Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC5237

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-02-2008
Datum publicatie
27-02-2008
Zaaknummer
200705146/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 januari 2004 heeft het bestuur van het Faunafonds (hierna: het Faunafonds) een aanvraag van [wederpartij] om een tegemoetkoming in de door ganzen aan een perceel grasland veroorzaakte schade toegewezen en een tegemoetkoming van € 1.685,00 verleend.

Wetsverwijzingen
Flora- en faunawet
Flora- en faunawet 83
Flora- en faunawet 84
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2008/2053
JNA 2007/1 met annotatie van Boerema
JOM 2008/281
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200705146/1.

Datum uitspraak: 27 februari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het bestuur van het Faunafonds, gevestigd te Den Haag,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nr. 05/3076 van de rechtbank Amsterdam van 15 juni 2007 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 januari 2004 heeft het bestuur van het Faunafonds (hierna: het Faunafonds) een aanvraag van [wederpartij] om een tegemoetkoming in de door ganzen aan een perceel grasland veroorzaakte schade toegewezen en een tegemoetkoming van € 1.685,00 verleend.

Bij besluit van 25 mei 2005 heeft het Faunafonds het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 juni 2007, verzonden op 18 juni 2007, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 25 mei 2005 vernietigd en bepaald dat het Faunafonds een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen de rechtbank in haar uitspraak heeft overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het Faunafonds bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 juli 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 januari 2008, waar het Faunafonds, vertegenwoordigd door drs. J.C.Q. Bult en H.G. Engberink, beiden werkzaam bij het Faunafonds, en [woonplaats] in persoon zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 83, eerste lid, aanhef en onder b, van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw), is er een Faunafonds dat tot taak heeft het in de daarvoor in aanmerking komende gevallen verlenen van tegemoetkomingen in geleden schade, aangericht door dieren behorende tot beschermde inheemse diersoorten.

Ingevolge artikel 84, eerste lid, van de Ffw, wordt een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 83, eerste lid, aanhef en onder b, slechts verleend voor zover een belanghebbende schade lijdt of zal lijden aangericht door dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, en die schade redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven. Een tegemoetkoming wordt naar billijkheid bepaald.

2.1.1. Volgens artikel 5, eerste lid, van de Regeling vaststelling beleidsregels schadevergoeding Faunafonds (Stcrt. 2002, 69; hierna: de Regeling) wordt de hoogte van de door één of meer beschermde inheemse diersoorten aangerichte schade, zodra daaromtrent een definitief oordeel kan worden gegeven, door een aangewezen taxateur getaxeerd.

Volgens artikel 6, eerste lid, van de Regeling kan het bestuur van het Faunafonds een tegemoetkoming verlenen uitsluitend voor schade veroorzaakt door diersoorten genoemd in artikel 4, eerste lid, onderdeel a en b, van de Ffw, welke door vraat, betreden, verontreiniging, graven, wroeten en vegen aan bedrijfsmatige landbouw, bosbouw of bedrijfsmatige visserij is veroorzaakt.

2.2. De rechtbank heeft overwogen dat bij het bepalen van de schade als bedoeld in artikel 83, eerste lid, aanhef en onder b, van de Ffw, gekeken dient te worden naar het daadwerkelijke nadeel dat is ontstaan ten gevolge van de schadeveroorzakende gebeurtenis. Gelet hierop is de rechtbank het Faunafonds niet gevolgd in zijn stelling dat als uitgangspunt voor de omvang van de schade de opbrengstprijs van het gras dient te worden genomen. [wederpartij] gebruikt het gras immers niet voor de verkoop maar als voer voor zijn koeien. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de stukken in het dossier niet op welke grond dient te worden uitgegaan van de opbrengst van het gras en niet van de kosten die [wederpartij] heeft moeten maken om vervangend voer aan te schaffen. De rechtbank heeft het besluit van 25 mei 2005 vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.3. Het Faunafonds betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het in de artikelen 83, eerste lid, aanhef en onder b, en 84, eerste lid, van de Ffw gaat om een tegemoetkoming en dat met deze bepalingen niet is beoogd om de grondgebruiker geheel schadeloos te stellen. Kosten die niet de schade aan het gewas zelf betreffen, zoals vervangingskosten, komen niet voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten worden geacht te zijn gemaakt binnen de bedrijfsvoering, aldus het Faunafonds.

2.3.1. De tegemoetkoming als bedoeld in artikel 83, eerste lid, aanhef en onder b, van de Ffw, ziet op schade aangericht door beschermde inheemse diersoorten. Volgens artikel 6, eerste lid, van de Regeling, welke Regeling naar het oordeel van de Afdeling niet als onredelijk kan worden aangemerkt, gaat het daarbij om schade welke door, onder meer, vraat is veroorzaakt aan bedrijfsmatige landbouw.

In dit geval bestaat de schade uit het verloren gaan van gras door ganzenvraat. Het Faunafonds heeft dan ook terecht slechts een tegemoetkoming verleend voor de gemiste opbrengst van het gras en niet voor de kosten van vervangend voer. Het standpunt dat alle door de ganzen veroorzaakte schade dient te worden vergoed vindt geen steun in de Ffw.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling de overige beroepsgronden van [wederpartij] tegen het besluit van het Faunafonds van 25 mei 2005, voor zover nog niet beoordeeld, bespreken.

2.5. [wederpartij] heeft in beroep aangevoerd dat de wijze waarop het Faunafonds de prijs per kilogram drogestof voor najaarsgras heeft vastgesteld onjuist is. Volgens hem heeft het Faunafonds ten onrechte geen rekening gehouden met de voederwaarde van het bij hem verloren gegaan gras. Hij heeft hierbij verwezen naar zijn bezwaarschrift, waarin een berekening van de schade is opgenomen, en naar een tabel uit het Handboek melkveehouderij, waaruit volgens hem blijkt dat er tussen voorjaarsgras en najaarsgras nauwelijks verschil is in voederwaarde.

2.5.1. Het Faunafonds heeft in zijn besluit van 25 mei 2005 uiteengezet dat bij de tegemoetkoming in schade aan grasland een opbrengstprijs wordt gehanteerd die is gebaseerd op een driejarig gemiddelde zoals vastgesteld door de aan de Universiteit Wageningen verbonden Animal Sciences Group (hierna: ASG). De ASG heeft de prijs voor najaarsgras vastgesteld op € 0,08 per kilogram drogestof. Het Faunafonds heeft deze prijs overgenomen, omdat niet is gebleken dat deze onredelijk zou zijn. Deze prijs is in het voorjaar vastgesteld waarbij een inschatting is gemaakt van de marktprijs in het najaar. Ter zitting bij de Afdeling heeft het Faunafonds medegedeeld dat bij de vaststelling van deze prijs rekening is gehouden met de voederwaarde van het gras, zoals opgenomen in de tabel uit het Handboek melkveehouderij waarop door [wederpartij] een beroep is gedaan.

2.5.2. In hetgeen [wederpartij] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het Faunafonds door aansluiting te zoeken bij de ontwikkeling in de afgelopen drie jaar en de te verwachten marktprijs in het najaar, de opbrengstprijs voor najaarsgras op onjuiste wijze heeft vastgesteld. Deze opbrengstprijs wordt niet alleen bepaald door de voederwaarde maar ook door andere factoren. Dat de opbrengstprijs te laag is, heeft [wederpartij] met het beroep op - uitsluitend - het verschil in voederwaarde dan ook niet aannemelijk gemaakt.

2.6. Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 juni 2007 in zaak nr. 05/3076;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. G.J. van Muijen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. De Leeuw-van Zanten

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2008

97-512.