Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC5275

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-02-2008
Datum publicatie
27-02-2008
Zaaknummer
200702700/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 april 2005 heeft de gemeenteraad van Dalfsen het bestemmingsplan "De Gerner Marke" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 28
Wet op de Ruimtelijke Ordening 30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2008/3355
JOM 2008/185
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200702700/1.

Datum uitspraak: 27 februari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellante sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellanten sub 3], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 april 2005 heeft de gemeenteraad van Dalfsen het bestemmingsplan "De Gerner Marke" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 29 november 2005, kenmerk RWB/2005/1648, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

De Afdeling heeft het besluit van 29 november 2005 bij uitspraak van 19 juli 2006, no. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200600217/1&verdict_id=14429&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200600217/1&utm_term=200600217/1">200600217/1</a>, vernietigd, voor zover bij dat besluit goedkeuring was verleend aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" dat betrekking heeft op het perceel aan het Slingerlaantje, kadastraal bekend gemeente Dalfsen, sectie Q, no. 1385 (hierna: het perceel [partij]).

Verweerder heeft bij zijn besluit van 13 februari 2007, kenmerk 2007/0062994, voor zover nodig, opnieuw beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief van 12 april 2007, bij de Raad van State ingekomen op 13 april 2007, [appellante sub 2] bij brief van 8 mei 2007, bij de Raad van State ingekomen op 9 mei 2007, en [appellanten sub 3] bij faxbericht van 11 mei 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Bij brief van 10 juli 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van het college van burgemeester en wethouders van Dalfsen en van [partij], die als partij tot het geding is toegelaten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [partij]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 december 2007, waar [appellant sub 1], in persoon, [appellante sub 2], in persoon, [appellanten sub 3], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door T. Drint, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen.

Voorts zijn daar gehoord de gemeenteraad van Dalfsen, vertegenwoordigd door A.C.D. Spies, ambtenaar in dienst van de gemeente, en [partij], bijgestaan door mr. J.T. Fuller, advocaat te Zwolle.

2. Overwegingen

2.1. [appellant sub 1] richt zich in beroep tegen de goedkeuring van het plandeel dat betrekking heeft op het perceel [partij]. Hij heeft tegen het besluit omtrent goedkeuring van 29 november 2005 geen beroep ingesteld. Het besluit omtrent goedkeuring van 13 februari 2007 is een heroverweging van voormeld besluit van 29 november 2005. Vaststaat dat [appellant sub 1] door het heroverwegingsbesluit niet in een nadeliger situatie is komen te verkeren dan waarin hij zich bevond na het besluit omtrent goedkeuring van 29 november 2005, waarbij op zijn bedenkingen is beslist en waarin [appellant sub 1] geacht moet worden te hebben berust, nu hij daartegen destijds geen beroep heeft ingesteld. Voormelde besluiten behelzen immers beide de goedkeuring van het plandeel dat betrekking heeft op het perceel [partij]. Onder deze omstandigheden en nu niet is gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden dient het beroep van [appellant sub 1] niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2.2. Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

2.3. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.4. [appellante sub 2] betoogt dat verweerder na de uitspraak van de Afdeling van 19 juli 2006 ten onrechte heeft afgezien van het vragen van advies aan de Provinciale Commissie voor de Fysieke Leefomgeving (hierna: PCFL) en van het houden van een hoorzitting, bij welke gelegenheid zij haar standpunt naar aanleiding van deze uitspraak naar voren had kunnen brengen.

2.4.1. In de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) is geen algemene verplichting opgenomen om, na vernietiging van de eerdere beslissing omtrent goedkeuring van een bestemmingsplan, opnieuw een hoorgelegenheid te bieden aan de inbrengers van bedenkingen, dan wel om de PCFL opnieuw om advies te vragen. Uit een oogpunt van zorgvuldige voorbereiding van een besluit kan daarvoor wel aanleiding bestaan vanwege gewijzigde feiten of omstandigheden.

[appellante sub 2] is voorafgaand aan het besluit van verweerder van 29 november 2005 in de gelegenheid gesteld haar bedenkingen in te dienen en deze op 25 oktober 2005 tijdens een hoorzitting nader toe te lichten. Ten tijde van het bestreden besluit was verweerder volledig bekend met de ingebrachte bedenkingen van [appellante sub 2]. Verweerder was eveneens bekend met het destijds uitgebrachte advies van de PCFL op het bestemmingsplan "De Gerner Marke". In hetgeen [appellante sub 2] op dit punt naar voren heeft gebracht, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van zodanige nieuwe feiten of omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het besluit van verweerder van 29 november 2005, dat met het oog op een zorgvuldige besluitvorming de noodzaak zou bestaan voor verweerder om haar opnieuw te horen en de PCFL opnieuw om advies te vragen.

Gelet hierop heeft verweerder in dit geval in redelijkheid een besluit kunnen nemen zonder [appellante sub 2] opnieuw te horen en de PCFL opnieuw om advies te vragen.

2.5. Tussen de gemeente Dalfsen als koper en [partij] als verkoper is in 2004 een koopovereenkomst gesloten ter zake de aankoop van gronden in het noordoosten van het plangebied van De Gerner Marke, waarbij de gemeente Dalfsen tevens de inspanningsverplichting op zich heeft genomen om jegens [partij] al het mogelijke te doen om een bouwkavel (voor de bouw van een woning) te realiseren op het perceel [partij], dat ligt in de woonwijk De Gerner Es. Voor De Gerner Es hanteert de gemeenteraad een anti-verdichtingsbeleid ten aanzien van bebouwing.

2.5.1. In haar uitspraak van 19 juli 2006 heeft de Afdeling onder meer overwogen dat op verweerder de taak rust om nader te onderzoeken of en in welke mate aan de vaststelling van het plandeel betreffende het perceel [partij] niet-planologische argumenten ten grondslag hebben gelegen en of dit consequenties heeft voor de vraag of het plandeel in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Naar aanleiding van deze uitspraak heeft het college van burgemeester en wethouders van Dalfsen (hierna: het college) bij brief van 2 november 2006 zijn ruimtelijke argumenten voor inpassing van het perceel [partij] in de omgeving nader toegelicht bij verweerder. Volgens het college is in dit specifieke geval vanwege de zeer directe ruimtelijke relatie met het nieuwe woongebied De Gerner Marke terecht en met name op ruimtelijke gronden afgeweken van het gemeentelijke anti-verdichtingsbeleid voor het woongebied De Gerner Es. Daarbij hebben maatschappelijke relevante overwegingen ook een belangrijke rol gespeeld, aldus het college.

2.5.2. Volgens verweerder heeft de gemeente Dalfsen een inspanningsverplichting op zich genomen om de woonbestemming op het perceel [partij] te realiseren in ruil voor gronden die de gemeente nodig heeft voor de realisering van De Gerner Marke. De bestemming van dit perceel dient dan ook in directe samenhang te worden bezien met de realisering van deze nieuwe woonwijk en in zoverre ligt aan de bestemming van het perceel [partij] een planologische overweging ten grondslag, aldus verweerder. Verweerder meent dat afwijking van het gemeentelijke beleid om verdichting in De Gerner Es tegen te gaan in dit geval gerechtvaardigd is omdat met het realiseren van de nieuwe woonwijk een algemeen belang wordt gediend. Gelet op de stedenbouwkundige structuur van de omgeving acht verweerder de keuze van de gemeenteraad aanvaardbaar. Volgens hem blijft er ook bij realisering van de woning op het perceel [partij] sprake van een harmonieuze overgang tussen de woongebieden De Gerner Marke en De Gerner Es.

2.5.3. [appellante sub 2] en [appellanten sub 3] richten zich in beroep tegen de bouwmogelijkheid voor een woning op het perceel [partij]. Zij betogen in dit verband, samengevat weergegeven, dat verweerder voornoemde uitspraak van de Afdeling niet in acht heeft genomen, nu hij heeft nagelaten om gericht te onderzoeken in hoeverre niet-planologische argumenten een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van de bestemming van het perceel [partij]. Appellanten zijn voorts, in tegenstelling tot verweerder, van mening dat het toekennen van een woonbestemming aan het perceel [partij] niet noodzakelijk was voor realisering van de woonwijk 'De Gerner Marke'.

2.5.4. De Afdeling begrijpt verweerder aldus dat hij het realiseren van De Gerner Marke op de wijze, zoals in het plan is voorzien, beschouwt als het motief op basis waarvan een woonbestemming aan het perceel [partij] is toegekend. Met het toekennen van deze woonbestemming is de gemeenteraad afgeweken van het gemeentelijke planologische beleid voor De Gerner Es, dat erop is gericht om verdichting tegen te gaan. Gelet hierop moet het er voor worden gehouden dat de ruimtelijke onderbouwing van de in geding zijnde woonbestemming in de eerste plaats ligt in de relatie tot het realiseren van De Gerner Marke.

Nu verweerder de woonbestemming van het perceel [partij] koppelt aan de realisering van De Gerner Marke, had het in de rede gelegen om bij het door de Afdeling bedoelde onderzoek nadrukkelijk aandacht te besteden aan de vraag in hoeverre het betrekken van de door de gemeente van [partij] aangekochte gronden bij de voorziene woonwijk De Gerner Marke noodzakelijk was voor het realiseren van deze woonwijk. Hierbij had tevens kunnen worden onderzocht in hoeverre de gemeente de mogelijkheid had om deze gronden in eigendom te verwerven zonder de inspanningsverplichting op zich te nemen om aan het perceel [partij] een woonbestemming toe te kennen. Daarbij is van belang in hoeverre de gemeente de mogelijkheid had om deze gronden te onteigenen, indien was gebleken dat aankoop langs minnelijke weg zonder het opnemen van de inspanningsverplichting niet mogelijk was. Uit de stukken blijkt niet dat verweerder de hiervoor genoemde punten heeft betrokken bij het door de Afdeling bedoelde nadere onderzoek.

Ter zitting heeft de gemeenteraad bovendien verklaard dat de voorziene woonwijk De Gerner Marke ook gerealiseerd had kunnen worden zonder daarbij de van [partij] aangekochte gronden te betrekken, maar dat met de aangekochte gronden het plangebied op een goede manier kan worden afgerond. De gemeenteraad heeft ter zitting voorts verklaard dat hij onteigening in een gemeente van beperkte omvang niet aangewezen acht en dat hij daarom gronden minnelijk wil verwerven. In het kader van de onderhandelingen met [partij] over de aankoop van zijn gronden is het thans in geding zijnde perceel [partij] een rol gaan spelen, aldus de gemeenteraad ter zitting.

Het enkele feit dat de gemeenteraad niet van de mogelijkheid tot onteigening gebruik heeft willen maken, kan geen ruimtelijk relevant motief opleveren voor het opnemen van een woonbestemming ten behoeve van het perceel [partij]. De van [partij] aangekochte gronden waren voorts niet noodzakelijk voor de realisering van De Gerner Marke. Verweerder heeft zich dan ook ten onrechte op het standpunt gesteld dat aan de bestemming van het perceel [partij] een planologische overweging ten grondslag ligt vanwege een samenhang met de realisering van De Gerner Marke. Gelet hierop was het toekennen van de woonbestemming aan het perceel [partij] in afwijking van het in De Gerner Es geldende anti-verdichtingsbeleid niet nodig ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

2.5.5. De conclusie is dat hetgeen [appellante sub 2] en [appellanten sub 3] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" dat betrekking heeft op het perceel [partij]. Door het plan in zoverre niettemin goed te keuren, heeft verweerder gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. De beroepen van [appellante sub 2] en van [appellanten sub 3] zijn gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

Uit het vorenstaande volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" dat betrekking heeft op het perceel [partij].

2.6. Verweerder dient op na te melden wijze te worden veroordeeld in de proceskosten van [appellante sub 2] en van [appellanten sub 3]. Wat betreft [appellant sub 1] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1] niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellante sub 2] en [appellanten sub 3] gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: verweerder) van 13 februari 2007, kenmerk 2007/0062994;

IV. onthoudt goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" dat betrekking heeft op het perceel [partij];

V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van voornoemd besluit van 13 februari 2007;

VI. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Overijssel tot vergoeding van bij [appellante sub 2] en [appellanten sub 3] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een totaalbedrag van € 397,00 (zegge: driehonderdzevenennegentig euro); het dient door de provincie Overijssel op de volgende wijze, onder vermelding van het zaaknummer, te worden betaald:

- aan [appellante sub 2] een bedrag van € 39,23 (zegge: negenendertig euro en drieëntwintig cent);

- aan [appellanten sub 3] een bedrag van € 357,77 (zegge: driehonderdzevenenvijftig euro en zevenenzeventig cent);

VII. gelast dat de provincie Overijssel aan [appellante sub 2] en [appellanten sub 3] het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) voor [appellante sub 2] en € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) voor [appellanten sub 3] vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. K.J.M. Mortelmans, Leden, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Troost, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Troost

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2008

234-528.