Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC5235

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-02-2008
Datum publicatie
27-02-2008
Zaaknummer
200800418/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 december 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Papendrecht (hierna: het college) de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid De Rivierendriesprong Handelsbedrijf B.V. (hierna: de Rivierendriesprong) een last onder dwangsom opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200800418/1.

Datum uitspraak: 21 februari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid De Rivierendriesprong Handelsbedrijf B.V., gevestigd te Kerkdriel, gemeente Maasdriel,

verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van Papendrecht,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Papendrecht (hierna: het college) de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid De Rivierendriesprong Handelsbedrijf B.V. (hierna: de Rivierendriesprong) een last onder dwangsom opgelegd.

Tegen dit besluit heeft de Rivierendriesprong bezwaar gemaakt bij het college.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 januari 2008, heeft de Rivierendriesprong de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 5 februari 2008, waar de Rivierendriesprong, vertegenwoordigd door mr. drs. J.G.M. van Mierlo, M.L.J.L. van Herwijnen, H. de Jong en ing. R.P. Jansen, en het college, vertegenwoordigd door drs. E.D. Kamsteeg en drs. S. Hartog-Dahmeijer, ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De Rivierendriesprong betoogt, kort gezegd, dat niet duidelijk is voor welke overtreding de last onder dwangsom is opgelegd, dat haar activiteiten geen wezenlijke milieugevolgen hebben, dat aan het dwangsombesluit geen belangenafweging ten grondslag ligt en dat de dwangsom onevenredig hoog is. Daarbij komt volgens haar dat niet het college, maar het college van gedeputeerde staten bevoegd is om handhavend op te treden. Bovendien is het besluit volgens haar gericht aan een niet bestaand bedrijf.

2.2. Deze procedure leent zich niet voor een uitvoerige beoordeling van de aard, omvang en milieugevolgen van de activiteiten van de Rivierendriesprong. Vast staat echter dat de Rivierendriesprong sinds 2004 op de locatie Noordhoek 35-37 te Papendrecht activiteiten verricht zonder de daarvoor vereiste vergunning krachtens de Wet milieubeheer. Zij heeft aldus gehandeld in strijd met artikel 8.1 van deze wet, zoals dat luidde ten tijde van het nemen van het dwangsombesluit, zodat het bevoegd gezag terzake handhavend kon optreden.

2.3. Nu de drijver van de inrichting niet beschikt over een vergunning krachtens de Wet milieubeheer, zijn de activiteiten die daadwerkelijk plaatsvinden bepalend voor het antwoord op de vraag wie in dit geval het bevoegd gezag is om handhavend op te treden. Op grond van de beschikbare gegevens en het verhandelde ter zitting gaat de voorzitter ervan uit dat het college het bevoegd gezag is, gelet op artikel 18.2 van de Wet milieubeheer, zoals dat destijds luidde, en het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer.

2.4. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.5. De niet gehonoreerde vergunningaanvragen van de Rivierendriesprong tot dusverre wijzen er niet op dat er concreet uitzicht bestaat op legalisatie van de aangevraagde activiteiten. De Rivierendriesprong heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat er omstandigheden zijn die zo bijzonder zijn dat het college had moeten afzien van handhavend optreden.

2.6. Het betoog dat de dwangsom onevenredig hoog is, is niet nader geconcretiseerd. Daarom kan niet op voorhand worden aangenomen dat de hoogte van de dwangsom niet in redelijke verhouding staat tot het daarmee te dienen doel.

2.7. Gezien de inhoud van het dwangsombesluit bestaat er geen twijfel over dat de Rivierendriesprong terecht als overtreder is aangemerkt. Het kennelijke gebrek in de adressering van het besluit kan bij het nemen van het besluit op bezwaar worden hersteld.

2.8. De voorzitter ziet op grond van het vorenstaande onvoldoende reden om te twijfelen aan de rechtmatigheid van het besluit. Gelet hierop bestaat, na afweging van de betrokken belangen, aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.A.G. Stolker, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Stolker

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2008

157.