Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC5267

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-02-2008
Datum publicatie
27-02-2008
Zaaknummer
200703118/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 maart 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen (hierna: het college) aan appellante (hierna: de stichting) bouwvergunning verleend voor het oprichten van een kantoorgebouw aan de Emmastraat 45 te Vlaardingen (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Bouwregelgeving 2008/727
Module Bouwregelgeving 2008/168
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703118/1.

Datum uitspraak: 27 februari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting "Stichting Meervoud", gevestigd te Vlaardingen,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak nrs. 07/432 en 07/16 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 23 maart 2007 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 maart 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen (hierna: het college) aan appellante (hierna: de stichting) bouwvergunning verleend voor het oprichten van een kantoorgebouw aan de Emmastraat 45 te Vlaardingen (hierna: het perceel).

Bij besluit van 24 november 2006 heeft het college het door

[wederpartij] e.a. daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 maart 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam (hierna: de voorzieningenrechter) het door [wederpartij] e.a. daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit op bezwaar vernietigd en het college opgedragen opnieuw op de bezwaren te beslissen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de stichting bij brief van 1 mei 2007, bij de Raad van State ingekomen op 2 mei 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 24 mei 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 27 juni 2007 heeft het college van antwoord gediend.

Bij besluit van 31 juli 2007, verzonden op 9 augustus 2007, heeft het college, opnieuw beslissend op het door [wederpartij] e.a. tegen het besluit van 15 maart 2006 gemaakte bezwaar, dat bezwaar gegrond verklaard, en alsnog geweigerd de bouwvergunning als door de stichting verzocht, te verlenen.

Tegen dat besluit heeft de stichting bij brief van 11 september 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Bij brief van 11 september 2007 hebben [wederpartij] e.a. een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

Bij brief van 2 oktober 2007 heeft het college een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van de stichting, [wederpartij] e.a. en het college. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 december 2007, waar de stichting, vertegenwoordigd door mr. J.A. Keijser, advocaat te Voorburg, en het college, vertegenwoordigd door G.J. Hartwig en mr. G. Waterkoort, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, bijgestaan door

mr. S.W. Boot, advocaat te Rotterdam, zijn verschenen. Voorts is daar als partij gehoord [wederpartij] e.a., in de persoon van [wederpartij].

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet, voor zover thans van belang, moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien het bouwen niet voldoet aan de bouwverordening.

2.2. De stichting betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het bouwplan in overeenstemming is met de bouwverordening van de gemeente Vlaardingen (hierna: de bouwverordening).

2.2.1. Daartoe voert zij in de eerste plaats aan dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het bouwplan geen tussenruimte als bedoeld in artikel 2.5.17, eerste lid, van de bouwverordening doet ontstaan. De in deze bepaling vermelde vereisten zijn cumulatief van aard en het bouwplan voldoet niet aan het vereiste onder a, aldus de stichting.

2.2.1.1. Ingevolge artikel 2.5.17, eerste lid, van de bouwverordening moet de zijdelingse begrenzing van een bouwwerk ten opzichte van de zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen dat bouwwerk en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing geen tussenruimten ontstaan die:

a. vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven minder dan 1 meter breed zijn;

b. niet toegankelijk zijn.

Ingevolge het tweede lid kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid, indien voldoende mogelijkheid aanwezig is voor reiniging en onderhoud van de vrij te laten ruimte.

2.2.1.2. Het betoog faalt. Niet in geschil is dat met de realisering van het bouwplan aan de zijde van de woning aan de Emmastraat 49 ter hoogte van de eerste verdieping, ter plaatse van de uitbouw aan de achterzijde van deze woning, een tussenruimte van ongeveer 25 cm ontstaat, die niet toegankelijk is voor onderhoud.

Blijkens de toelichting op artikel 2.5.17 van de bouwverordening is deze bepaling bedoeld om het ontstaan van smalle, ontoegankelijke ruimten tussen gebouwen op aangrenzende terreinen te voorkomen, omdat deze aanleiding tot hinder en vervuiling kunnen geven. De bepaling kan zowel worden nageleefd door gebouwen tegen elkaar aan te plaatsen als door een tussenruimte van meer dan een meter breed te realiseren, aldus de toelichting. Gelet hierop en omdat voormelde tussenruimte niet toegankelijk is voor onderhoud, heeft de voorzieningenrechter terecht geoordeeld dat het bouwplan in strijd is met artikel 2.5.17, eerste lid, aanhef en onder b, van de bouwverordening. In de tekst noch de toelichting op artikel 2.5.17, eerste lid, van de bouwverordening is steun te vinden voor de door de stichting gegeven lezing ervan, die erop neerkomt dat het eerste lid onder a en onder b cumulatieve vereisten bevat.

2.2.2. Voorts betoogt de stichting dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het bouwplan voldoet aan de in artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening gestelde eisen aan beschikbare parkeerruimte.

2.2.2.1. Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening moet, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.

2.2.2.2. Aan het besluit van 24 november 2006 heeft het college ten grondslag gelegd dat het bouwplan, waarbij is voorzien in 13 parkeerplaatsen, waarvan naar het oordeel van het college 11 reëel te bereiken zijn, aan de in artikel 2.5.30, eerste lid, vervatte parkeernorm voldoet. Bij de berekening van de parkeerbehoefte is het uitgegaan van de in de "Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom", van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water-, en Wegenbouw en Verkeerstechniek (CROW) (hierna: de ASVV) gehanteerde normen. Het college is uitgegaan van de tabel "(commerciële) dienstverlening (kantoren zonder baliefunctie)", de kolom "centrum" en de rij "zeer stedelijk gebied", waarvoor de norm 0,8 tot 1,3 parkeerplaats per 100 m² bruto vloeroppervlak bedraagt. Voor het bouwplan, met een oppervlakte van 850 m², geldt derhalve een parkeernorm van 7 tot 11 parkeerplaatsen, zodat aan deze norm is voldaan, aldus het college.

2.2.2.3. Het betoog slaagt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 september 2007 in zaak nr. 200700488/1; www.raadvanstate.nl) zijn de parkeernormen van de ASVV aanvaardbaar voor de berekening van het benodigde aantal parkeerplaatsen. Anders dan de voorzieningenrechter heeft geoordeeld, geeft het in beroep aangevoerde geen grond voor het oordeel dat het college een onjuiste toepassing heeft gegeven aan de normen van de ASVV door voor de kwalificatie van het gebied waarin het perceel is gelegen, aansluiting te zoeken bij het toekomstige parkeerbeleid. Daarbij is voorzien in een verschuiving van de grens tussen "centrum" en "schil/overloopgebied centrum" ten opzichte van het ten tijde van het besluit op bezwaar geldende parkeervergunningenbeleid.

Voorts geeft de enkele omstandigheid dat de op de bij de bouwaanvraag behorende bouwtekening als "lesruimte" aangeduide ruimte plaats biedt aan 20 tot 25 personen, geen grond voor het oordeel dat deze ruimte ten behoeve van beroepsonderwijs zal worden gebruikt en dat de ASVV-norm voor "beroepsonderwijs dag (MBO, ROC, WO, HBO)" op het bouwplan had moeten worden toegepast. Ter zitting van de Afdeling heeft de stichting toegelicht dat deze ruimte onder meer ten behoeve van vergaderingen van op deze locatie en elders gevestigde medewerkers van de stichting zal worden gebruikt. Zo door dit gebruik de verkeersaantrekkende werking enigszins zou toenemen, geeft het in beroep aangevoerde geen grond voor het oordeel dat het college, gelet op de hem toekomende beoordelingsruimte, ter berekening van de parkeerbehoefte ten behoeve van het bouwplan in zijn geheel, niet mocht uitgaan van de ASVV-norm voor "(commerciële) dienstverlening (kantoren zonder baliefunctie)", zoals het heeft gedaan. In dit verband is van belang dat het bouwplan met 11 parkeerplaatsen aan de bovenkant van de marge zit die volgt uit de norm voor "(commerciële) dienstverlening (kantoren zonder baliefunctie)", de kolom "centrum" en de rij "zeer stedelijk gebied".

2.3. Het hoger beroep is gegrond. Omdat de voorzieningenrechter het besluit van 24 november 2006 evenwel terecht heeft vernietigd in verband met hetgeen onder 2.2.1.2 is overwogen, dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.4. Bij besluit van 31 juli 2007 heeft het college het door [wederpartij] e.a. tegen het besluit van 15 maart 2006 gemaakte bezwaar gegrond verklaard, en alsnog geweigerd de bouwvergunning voor het gewijzigd uitvoeren van het bouwplan, als door de stichting verzocht, te verlenen.

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 23 maart 2005 in zaak no. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200403172/1&verdict_id=10064&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200403172/1&utm_term=200403172/1">200403172/1</a>, zijn, indien hangende een bezwaar- of beroepsprocedure met betrekking tot een bouwvergunning, bij nader besluit naar aanleiding van een daartoe strekkende aanvraag bouwvergunning wordt verleend voor een wijziging van het bouwplan waarvoor de eerdere bouwvergunning is verleend, op dat nadere besluit de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van toepassing, mits die wijziging van ondergeschikte aard is.

2.4.2. Het besluit van 31 juli 2007 is genomen na een door de stichting ingediende aanvraag voor het gewijzigd uitvoeren van het bouwplan, waarbij de aanduiding van de activiteitenruimte met "lesruimte" is vervangen door "werkruimte" en de onder 2.2.1 genoemde tussenruimte wordt gedicht. Deze veranderingen betreffen in vergelijking met de eerdere aanvraag om bouwvergunning wijzigingen van ondergeschikte aard.

Gelet hierop en gezien de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van de Awb, in samenhang met artikel 6:24 van die wet, wordt het hoger beroep geacht mede een beroep van de stichting tegen het besluit van 31 juli 2007 in te houden.

2.5. De stichting betoogt dat het college het bouwplan ten onrechte in strijd met artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening heeft geacht.

2.5.1. Gelet op het hiervoor onder 2.2.2.3 overwogene, slaagt het betoog van de stichting.

2.6. De stichting betoogt voorts dat het college ten onrechte het bouwplan niet in overeenstemming met het bepaalde in artikel 2.5.17 van de bouwverordening heeft geacht.

2.6.1. Het besluit van 31 juli 2007 wordt aldus verstaan dat de strijdigheid van het bouwplan met artikel 2.5.17 van de bouwverordening daaraan niet expliciet ten grondslag is gelegd, hoewel in dit besluit aan dit aspect overwegingen zijn gewijd. De Afdeling ziet, uit het oogpunt van proceseconomie, aanleiding terzake als volgt te overwegen.

Het gewijzigde bouwplan voorziet in het dichten van voornoemde tussenruimte in overeenstemming met artikel 2.5.17, eerste lid, van de bouwverordening. De omstandigheid dat bij de uitvoering van het bouwplan mogelijk sprake is van een civielrechtelijke belemmering, gelegen in het ontbreken van toestemming van de rechthebbende levert, gelet op het dwingende karakter van artikel 44 van de Woningwet, geen grond op om de gevraagde vergunning te weigeren. In het eventueel ontbreken van de bereidheid van de eigenaar van het perceel Emmastraat 49 om aan het dichten van de tussenruimte mee te werken, bestaat dan ook geen aanleiding de bouwvergunning te weigeren. Het betoog slaagt.

2.7. Het beroep is gegrond. Het besluit van 31 juli 2007 dient te worden vernietigd. Het college dient, met inachtneming van deze uitspraak, opnieuw op de door [wederpartij] e.a. gemaakte bezwaren te beslissen.

2.8. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. bevestigt de aangevallen uitspraak;

III. verklaart het beroep tegen het besluit van 31 juli 2007 gegrond;

IV. vernietigt het besluit van 31 juli 2007;

V. veroordeelt het college tot vergoeding van bij de stichting "Stichting Meervoud" in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Vlaardingen aan de stichting "Stichting Meervoud" onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI. gelast dat de gemeente Vlaardingen aan de stichting "Stichting Meervoud" het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 428,00 (zegge: vierhonderdachtentwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. J.C.K.W. Bartel en mr. W. Konijnenbelt, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Klein Nulent

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2008

218-476.