Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC5274

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-02-2008
Datum publicatie
27-02-2008
Zaaknummer
200705127/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 oktober 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Deurne (hierna: het college) het Nederlands Slaapcentrum gelast vóór 1 januari 2004 het gebruik van een deel van een loods op het perceel Brouwhuisweg 49a te Vlierden (hierna onderscheidenlijk: de loods en het perceel) als kantoor/kantine en voor opslag van bedden en matrassen te staken, onder oplegging van een dwangsom van € 2.500,00 per week voor elke week dat de overtreding na 1 januari 2004 voortduurt met een maximum van € 100.000,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200705127/1.

Datum uitspraak: 27 februari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A], wonend te [woonplaats], en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Nederlands Slaapcentrum B.V., gevestigd te Eindhoven,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 6 juni 2007 in zaak nr. 06/3217 in het geding tussen:

[appellant A] en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Nederlands Slaapcentrum B.V.,

en

het college van burgemeester en wethouders van Deurne.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 oktober 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Deurne (hierna: het college) het Nederlands Slaapcentrum gelast vóór 1 januari 2004 het gebruik van een deel van een loods op het perceel Brouwhuisweg 49a te Vlierden (hierna onderscheidenlijk: de loods en het perceel) als kantoor/kantine en voor opslag van bedden en matrassen te staken, onder oplegging van een dwangsom van € 2.500,00 per week voor elke week dat de overtreding na 1 januari 2004 voortduurt met een maximum van € 100.000,00.

Bij besluit van 29 mei 2006 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 juni 2007, verzonden op 12 juni 2007, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het door [appellant A] en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Nederlands Slaapcentrum B.V. (hierna: het Nederlands Slaapcentrum) daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en het Nederlands Slaapcentrum bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 juli 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 19 augustus 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant A] en het Nederlands Slaapcentrum hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 februari 2008, waar [appellant A] en het Nederlands Slaapcentrum, vertegenwoordigd door mr. G.R.A.G. Goorts, advocaat te Deurne, en het college, vertegenwoordigd door mr. Y. Sieuwerts, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op het gedeelte van het perceel waar de loods zich bevindt, rust ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied herziening IX: correctieve herziening" (hierna: het bestemmingsplan) de bestemming "Agrarisch loonwerkbedrijf". Het gebruik van de loods als kantoor/kantine en voor opslag van bedden en matrassen is hiermee in strijd, zodat het college bevoegd was terzake handhavend op te treden.

2.2. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.3. [appellant A] en het Nederlands Slaapcentrum betogen tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat onduidelijk is tot wie de last onder dwangsom is gericht. Het besluit van 9 oktober 2003 is gericht aan het Nederlands Slaapcentrum ter attentie van [appellant A]. De rechtbank heeft, anders dan [appellant A] en het Nederlands Slaapcentrum stellen, terecht overwogen dat hieruit niet kan worden afgeleid dat [appellant A] persoonlijk zou zijn aangeschreven. Voorts heeft de rechtbank in het weglaten van de rechtspersoonlijkheidsvorm B.V. in de adressering van het besluit van 9 oktober 2003 terecht geen grond gezien voor het oordeel dat onduidelijk is tot wie de aanschrijving is gericht. Hierbij is in aanmerking genomen dat in het overgelegde uittreksel van de Kamer van Koophandel staat vermeld dat de handelsnaam van de onderneming Nederlands Slaapcentrum is. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat het Nederlands Slaapcentrum terecht als overtreder is aangeschreven.

2.4. [appellant A] en het Nederlands Slaapcentrum betogen voorts dat de rechtbank heeft miskend dat zij door het maken van bezwaar tegen het besluit van 9 oktober 2003 in een ongunstigere positie zijn geraakt. Zij stellen in dit verband dat het college in het besluit op bezwaar van 29 mei 2006 een nieuwe begunstigingstermijn heeft gesteld waarna opnieuw dwangsommen konden verbeuren. Volgens [appellant A] en het Nederlands Slaapcentrum was dit niet mogelijk geweest als zij geen bezwaar hadden gemaakt, aangezien het in het besluit van 9 oktober 2003 gestelde maximum aan dwangsommen reeds was verbeurd en de bevoegdheid tot invordering hiervan was verjaard.

2.4.1. Dit betoog faalt. In de bezwaarprocedure dient gelet op artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht een volledige heroverweging plaats te vinden in het kader waarvan een nieuwe begunstigingstermijn mag worden gesteld. Voorts is van belang dat het college te kennen heeft gegeven dat het niet tot invordering van de na het besluit van 9 oktober 2003 verbeurde dwangsommen is overgegaan, omdat [appellant A] en het Nederlands Slaapcentrum bezwaar hadden gemaakt tegen dit besluit.

2.5. Verder betogen [appellant A] en het Nederlands Slaapcentrum dat de rechtbank heeft miskend dat ten tijde van het besluit op bezwaar van 29 mei 2006 concreet zicht op legalisatie van het gebruik van de loods als kantoor/kantine en voor opslag van bedden en matrassen bestond. Hiertoe voeren zij aan dat dit gebruik op grond van het ontwerpbestemmingsplan "Buitengebied" is toegestaan. Ter toelichting wijzen zij ook op notulen van een vergadering van de raad van de gemeente Deurne (hierna: de gemeenteraad) van 11 december 2007 met betrekking tot het gewijzigd vaststellen van het bestemmingsplan "Buitengebied" en tegen deze vaststelling in te dienen bedenkingen.

2.5.1. In het ontwerpbestemmingsplan "Buitengebied", dat op 13 april 2006 ter inzage is gelegd, (hierna: het ontwerpbestemmingsplan) is aan het perceel de bestemming "woondoeleinden" met de aanduiding "VAB" (vrijkomend agrarisch bedrijfsgebouw) toegekend.

2.5.2. Ingevolge artikel 8.1 van de bij het ontwerpbestemmingsplan behorende voorschriften, voor zover thans van belang, zijn de op de plankaart voor woondoeleinden aangegeven gronden bestemd voor:

- wonen al dan niet in combinatie met aan huis gebonden beroepen en kleinschalig kamperen;

- aan huis gebonden bedrijven;

een en ander met de bijbehorende voorzieningen.

Ingevolge artikel 8.2.5, voor zover thans van belang, geldt voor bestemmingsvlakken met de aanduiding VAB dat binnen deze vlakken de vrijgekomen agrarische bedrijfsgebouwen mogen worden gebruikt voor statische opslag.

Ingevolge artikel 1, onder 80, wordt onder statische opslag verstaan de (seizoens)opslag van caravans, vouwwagens, kampeerauto's en boten, zonder dat deze ter plaatse gerepareerd of verhandeld worden.

2.5.3. Het betoog van [appellant A] en het Nederlands Slaapcentrum faalt, reeds omdat het aangeschreven gebruik in strijd is met de in het ontwerpbestemmingsplan aan het perceel toegekende bestemming en dit plan geen vrijstellings- of wijzingsbevoegdheden bevat waarmee deze strijdigheid zou kunnen worden opgeheven. De verwijzing naar de notulen van de vergadering van de gemeenteraad van 11 december 2007 en de tegen de vaststelling in te dienen bedenkingen kan niet tot een ander oordeel leiden, aangezien deze stukken betrekking hebben op ontwikkelingen van na het besluit op bezwaar van 29 mei 2006.

2.6. Voorts heeft de rechtbank in de volgens [appellant A] en het Nederlands Slaapcentrum door een wethouder van de gemeente tijdens een gesprek in 2001 gedane mededeling, dat het exploiteren van een agrarisch loonwerkbedrijf op het perceel niet meer realistisch is, terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid handhavend op te treden. De gestelde mededeling bevat, anders dan [appellant A] en het Nederlands Slaapcentrum betogen, geen toezegging waaraan zij het in rechte te honoreren vertrouwen konden ontlenen dat het gebruik van de loods als kantoor/kantine en voor opslag van bedden en matrassen zou passen binnen de toekomstige bestemming van het perceel.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2008

164-506.