Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC5250

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-02-2008
Datum publicatie
27-02-2008
Zaaknummer
200704232/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 april 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wervershoof bij besluit van 3 april 2007 vastgestelde "Wijzigingsplan ex artikel 11 WRO (van het) bestemmingsplan Buitengebied (glastuinbouwgebied "Het Grootslag" [locatie])" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2008/3783
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200704232/1.

Datum uitspraak: 27 februari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], allen wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 april 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wervershoof bij besluit van 3 april 2007 vastgestelde "Wijzigingsplan ex artikel 11 WRO (van het) bestemmingsplan Buitengebied (glastuinbouwgebied "Het Grootslag" [locatie])" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief van 19 juni 2007, bij de Raad van State ingekomen op 20 juni 2007, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 7 augustus 2007.

[partij] is door de Afdeling in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen.

Het college heeft geen verweerschrift ingediend.

Bij brief van 7 augustus 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wervershoof een reactie ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 januari 2008, waar [gemachtigden] zijn verschenen. Voorts zijn daar als partij gehoord het college van burgemeester en wethouders van Wervershoof, vertegenwoordigd door F.P.M. Brieffies en [partij], vertegenwoordigd door mr. J. Bouwman-Treffers, advocaat te 's-Gravenzande. Het college is zonder bericht niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan beoogt glastuinbouw mogelijk te maken op het perceel [locatie] te [plaats].

2.2. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan kan worden gewijzigd binnen bij het plan te bepalen grenzen. Bij het besluit omtrent goedkeuring van het wijzigingsplan dient het college te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven wijzigingsvoorwaarden is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de WRO gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust daarnaast op het college de taak te onderzoeken of het plan binnen de bij het bestemmingsplan bepaalde grenzen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft het college erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2.1. Voor zover [appellanten] stellen dat de bekendmaking door burgemeester en wethouders van Wervershoof onjuist is verlopen nu zij niet persoonlijk op de hoogte zijn gebracht met het ontwerp voor het plan overweegt de Afdeling dat in de WRO, noch in enig ander wettelijk voorschrift een bepaling valt aan te wijzen op grond waarvan het college van burgemeester en wethouders in een geval als hier aan de orde verplicht is eventuele belanghebbenden persoonlijk in kennis te stellen van de terinzagelegging van een ontwerp voor een wijzigingsplan. In artikel 11 van de WRO is bepaald dat bij het plan wordt geregeld op welke wijze belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld hun zienswijzen omtrent de uitwerking of wijziging naar voren te brengen.

Het ontwerp van het plan heeft, zoals in artikel 23 van de planvoorschriften bij het bestemmingsplan "Buitengebied" is voorgeschreven, met ingang van 15 februari 2007 gedurende twee weken ter inzage gelegen en gedurende deze termijn van twee weken zijn belanghebbenden in de gelegenheid gesteld bij het college van burgemeester en wethouders schriftelijk en gemotiveerd zienswijzen tegen het plan in te dienen. De ter inzage legging van het plan is, zoals voorgeschreven in artikel 23, tweede lid, van de planvoorschriften bij het bestemmingsplan "Buitengebied", bekend gemaakt in een huis-aan-huisblad, namelijk "Binding", van 14 februari 2007.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het gemeentebestuur op dit punt heeft gehandeld in strijd met enige rechtsregel.

2.3. [appellanten] stellen in beroep dat het plan ziet op de aanleg van een waterberging en plas dras wallen. Door deze aanleg zal ter plaatse een grote toename van het aantal watervogels ontstaan en zal de nu al voorkomende schade aan de groenten die zij telen verder toenemen. Ook met extra maatregelen kan niet alle schade aan de groenteteelt worden voorkomen. Volgens [appellanten] worden agrariërs gedupeerd door het creëren van natuurgebiedjes midden in agrarisch gebied.

2.3.1. Burgemeester en wethouders van Wervershoof hebben zich ten aanzien van de waterberging op het standpunt gesteld dat deze zich buiten het door het plan bestreken gebied bevindt.

2.3.2. Op de bij het plan behorende plankaart is een bolletjeslijn aangebracht, welke lijn volgens het renvooi bij die kaart de "plangrens tevens bestemmingsgrens" is. Het gehele binnen de begrenzing van de bolletjeslijn gelegen gebied is op de plankaart ingekleurd met een tweetal hoofdkleuren, door middel van welke kleuren blijkens het renvooi de bestemmingen "Glastuinbouwbedrijven" en "Verkeersdoeleinden" worden toegekend. In de artikelen 3 en 4 van de bij het plan behorende voorschriften is een nadere uitwerking gegeven ten aanzien van de op de plankaart als zodanig aangewezen gronden.

Op de plankaart is echter ook een stippellijn aangebracht rond het zuidwestelijk deel van het gebied, te weten het perceel [locatie]. Deze stippellijn is in het renvooi omschreven als "gebied waarop de wijziging van toepassing is". In de planvoorschriften is de betekenis van deze lijn niet nader uitgewerkt, behoudens de juridisch niet bindende passage in de toelichting dat voorzien is in een kader op de plankaart rond het perceel [locatie], waarbij alleen dit deel nu wordt vastgesteld.

2.3.3. Nu door de wijze van aanduiden op de plankaart onvoldoende duidelijk is wat de begrenzing van het plan is, is de conclusie dat hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat de plankaart, voor zover deze betrekking heeft op gronden - waarop onder meer de door hen bestreden waterberging is gelegen - die zijn gelegen buiten het op de plankaart met een stippellijn aangegeven "gebied waarop de wijziging van toepassing is", is vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Door de plankaart in zoverre goed te keuren heeft het college gehandeld in strijd met dit beginsel, in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Hieruit volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan het desbetreffende deel van de plankaart.

2.4. De bezwaren van [appellanten] met betrekking tot de plas dras wallen houden verband met het meest westelijke, tegen hun percelen aan gelegen deel van het perceel [locatie].

2.4.1. Het plan voorziet, voor zover hier van belang, in de wijziging van de bestemming van gronden die in het bestemmingsplan "Buitengebied" de bestemming "Agrarisch gebied" hebben. Aan deze gronden wordt de bestemming "Glastuinbouwbedrijven" gegeven.

In artikel 4, onderdeel H, van het bestemmingsplan "Buitengebied", is de wijzigingsbevoegdheid voor de bestemming "Agrarisch gebied" neergelegd. Daarin is, voor zover hier van belang, bepaald dat na toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid ten minste de bepalingen in bijlage 3 van deze voorschriften van toepassing zijn.

In evenbedoelde bijlage 3 is, voor zover hier van belang, bepaald dat na wijziging van de bestemming "Agrarisch gebied" in de bestemming "Glastuinbouwbedrijven", de op de kaart van het wijzigingsplan voor "Glastuinbouwbedrijven" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

1. kassen, schuurkassen en warenhuizen;

2. andere bedrijfsgebouwen ten behoeve van glastuinbouwbedrijven;

3. bedrijfswoningen;

4. bijgebouwen bij bedrijfswoningen;

met de daarbij behorende:

5. ontsluitingswegen;

6. groenvoorzieningen;

7. tuinen, erven en terreinen;

8. bouwwerken geen gebouw zijnde.

2.4.2. Ingevolge artikel 3, onderdeel A, van de voorschriften van het plan zijn de gronden, aangewezen voor "Glastuinbouwbedrijven", voor zover hier van belang, bestemd voor:

1. kassen, schuurkassen en warenhuizen;

2. bedrijfsgebouwen ten behoeve van glastuinbouwbedrijven;

3. bedrijfswoningen;

4. bijgebouwen bij een bedrijfswoning;

5. (..);

waarbij het behoud en de ontwikkeling van de landschappelijke waarden en/of het ruimtelijk beeld worden nagestreefd;

met de daarbij behorende:

6. ontsluitingswegen;

7. paden;

8. groenvoorzieningen;

9. sloten, bermen en beplantingen;

10. waterbassins;

11. tuinen, erven en terreinen;

12. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de energievoorziening.

2.4.3. De in artikel 4, onder H, van het bestemmingsplan "Buitengebied", gebruikte formulering dat ten minste de bepalingen in bijlage 3 van de voorschriften van toepassing zijn geeft aan dat bij het gebruik van de wijzigingsbevoegdheid burgemeester en wethouders binnen die voorschriften moeten blijven. Met een dergelijke formulering verdraagt zich niet dat, zoals bij het plan is gebeurd, juist een ruimer samenstel van bestemmingen en voorschriften wordt gegeven. Gelet hierop is artikel 3, onderdeel A, onder 7, 9 en 10, van het plan alsmede de in dat artikel opgenomen passage "waarbij het behoud en de ontwikkeling van de landschappelijke waarden en/of het ruimtelijk beeld worden nagestreefd", nu daarbij de grenzen van de wijzigingsbevoegdheid zijn overschreden, in strijd met artikel 11 van de WRO vastgesteld. Door het plan niettemin in zo verre goed te keuren heeft het college gehandeld in strijd artikel 11 van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Hieruit volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan artikel 3, onderdeel A, onder 7, 9 en 10, van de planvoorschriften alsmede de in dat artikel opgenomen passage "waarbij het behoud en de ontwikkeling van de landschappelijke waarden en/of het ruimtelijk beeld worden nagestreefd".

2.4.4. In artikel 2 van de bij het plan behorende voorschriften worden toetsingscriteria gegeven voor ontwikkeling en beheer. In punt 1 van dit artikel is bepaald dat voor de landschappelijke inpassing van de glastuinbouwbedrijven uitgegaan dient te worden van de realisering van het Ambitieus Inrichtingsplan Glastuinbouwgebied "Het Grootslag" (uit het Meest Milieuvriendelijke alternatief) en wordt daarbij verwezen naar bijlage 1 bij de plantoelichting. In punt 3 van dit artikel is, voor zover hier van belang, bepaald dat uitgangspunt is om in het gebied een duurzaam watersysteem te realiseren, waarbij als doelstelling wordt nagestreefd het realiseren van natuurvriendelijke oevers langs een groot deel van de watergangen.

Gelet op de inhoud van deze bepaling moet worden geoordeeld dat de toetsingscriteria die zijn opgenomen in artikel 2 een uitwerking vormen van de hiervoor onder 2.4.3. bedoelde voorschriften die strijdig met artikel 11 van de WRO zijn bevonden.

De conclusie is dat hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat artikel 2 in zoverre eveneens in strijd met artikel 11 van de WRO is vastgesteld. Door het plan niettemin in zo verre goed te keuren heeft het college gehandeld in strijd artikel 11 van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Hieruit volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan de in artikel 2 van de planvoorschriften opgenomen "Toetsingscriteria voor ontwikkeling en beheer".

2.5. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 20 april 2007, kenmerk 2007-22130, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan:

a. de plankaart, voor zover deze betrekking heeft op gronden die zijn gelegen buiten het op de plankaart met een stippellijn aangegeven "gebied waarop de wijziging van toepassing is";

b. de in artikel 2 van de planvoorschriften opgenomen "Toetsingscriteria voor ontwikkeling en beheer";

c. artikel 3, onderdeel A, onder 7, 9 en 10 van de planvoorschriften alsmede de in dat artikel opgenomen passage "waarbij het behoud en de ontwikkeling van de landschappelijke waarden en/of het ruimtelijk beeld worden nagestreefd";

III. onthoudt goedkeuring aan de onder II genoemde onderdelen van het plan;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 20 april 2007;

V. gelast dat de provincie Noord-Holland aan [appellanten] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Matulewicz

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2008

45-547.