Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC5273

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-02-2008
Datum publicatie
27-02-2008
Zaaknummer
200704896/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 februari 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen (hierna: het college) [appellant] gelast de dakkapel aan de linker voorgevel van de woning op het perceel [locatie], kadastraal bekend gemeente Amstelveen, sectie […], nummer […], (hierna: de dakkapel) vóór 16 mei 2005 te verwijderen en verwijderd te houden, onder oplegging van een dwangsom van € 500,00 per dag dat niet aan de last is voldaan met een maximum van € 19.000,00.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/216
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200704896/1.

Datum uitspraak: 27 februari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 juni 2007 in zaak nr. 05/3053 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 februari 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen (hierna: het college) [appellant] gelast de dakkapel aan de linker voorgevel van de woning op het perceel [locatie], kadastraal bekend gemeente Amstelveen, sectie […], nummer […], (hierna: de dakkapel) vóór 16 mei 2005 te verwijderen en verwijderd te houden, onder oplegging van een dwangsom van € 500,00 per dag dat niet aan de last is voldaan met een maximum van € 19.000,00.

Bij besluit, verzonden op 27 april 2005, heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 juni 2007, verzonden op 21 juni 2007, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 juli 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 31 augustus 2007.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 februari 2008, waar [appellant], bijgestaan door mr. R.P.J. Hendrikx, advocaat te Amstelveen, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat het college in het besluit op bezwaar, verzonden op 27 april 2005, de grondslag van het primaire besluit van 15 februari 2005 heeft verlaten door zich eerst in het besluit op bezwaar op het standpunt te stellen dat het bouwwerk geen dakkapel, maar een dakopbouw is. Daargelaten dat in de bezwaarprocedure een volledige heroverweging dient plaats te vinden, valt uit deze besluiten af te leiden dat met de termen dakopbouw en dakkapel hetzelfde bouwwerk wordt bedoeld.

2.2. Niet in geschil is dat de dakkapel is opgericht zonder de daarvoor vereiste bouwvergunning. Het college was dan ook bevoegd handhavend op te treden.

2.3. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4. Het betoog van [appellant] dat zicht op legalisering van de dakkapel bestaat, aangezien hij bij brief van 9 juli 2007 aan het college heeft voorgesteld deze te verplaatsen dan wel te verkleinen, zodat tegemoet wordt gekomen aan de bezwaren tegen de dakkapel in zijn huidige vorm, faalt, reeds omdat dit een ontwikkeling van ná het besluit op bezwaar, verzonden op 27 april 2005, betreft.

2.5. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college, door tot handhaving te besluiten, in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld. Hij voert hiertoe aan dat een medewerker van de dienst openbare werken van de gemeente (hierna: de medewerker) hem tijdens een gesprek op 10 juni 1996, naar aanleiding van de op dat moment reeds opgerichte dakkapel, heeft toegezegd dat het dossier zou worden gesloten. Ook stelt [appellant] dat het college daarna tien jaar lang niet tegen de dakkapel heeft opgetreden.

2.5.1. Uit het verslag van het gesprek van 10 juni 1996 blijkt dat de medewerker aan [appellant] heeft meegedeeld dat mede op basis van de door hem verstrekte gegevens een beslissing over al dan niet handhavend optreden zal worden genomen. De rechtbank heeft hierin terecht geen grond gezien voor het oordeel dat aan [appellant] een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging is gedaan waaraan de rechtens te honoreren verwachting kan worden ontleend dat niet handhavend tegen de dakkapel zal worden opgetreden, daargelaten of de medewerker bevoegd was een dergelijke toezegging te doen. Het enkele tijdsverloop biedt, anders dan [appellant] stelt, geen grond voor een ander oordeel.

Het betoog faalt.

2.6. Voorts voert [appellant] tevergeefs aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt. De door [appellant] ter toelichting van dit betoog overgelegde foto's, waaronder die van de woning Veldlust 14, betreffen geen dakkapellen op een garage die, zoals de zijne, in verbinding met de gevel van de woning staan, zodat het geen gelijke gevallen zijn.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2008

164-506.