Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC5255

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-02-2008
Datum publicatie
27-02-2008
Zaaknummer
200704201/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 oktober 2004 heeft het bestuur van de stichting Stichting financiële hulpverlening vuurwerkramp (hierna: het bestuur) de bij besluit van 9 januari 2002 aan [appellant] toegekende tegemoetkoming herzien, die tegemoetkoming onder intrekking van dat besluit vastgesteld op € 45.341,72 en een bedrag van € 54.658,28 als onverschuldigd betaald van [appellant] teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200704201/1.

Datum uitspraak: 27 februari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [plaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/ 873 van de rechtbank Almelo van 29 mei 2007 in het geding tussen:

appellant

en

het bestuur van de stichting Stichting financiële hulpverlening vuurwerkramp.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 oktober 2004 heeft het bestuur van de stichting Stichting financiële hulpverlening vuurwerkramp (hierna: het bestuur) de bij besluit van 9 januari 2002 aan [appellant] toegekende tegemoetkoming herzien, die tegemoetkoming onder intrekking van dat besluit vastgesteld op € 45.341,72 en een bedrag van € 54.658,28 als onverschuldigd betaald van [appellant] teruggevorderd.

Bij besluit van 2 juni 2006 heeft het bestuur het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar gegrond verklaard voor zover het betrekking heeft op de hoogte van het terug te betalen bedrag, het besluit van 8 oktober 2004 in zoverre herroepen, een bedrag van € 36.412,50 als onverschuldigd betaald van [appellant] teruggevorderd en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 mei 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het daartegen door [appellant] ingestelde beroep deels gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover het betrekking heeft op de terugvordering van de onverschuldigd betaalde uitkering, bepaald dat het bestuur in zoverre een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief van 18 juni 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 20 juli 2007.

Bij besluit van 20 juni 2007 heeft het bestuur, gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank van 29 mei 2007, het bezwaar voor zover het betrekking heeft op de terugvordering van een bedrag van € 36.412,50 ongegrond verklaard.

Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 januari 2008, waar [appellant] in persoon, bijgestaan door mr. K. Dekker, advocaat te Enschede, en het bestuur, vertegenwoordigd door mr. R.Th.G. van der Veldt, advocaat bij de Dienst Regelingen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, vergezeld door C. Schouten, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Regeling tegemoetkoming schade ondernemingen vuurwerkramp Enschede van 11 september 2002 (hierna: de Regeling), voor zover thans van belang, kent de Stichting financiële hulpverlening vuurwerkramp aan een voort te zetten onderneming een tegemoetkoming in schade als gevolg van winstderving toe, voor zover de schade die deze heeft geleden is ontstaan in het schadegebied en welke schade het rechtstreeks en onmiddellijk gevolg is van de vuurwerkramp.

Ingevolge het tweede lid wordt de hoogte van de tegemoetkoming berekend op basis van de winstderving.

Ingevolge artikel 26, aanhef en onder b, kan de beschikking tot het toekennen van een tegemoetkoming worden gewijzigd of ingetrokken, indien de hoogte van de toegekende uitkering onjuist was en de ontvanger dit wist of behoorde te weten. Artikel 4:49, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, kunnen onverschuldigd betaalde tegemoetkomingen en voorschotten worden teruggevorderd.

2.2. In opdracht van het bestuur heeft de Stichting BCE Calamiteiten en Projecten (hierna: BCE) op 26 november 2001 een schaderapport uitgebracht naar aanleiding van een schadeclaim van [appellant]. In dit rapport is voor het bedrijf van [appellant] over de periode van 13 mei 2000 tot 13 mei 2003 een omzetderving van € 77.279,68 (fl. 170.302,00) en een brutowinstderving van € 38.346,24 (fl. 84.504,00) berekend. Deze bedragen zijn eveneens in een door [appellant] ondertekende akkoordverklaring van 22 november 2001 vermeld.

In een bij het conceptbesluit van 20 december 2001 gevoegd berekeningsformulier is de winstderving 2000 t/m 2003 evenwel op het bedrag van € 77.279,68 (fl. 170.302,00) vastgesteld. In de bedenkingenbrief van 7 januari 2002 heeft [appellant] niet op dit verschil tussen de in het rapport en het berekeningsformulier vermelde bedragen gereageerd. Bij besluit van 9 januari 2002 heeft het bestuur, voor zover thans van belang, [appellant] een bedrag van € 77.279,68 (fl. 170.302,00) voor winstderving over de periode van 13 mei 2000 tot 13 mei 2003 toegekend.

2.3. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat zij geen aanleiding ziet het door BCE vastgestelde en door [appellant] voor akkoord getekende bedrag van de winstderving over de periode van 13 mei 2000 tot 13 mei 2003 voor onjuist te houden, dat het [appellant] redelijkerwijs duidelijk had kunnen en moeten zijn dat de hoogte van het bij besluit van 9 januari 2002 toegekende bedrag aan tegemoetkoming op een kennelijke vergissing berust en dat het door [appellant] ingebrachte rapport van Deloitte & Touche van 19 maart 2001 daaraan niet afdoet. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de gestelde uitlatingen of toezeggingen van medewerkers van BCE over het niet meer terugkomen op het besluit van 9 januari 2002, wat daar van zij, het bestuur niet kunnen binden en dat het beroep op het vertrouwensbeginsel derhalve faalt.

2.4. In hoger beroep betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de hoogte van het door BCE in het schaderapport berekende bedrag aan winstderving juist is en dat hij wist of had behoren te weten dat de hoogte van het toegekende bedrag onjuist was. Voorts voert hij aan dat hij een aanvullende claim, die hij op 2 november 2002 had ingediend, op verzoek van twee medewerkers van BCE heeft ingetrokken, omdat deze medewerkers aan hem kenbaar hadden gemaakt dat de hoogte van de bij besluit van 9 januari 2002 toegekende tegemoetkoming door de intrekking van de aanvullende claim zou komen vast te staan.

2.4.1. Uit het schaderapport van 26 november 2001 blijkt dat BCE het door [appellant] ingebrachte rapport van 19 maart 2001 bij de beoordeling van de claim heeft betrokken, maar daarin geen aanleiding heeft gezien om tot een andere berekening en vaststelling van de omzet- en winstderving te komen dan in het schaderapport van 26 november 2001 is neergelegd. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het in het schaderapport van 26 november 2001 door BCE berekende bedrag aan winstderving onjuist is. Nu het toegekende bedrag gelijk was aan de door BCE berekende omzetderving heeft de rechtbank de juiste conclusie getrokken dat de bij het besluit van 9 januari 2002 toegekende tegemoetkoming te hoog was, omdat zij op een fout berustte. Gelet op het schaderapport van BCE en de door [appellant] ondertekende akkoordverklaring van 22 november 2001, waarvan hij dezelfde dag een afschrift heeft gekregen, was [appellant] bekend met de hoogte van de berekende bedragen aan omzet- en winstderving en heeft de rechtbank voorts terecht geconcludeerd dat [appellant] wist of behoorde te weten dat de hoogte van de toegekende uitkering voor winstderving onjuist was.

2.4.2. Met betrekking tot de gestelde uitlatingen van twee medewerkers van BCE is uit de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep gebleken dat [appellant] hier doelt op een gesprek dat hij met twee medewerkers van BCE heeft gevoerd over de wijze waarop het onderzoek naar de door hem ingediende aanvullende claim zou plaatsvinden. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat daarbij uitlatingen zijn gedaan door deze medewerkers, waaraan hij het gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen dat het bestuur geen gebruik zou maken van de haar ingevolge artikel 26, aanhef en onder b, van de Regeling toekomende bevoegdheid om het besluit van 9 januari 2002 te wijzigen of in te trekken bij gebleken onjuistheid, nog daargelaten of deze medewerkers van BCE bevoegd waren om namens het bestuur ter zake van de bevoegdheid tot wijziging of intrekking bindende toezeggingen te doen.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Bij besluit van 20 juni 2007 heeft het bestuur, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw op het door [appellant] gemaakte bezwaar beslist. Aangezien dat besluit niet geheel aan de bezwaren van [appellant] tegemoet komt, is het, gelet op artikel 6:24, eerste lid, van de Awb gelezen in samenhang met artikel 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, in hoger beroep mede aan de orde.

2.7. Aan dat besluit heeft het bestuur ten grondslag gelegd dat de terugvordering van het bedrag van € 36.412,50 niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel is, omdat dit bedrag onverschuldigd is betaald en geen wettelijke rente in rekening is gebracht. Het geheel of gedeeltelijk van terugvordering afzien, zou voorts, volgens het bestuur, de financiële belangen van de Stichting financiële hulpverlening vuurwerkramp te zeer schaden en [appellant] ongerechtvaardigd bevoordelen ten opzichte van verzoekers die een juiste tegemoetkoming hebben gekregen. Ten slotte heeft het bestuur [appellant] gewezen op de mogelijkheid een betalingsregeling te treffen.

2.8. [appellant] betoogt dat het bestuur niet alle rechtstreeks bij dat besluit betrokken belangen heeft afgewogen, dat het in strijd met het evenredigheidsbeginsel heeft gehandeld en dat het dat besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. Daartoe voert hij aan, samengevat weergegeven, dat tussen de toekenning van de tegemoetkoming en de kennisgeving van het voornemen tot herziening van dat besluit een periode van ruim twee jaren is gelegen, dat hij het uitgekeerde bedrag reeds in zijn bedrijf heeft geïnvesteerd en dat terugbetaling tot ernstige financiële problemen voor dat bedrijf zal leiden.

2.8.1. Aangezien het bestuur het besluit van 8 oktober 2004 binnen vijf jaren na de toekenning van de tegemoetkoming heeft genomen, heeft het bestuur zich, gelet op artikel 26, aanhef en onder b, van de Regeling, gelezen in verbinding met artikel 4:49, derde lid, van de Awb, in dat besluit terecht op het standpunt gesteld dat het tijdsverloop zich niet tegen een herziening van de tegemoetkoming verzet.

Voorts was de hoogte van de bij het besluit van 9 januari 2002 toegekende tegemoetkoming onjuist en wist [appellant] dat of had hij dat redelijkerwijs kunnen weten. Voor zover hij het onverschuldigd betaalde bedrag voor zijn bedrijf heeft gebruikt en het thans aan dat bedrijf moet onttrekken, heeft hij dit risico zelf genomen en heeft het bestuur de gevolgen daarvan terecht voor zijn rekening gelaten. Verder heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat terugbetaling tot ernstige financiële problemen voor het bedrijf zal leiden. Daarbij is van belang dat [appellant] van het bestuur de mogelijkheid heeft gekregen een betalingsregeling te treffen.

Gelet op het vorenstaande, is in het door [appellant] aangevoerde geen grond te vinden voor het oordeel dat het bestuur zich in het besluit van 20 juni 2007, gelezen in samenhang met het besluit van 8 oktober 2004, ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er geen bijzondere feiten of omstandigheden zijn, op basis waarvan de nadelige gevolgen van de terugvordering onevenredig zijn in verhouding tot het met de terugvordering te dienen doel.

Het betoog faalt.

2.9. Het beroep tegen het besluit van 20 juni 2007 is ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van 20 juni 2007 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Hazen

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2008

452.