Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC5247

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-02-2008
Datum publicatie
27-02-2008
Zaaknummer
200608290/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 februari 2006 heeft de gemeenteraad van Nijmegen het bestemmingsplan "Stadscentrum Kerngebied II-7 (Plein 1944 e.o.)" (hierna: het plan) vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 28
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 311
Burgerlijk Wetboek Boek 2 309
Burgerlijk Wetboek Boek 2 318
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2008/581
ABkort 2008/145
JOM 2008/184
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200608290/1.

Datum uitspraak: 27 februari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellanten sub 2],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 februari 2006 heeft de gemeenteraad van Nijmegen het bestemmingsplan "Stadscentrum Kerngebied II-7 (Plein 1944 e.o.)" (hierna: het plan) vastgesteld.

Bij besluit van 17 oktober 2006, no. 2006-007570, heeft verweerder beslist over de goedkeuring van dit plan.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1] bij brief van 15 november 2006, bij de Raad van State ingekomen op 16 november 2006, en [appellanten sub 2] bij brief van 6 december 2006, bij de Raad van State op dezelfde datum per fax ingekomen, beroep ingesteld.

Dit beroep is aangevuld bij brief van 11 januari 2007.

Bij brief van 10 januari 2007 heeft de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "ING Vastgoedontwikkeling B.V." (hierna: ING VGO B.V.), verzocht om als partij te worden toegelaten. Dit verzoek is door de Voorzitter van de Afdeling toegewezen.

Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van de gemeenteraad van Nijmegen, [appellanten sub 2], ING VGO B.V. en [appellante sub 1]. Deze stukken zijn aan de andere partijen toegezonden.

Bij brief van 10 mei 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 20 juli 2007 (hierna: het deskundigenbericht). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van de gemeenteraad van Nijmegen. Dit stuk is aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 december 2007, waar [appellante sub 1], in persoon en bijgestaan door mr. C.J. Schipperus, advocaat te Nijmegen, [appellanten sub 2], vertegenwoordigd door mr. drs. H.A. Samuels Brusse-van der Linden, advocaat te Utrecht, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. H.J.R.M. Nelissen, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de gemeenteraad van Nijmegen, vertegenwoordigd door mr. M.R.J. Baneke, advocaat te Nijmegen, drs. M.J. Doove en E. Leijenaar, ambtenaren in dienst van de gemeente. Voorts is daar gehoord ING VGO B.V., vertegenwoordigd door mr. H. Doornhof, advocaat te Amsterdam.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1. Door de gemeenteraad is gesteld dat [appellanten sub 2] niet-ontvankelijk zijn in hun beroep, omdat zij ten tijde van het instellen daarvan als rechtspersoon niet meer bestonden ten gevolge van een fusie.

2.1.1. Het beroepschrift is op 6 december 2006 namens [appellanten sub 2] ingediend. Op 11 september 2006 was evenwel de akte verleden van de fusie tussen voornoemde rechtspersonen en [partij A] tot [partij B]. Gelet op het bepaalde in artikel 2:318, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 2:311, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, waren [appellanten sub 2] met ingang van 12 september 2006 derhalve opgehouden te bestaan. Een rechtspersoon die ten gevolge van een fusie als bedoeld in artikel 2:309 van het Burgerlijk Wetboek is opgehouden te bestaan, kan geen rechtshandelingen als het instellen van beroep meer verrichten.

Nu het beroep niet is ingesteld namens een ten tijde van het instellen daarvan bestaande rechtspersoon, is dit niet-ontvankelijk. Het betoog van de raadsvrouwe dat het beroep geacht moet worden te zijn ingesteld door de eigenaren kan niet worden gevolgd, nu uit het beroepschrift niet blijkt wie dit zijn en, zo al de na fusie verkrijgende rechtspersoon zou zijn bedoeld, dit betoog reeds hierom faalt, nu deze rechtspersoon ten tijde van het instellen van het beroep geen eigenaar was van de betrokken panden, gelegen aan de [3 locaties]. Voor zover nog is betoogd dat hier sprake is van een kennelijke verschrijving in de tenaamstelling van de rechtspersonen die het beroepschrift hebben ingediend, slaagt ook dit betoog niet. De betrokken rechtspersonen hebben immers met deze naam bestaan, waaraan evenwel ten gevolge van de fusie een einde is gekomen.

Het plan

2.2. Het plan voorziet in een juridisch-planologische vastlegging van het stedenbouwkundig plan "Een plein voor iedereen" voor het Plein 1944 en omgeving in het kerngebied van het stadscentrum van Nijmegen. Het plan beoogt een herstructurering van dit gebied door het mogelijk maken van woningbouw, winkelruimte, horeca en leisurevoorzieningen. Verweerder heeft goedkeuring verleend aan het plan.

Toetsingskader

2.3. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Het beroep van [appellante sub 1]

2.4. [appellante sub 1] voert aan dat verweerder, door goedkeuring te verlenen aan het plan, heeft miskend dat het leidt tot aantasting van haar woon- en leefklimaat. Zij noemt in dat verband de aantasting van het uitzicht, de zonlichttoetreding en de privacy van haar daktuin. Daarnaast bemoeilijkt de in het plan mogelijk gemaakte bebouwing op de Scheidemakershof het onderhoud aan haar panden omdat er te weinig ruimte is voor de aan- en afvoer van materialen. Voorts heeft deze bebouwing tot gevolg dat haar panden niet meer voldoen aan de bouwverordening vanwege het ontbreken van een voldoende vluchtweg en vanwege gebreken in de brandveiligheid. Volgens appellante heeft verweerder het verslag van het gesprek tussen haar en ING VGO B.V. ten onrechte aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Dit verslag is haar onbekend en tijdens de bespreking tussen partijen zijn geen afspraken gemaakt. Daarnaast voorziet het plan volgens haar in te weinig parkeerplaatsen en overschrijdt de in het plan voorziene uitbreiding van het aantal vierkante meters winkelvloeroppervlak de marktvraag in vergaande mate.

2.4.1. [appellante sub 1] is eigenaresse van de op de percelen [6 locaties] te [plaats] aanwezige panden. Op de percelen bevinden zich winkels met bovenwoningen. Appellante heeft de eerste, tweede en derde verdieping van het pand op het perceel Broerstraat 44 in gebruik als woning. Ook de kelderverdieping, waarin een garage is gebouwd en die verder dient als opslagruimte, vormt een onderdeel van de woning. Op het plat afgedekte westelijke gedeelte van de winkelruimte van dit perceel waarboven zich geen verdieping bevindt, heeft [appellante sub 1] een daktuin met een terras laten aanleggen.

Ten westen van de percelen van appellante ligt de Scheidemakershof, die voornamelijk achterkanten van panden aan de

Grote Markt, de Broerstraat, Plein 1944 en de Augustijnenstraat ontsluit. Op het plein zijn voorts 67 parkeerplaatsen voor vergunninghouders aanwezig en er is een fietsenstalling gevestigd voor bezoekers van de binnenstad.

De percelen van [appellante sub 1] liggen buiten het plangebied, doch de plangrens valt samen met de noordwestelijke grens tussen deze percelen en de Scheidemakershof.

2.4.2. In de toelichting op het plan staat dat in de nieuw te bouwen parkeergarage onder Plein 1944 voldoende parkeerruimte is voor de bewoners en werknemers van de uitbreiding van de woon- en winkelvoorzieningen, alsmede vervangende ruimte voor de vervallen parkeerplaatsen op de Scheidemakershof. Bij de berekening van de parkeerbehoefte is aangesloten bij de kengetallen van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (hierna: CROW), zoals die landelijk gehanteerd worden. In de toelichting wordt geconcludeerd dat de garage, gelet op de berekende behoefte aan parkeerplaatsen, minimaal een capaciteit van ongeveer 200 parkeerplaatsen moet hebben. Naast de ruimte voor deze 200 parkeerplaatsen biedt het plan de ruimte om door middel van een derde laag ongeveer 150 extra parkeerplaatsen te realiseren ten behoeve van de parkeerbehoefte van bewoners en bedrijven elders in de binnenstad van Nijmegen, aldus de plantoelichting. Gelet hierop bedraagt het totaal aantal parkeerplaatsen in de voorziene parkeergarage ongeveer 350 parkeerplaatsen.

[appellante sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het gemeentebestuur zich bij het opstellen van het plan niet in redelijkheid op de CROW-kengetallen heeft kunnen baseren. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat uit het deskundigenbericht blijkt dat de gehanteerde kengetallen niet te laag zijn omdat het vrij gebruikelijk is om in een binnenstedelijke situatie uit te gaan van één parkeerplaats per woning plus een percentage voor privé-bezoeken of extra auto's. Daarnaast is uit de stukken gebleken dat de voorziene parkeergarage geen openbare parkeergarage betreft en het derhalve, anders dan appellante meent, niet bedoeld is om parkeergelegenheid te bieden aan het winkelend publiek van het stadscentrum. Voorts is gebleken dat de aan de gronden in het plangebied toegekende bestemmingen "Gemengde doeleinden 2", "Verkeersdoeleinden" en "Voetgangersgebied" voorzien in parkeervoorzieningen dan wel een parkeergarage.

Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan voorziet in voldoende parkeerplaatsen. Deze beroepsgrond faalt.

2.4.3. Door BRO Vught, adviseurs in ruimtelijke ordening, economie en milieu (hierna: het BRO) is in opdracht van het gemeentebestuur onderzoek gedaan naar de actuele ontwikkelingsmogelijkheden voor de detailhandel in de Nijmeegse binnenstad als geheel en daarbinnen de mogelijkheden voor Plein 1944 in het bijzonder. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Nijmegen, Ontwikkelingsmogelijkheden binnenstad en Plein 1944", gedateerd 20 juni 2005. In het rapport staat dat in de huidige situatie al ruimte aanwezig is voor de realisatie van 9.500 m2 tot 11.500 m2 verkoopvloeroppervlak (hierna: vvo), zonder dat nadelige effecten zijn te verwachten op het bestaande aanbod.

In de toelichting op het plan staat dat, uitgaande van voornoemd onderzoek, de ontwikkeling van de stad een goede basis biedt om aan de binnenstad nieuw winkeloppervlak toe te voegen van ongeveer 9.200 m2 vvo, waarvan de netto toevoeging ongeveer 7.200 m2 vvo bedraagt en waarvan 2.000 m2 vvo bestemd is voor de herontwikkeling van bestaande winkelruimtes.

In hetgeen [appellante sub 1] heeft aangevoerd bestaat geen grond voor het oordeel dat het onderzoek van het BRO onjuistheden bevat of leemten in kennis vertoont. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat uit het deskundigenbericht blijkt dat de bestaande leegstand van winkelpanden in Nijmegen als gevolg van de conjunctuurbeweging niet hoeft te betekenen dat er ook op de lange termijn geen behoefte bestaat aan de uitbreiding van het winkelvloeroppervlak. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er voldoende behoefte bestaat aan de voorziene uitbreiding van de winkels. Deze beroepsgrond faalt.

2.4.4. Aan de gronden van de Scheidemakershof is in het plan de bestemming "Gemengde doeleinden 2" toegekend. Op grond van artikel 5, eerste lid, van de voorschriften van het plan, voor zover hier van belang, zijn de op de plankaart voor deze bestemming aangewezen gronden bestemd voor:

a. wonen vanaf de eerste verdieping;

i. een hofje op het dak minimaal ter grootte van het gebied, waarvoor een maximale nok-/goothoogte geldt van elf meter.

Op grond van artikel 5, derde lid, onder c, van de voorschriften van het plan, mogen de goot- en nokhoogte van bebouwingen niet meer bedragen dan op de kaart is aangegeven. Gelet op deze kaart ligt direct langs de percelen van appellante een strook van 3,5 meter breed waar de maximale nok- en goothoogte elf meter bedragen. Ten noordwesten van deze strook bevinden zich gronden van de Scheidemakershof die een maximale nok- en goothoogte van twintig meter kennen.

In het deskundigenbericht staat dat de daktuin met het terras van appellante op een hoogte van ongeveer drie meter ligt. Gelet hierop is de hoogte van de mogelijke bebouwing, bezien vanaf de direct hieraan grenzende daktuin van [appellante sub 1], ongeveer acht meter.

2.4.5. Door Lichtveld Buis & Partners B.V. is onderzoek gedaan naar de invloed van de door het plan mogelijk gemaakte bebouwing op de bezonningssituatie van de omliggende percelen. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Nieuwbouw Plein 1944 te Nijmegen - Bezonningsstudie", gedateerd 29 juni 2005. Niet is bestreden dat uit het rapport blijkt dat er ten gevolge van de voorziene bebouwing in de wintermaanden na drie uur een slagschaduw in de daktuin van [appellante sub 1] zal optreden en in de overige maanden vanaf vier uur ’s middags.

2.4.6. Met betrekking tot de stelling van [appellante sub 1] dat het plan leidt tot aantasting van haar woon- en leefklimaat, daarnaast het onderhoud aan haar panden bemoeilijkt en voorts leidt tot brandveiligheidsproblemen, wordt overwogen dat het plan op een direct aan de percelen van appellante grenzende strook grond van 3,5 meter breed bebouwing toelaat met een maximale hoogte van elf meter. Uit de stukken is gebleken dat het de bedoeling is bovenop de op deze strook voorziene bebouwing in ieder geval tot een hoogte van twintig meter hofjeswoningen te bouwen. Gelet op het bepaalde in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder i, gelezen in samenhang met artikel 5, derde lid, onder c, van de voorschriften van het plan, mogen de nok- en goothoogte van de bebouwing op voornoemde aan de percelen van appellante grenzende strook, inclusief de voorziene hofjeswoningen, echter niet meer dan elf meter bedragen. Voor zover verweerder er van is uitgegaan dat het plan ter plaatse bebouwing tot een hoogte van in ieder geval twintig meter mogelijk maakt, wordt overwogen dat dit onjuist is.

Nog afgezien van het vorenstaande heeft verweerder de weerlegging van de stelling van appellante in belangrijke mate gebaseerd op afspraken die zouden zijn gemaakt met ING VGO B.V. over de uitvoering van het plan. Het bestaan van dergelijke afspraken neemt echter, nog afgezien van de vraag welke betekenis aan de afspraken kan worden toegekend, niet weg dat verweerder bij de beoordeling van het plan de maximale invulling van de planologische mogelijkheden in ogenschouw moet nemen. De Afdeling is niet gebleken dat verweerder bij de afweging van de belangen van de maximale mogelijkheden van het plan is uitgegaan en in afdoende mate rekening heeft gehouden met de belangen van appellante. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat verweerder zich in het bestreden besluit met betrekking tot het woonklimaat van appellante heeft beperkt tot de enkele overweging dat van een onaanvaardbare aantasting van uitzicht, privacy en woongenot geen sprake is. In het deskundigenbericht is evenwel gesteld dat de ambiance van de daktuin en de privacy in de tuin en de woning van appellante ten gevolge van de voorziene bebouwing drastisch zal verslechteren. Voorts is gebleken dat de zonlichttoetreding ten gevolge van de voorziene bebouwing sterk zal afnemen. Op de brandveiligheid is verweerder in het bestreden besluit niet ingegaan.

Ter zitting heeft appellante haar beroep op dit punt beperkt tot de gronden van de Scheidemakershof die direct aan haar percelen grenzen en zich uitstrekken tot de op de kaart aangegeven aanduiding "Hoogtescheidingslijn". Gelet op het vorenstaande is het bestreden besluit, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de bestemming "Gemengde doeleinden 2" voor deze gronden, genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en berust het niet op een deugdelijke motivering.

2.4.7. De conclusie is dat het beroep van [appellante sub 1] gegrond is, voor zover het betrekking heeft op de goedkeuring aan de direct aan haar percelen grenzende gronden van de Scheidemakershof, die zich uitstrekken tot de op de kaart aangegeven aanduiding "Hoogtescheidingslijn". Het bestreden besluit dient op dit punt wegens strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb te worden vernietigd. Het beroep is voor het overige ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.5. Verweerder dient ten aanzien van [appellante sub 1] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellanten sub 2] niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellante sub 1] gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van 17 oktober 2006, kenmerk 2006-007570, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de strook grond van de Scheidemakershof die is aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart 1;

IV. verklaart het beroep van [appellante sub 1] voor het overige ongegrond;

V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij [appellante sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 841,23 (zegge: achthonderdeenenveertig euro en drieëntwintig cent), waarvan € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Gelderland aan [appellante sub 1] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI. gelast dat de provincie Gelderland aan [appellante sub 1] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. R.H. Lauwaars en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Taal

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2008

410-464.