overlast van ongedierte vanwege het in werking zijn van de inrichting.

2.7.1. Ingevolge voorschrift 1.11 moet het aantrekken van meeuwen, kraaien, insecten, knaagdieren en ongedierte zoveel mogelijk worden voorkomen. Zo vaak de omstandigheden daartoe aanleiding geven, moet doelmatige bestrijding van insecten, knaagdieren en ander ongedierte plaatsvinden.

2.7.2. In hetgeen [appellante C] aanvoert, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit voorschrift toereikend is.

De beroepsgrond faalt.

2.8. Het beroep is, voor zover ontvankelijk, gegrond. Nu het geuraspect bepalend is voor de vraag of de gevraagde vergunning kan worden verleend, dient het gehele bestreden besluit te worden vernietigd.

2.9. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellanten] niet-ontvankelijk voor zover betreft de grond dat de bewoners van het perceel [locatie] ten onrechte geen kennisgeving van het ontwerp van het besluit hebben ontvangen;

II. verklaart het beroep van [appellant A] en [appellante B] niet-ontvankelijk voor zover betreft de gronden inzake ongedierte en vervuiling van de openbare weg;

III. verklaart het beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 13 april 2007, kenmerk MPM4524;

V. gelast dat de provincie Gelderland aan [appellanten] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Drouen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2008

375-542.