Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC5225

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-02-2008
Datum publicatie
27-02-2008
Zaaknummer
200703236/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 april 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Groesbeek (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een pluimveebedrijf aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 20 april 2007 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2008/21
JM 2008/72 met annotatie van Bokelaar
JOM 2008/267
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703236/1.

Datum uitspraak: 27 februari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de vereniging Vereniging Villapark De Zeven Heuvelen, gevestigd te Groesbeek, en anderen,

2. de stichting Stichting Een Dier Een Vriend, gevestigd te 's-Gravenhage, en [appellant sub 2A], wonend te [woonplaats],

3. [appellante sub 3], gevestigd te [plaats],

4. [appellanten sub 4], gevestigd te [plaats],

5. de vereniging Rooms Katholieke Sportvereniging Achilles '29, gevestigd te Groesbeek,

6. [appellant sub 6], wonend te [woonplaats],

7. [appellant sub 7], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Groesbeek,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 april 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Groesbeek (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een pluimveebedrijf aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 20 april 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben de vereniging Vereniging Villapark De Zeven Heuvelen en anderen (hierna: de vereniging en anderen) bij brief van 7 mei 2007, bij de Raad van State ingekomen op 8 mei 2007, de stichting Stichting Een Dier Een Vriend en [appellant sub 2A] bij brief van 15 mei 2007, bij de Raad van State ingekomen op 22 mei 2007, [appellante sub 3] bij brief van 31 mei 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, [appellanten sub 4] bij brief van 31 mei 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, de vereniging Rooms Katholieke Sportvereniging Achilles '29 (hierna: Achilles '29) bij brief van 31 mei 2007, bij de Raad van State ingekomen op 1 juni 2007, [appellant sub 6] bij brief van 31 mei 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, en [appellant sub 7] bij brief van 31 mei 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 januari 2008, waar de vereniging en anderen, vertegenwoordigd door mr. V. Wösten, de stichting en [appellant sub 2A], vertegenwoordigd door ir. A.K.M. van Hoof, [appellante sub 3] [appellanten sub 4], Achilles '29, [appellant sub 6] en [appellant sub 7], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en het college, vertegenwoordigd door mr. J.G.M. Thijssen, wethouder van de gemeente, en mr. P.P.G. Wintjes en ing. M. Pijnenburg, werkzaam bij het Regionaal Milieubedrijf te Cuijk, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder], in persoon en bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Alle appellanten stellen dat de inrichting stankhinder veroorzaakt. Hiertoe voeren zij onder meer aan dat er onvoldoende bestaande rechten zijn op grond waarvan vergunningverlening kan worden gebaseerd. Verder stellen zij dat het college het sportcomplex Achilles '29 ten onrechte als een categorie III-object in plaats van een categorie II-object in de zin van de brochure "Veehouderij en Hinderwet" van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de brochure) heeft aangemerkt. De vereniging en anderen voeren bovendien aan dat het college de omvang van de stankemissie van de inrichting onjuist heeft vastgesteld nu hij ten onrechte niet de omrekeningsfactoren uit de bijlage bij de Regeling stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden (hierna: de Regeling stankemissie) heeft gehanteerd.

2.1.1. Eerder heeft het college bij besluit van 1 maart 2006 vergunning verleend voor de inrichting. Hij achtte het toen - kort gezegd - redelijk om bij de beoordeling van de stankhinder rekening te houden met het feit dat op grond van een inmiddels vervallen vergunning van 27 oktober 1977 op het perceel een veehouderij mocht zijn gevestigd. De Afdeling heeft dit besluit bij uitspraak van 22 november 2006 in zaak nr. 200602676/1 vernietigd, omdat het college naar haar oordeel onvoldoende had gemotiveerd waarom zich ter plaatse van het sportcomplex geen onaanvaardbare stankhinder voordoet. Bij het bestreden besluit heeft het college naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling opnieuw een besluit genomen.

2.1.2. Het college heeft bij de beoordeling van de stankhinder de richtlijn "Veehouderij en stankhinder" van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de richtlijn) toegepast, voor zover het de omrekeningsfactoren naar mestvarkeneenheden en de afstandsbepaling betreft. Bij de bepaling van de omgevingscategorieën heeft hij de brochure gehanteerd. De Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden (hierna: de Wet stankemissie) en de Regeling stankemissie zijn niet van toepassing. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 maart 2004 in zaak nr. 200304128/1), moeten in een geval als dit niet de omrekeningsfactoren zoals opgenomen in de Regeling stankemissie als de meest recente milieutechnische inzichten worden beschouwd maar de omrekeningsfactoren zoals opgenomen in de richtlijn. Het college heeft in dit geval de stankemissie van de inrichting terecht bepaald met behulp van de in de richtlijn opgenomen omrekeningsfactoren.

2.1.3. In de eerdergenoemde uitspraak van 22 november 2006 heeft de Afdeling vastgesteld dat de richtlijn bij het vergunde veebestand een afstand van 319 meter tot het sportcomplex aanbeveelt. Daarin ligt het oordeel besloten dat het sportcomplex als een categorie II-object in de zin van de brochure moet worden aangemerkt. Er is geen aanleiding om thans tot een ander oordeel te komen over de categorie-indeling, en evenmin over de op grond van de richtlijn en de brochure aanbevolen aan te houden afstand tot dit sportcomplex. Nu de afstand tussen het sportcomplex en het dichtstbijzijnde emissiepunt van de inrichting 159 meter bedraagt, wordt de volgens de richtlijn en de brochure ter voorkoming van onaanvaardbare stankhinder aan te houden afstand ruim overschreden.

2.1.4. In de uitspraak van 22 november 2006 heeft de Afdeling verder vastgesteld dat er geen zogenoemde bestaande rechten voor het houden van vee in de zin van artikel 8.4, derde lid, van de Wet milieubeheer zijn die bij het verlenen van de vergunning in beginsel zouden moeten worden gerespecteerd. In zoverre bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de vergunning moet worden verleend ondanks de volgens het door het college gehanteerde beoordelingskader optredende onaanvaardbare stankhinder.

2.1.5. Het betoog van het college komt er, evenals in het eerder door de Afdeling vernietigde besluit van 1 maart 2006, in de kern op neer dat vergunningverlening mogelijk is omdat rekening moet worden gehouden met het feit dat voor de locatie waarop de inrichting wordt opgericht in het verleden een milieuvergunning heeft gegolden die het houden van vee toeliet. Aan de in het vernietigde besluit opgenomen motivering is bij het bestreden besluit toegevoegd dat volgens het college het sportcomplex moet worden aangemerkt als een categorie III-object in de zin van de brochure. Hoewel ten opzichte van categorie III-objecten niet aan de op grond van de richtlijn minimaal aan te houden afstand wordt voldaan, is deze afwijking volgens het college, de bestaand hebbende rechten mede in aanmerking genomen, dusdanig klein dat dit niet betekent dat er ontoelaatbare stankhinder ontstaat. Daar komt bij dat een sportcomplex in de inmiddels in werking getreden Wet geurhinder en veehouderij niet als stankgevoelig object wordt aangemerkt, zo stelt het college.

2.1.6. Zoals de Afdeling onder 2.1.3 heeft overwogen, is er geen grond om wat de categorie-indeling van het sportcomplex betreft terug te komen van haar uitspraak van 22 november 2006. Het college is er daarom ten onrechte van uitgegaan dat het sportcomplex als een categorie III-object in plaats van een categorie II-object in de zin van de brochure moet worden aangemerkt.

Voor zover het college de stankhinder ter plaatse van het sportterrein aan de hand van de Wet geurhinder en veehouderij heeft beoordeeld, overweegt de Afdeling dat dit niet valt te rijmen met de omstandigheid dat het college voor de beoordeling van stankhinder vanwege de inrichting voor het overige de richtlijn en de brochure tot uitgangspunt heeft genomen. De motivering van het bestreden besluit is in zoverre niet consistent.

Nu de motivering van het college voor het overige een herhaling inhoudt van zijn motivering die ten grondslag lag aan het door de Afdeling vernietigde besluit van 1 maart 2006, heeft het college zijn standpunt dat de door de inrichting veroorzaakte stankhinder geen aanleiding geeft voor weigering van de vergunning onvoldoende gemotiveerd. Het bestreden besluit berust in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet op een deugdelijke motivering. Deze beroepsgrond slaagt.

2.2. Alle appellanten stellen dat de inrichting cumulatieve stankhinder veroorzaakt. De totale cumulatieve stankhinder ten opzichte van de woning Cranenbrugsestraat 41 overschrijdt de in dit geval van toepassing zijnde norm van 1,5. Het college is er volgens hen verder ten onrechte van uitgegaan dat de relatieve bijdrage van de inrichting verwaarloosbaar is.

2.2.1. Het college heeft voor het bepalen van het beschermingsniveau tegen cumulatieve stankhinder gebruik gemaakt van het rapport "Beoordeling cumulatie van stankhinder door intensieve veehouderij" van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Publicatiereeks Lucht 46 (hierna: het rapport). Uit het rapport volgt dat de totale cumulatieve stankbelasting in dit geval niet meer dan de maximale toetsingswaarde van 1,5 mag bedragen. Voor de woning Cranenburgsestraat 41 heeft het college de cumulatieve stankhinder op twee gevels van de woning bepaald. Deze gevels zijn aangemerkt als punt A en punt C, waarvan punt C het dichtst bij de inrichting ligt. Ter plaatse van punt A wordt niet aan de norm van 1,5 voldaan. Ter plaatste van punt C wordt wel aan de norm van 1,5 voldaan. Uitgaande van de cumulatieve belasting op de dichtst bij de inrichting gelegen gevel van de woning is er volgens het college geen cumulatieve stankhinder. Bovendien is de bijdrage van de inrichting aan de overschrijding ter plaatse van punt A verwaarloosbaar, aldus het college.

2.2.2. Het college gaat er ten onrechte van uit dat bij de beoordeling van cumulatieve stankhinder ter plaatse van de woning Cranenburgsestraat 41 slechts betekenis toekomt aan de gevel van de woning die het dichtst bij de inrichting ligt. Hiermee miskent het college dat het bij de beoordeling van cumulatieve stankhinder vanwege de inrichting gaat om het bieden van bescherming tegen cumulatieve, van verschillende inrichtingen afkomstige, stankhinder. Vaststaat dat ter plaatse van één van de gevels van de woning de norm van 1,5 wordt overschreden. De relatieve bijdrage van de inrichting op de woning Cranenburgsestraat 41 bedraagt 0,4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 14 september 2005 in zaak nr. 200502185/1) is de onnauwkeurigheid van het cumulatiemodel zodanig dat geen absolute waarde is te geven voor te verwaarlozen relatieve geurbijdragen, zij het dat een relatieve waarde van 0,05 of minder in ieder geval verwaarloosbaar is. Een bijdrage van meer dan 0,05 is verwaarloosbaar indien de relatieve bijdrage van andere bij de cumulatiebeoordeling betrokken inrichtingen vele malen groter is dan de relatieve bijdrage van de inrichting waarvoor bij het bestreden besluit vergunning is verleend. Nu deze situatie zich hier niet voordoet, heeft het college zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er geen sprake is van cumulatieve stankhinder. Deze beroepsgrond slaagt.

2.3. De beroepen zijn gegrond. Nu het stankaspect bepalend is voor de beantwoording van de vraag of de gevraagde vergunning kan worden verleend, komt het bestreden besluit in zijn geheel voor vernietiging in aanmerking. Aangezien uitgaande van de door het college voor de beoordeling van enkelvoudige en cumulatieve stankhinder gekozen kaders de gevraagde vergunning niet kan worden verleend, ziet de Afdeling aanleiding op na te melden wijze in de zaak voorzien.

2.4. Het college dient ten aanzien van de vereniging en anderen en de stichting en [appellant sub 2A] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is voor [appellante sub 3], [appellanten sub 4], Achilles '29, [appellant sub 6] en [appellant sub 7] niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Groesbeek van 3 april 2007;

III. weigert de gevraagde vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer voor een pluimveebedrijf aan de [locatie] te [plaats];

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 3 april 2007;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Groesbeek tot vergoeding van bij de vereniging Vereniging Villapark De Zeven Heuvelen en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 680,23 (zegge: zeshonderdtachtig euro en drieëntwintig cent), waarvan € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Groesbeek aan de vereniging Vereniging Villapark De Zeven Heuvelen en anderen onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Groesbeek tot vergoeding van bij de stichting Stichting Een Dier Een Vriend en [appellant sub 2A] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Groesbeek aan de stichting Stichting Een Dier Een Vriend en [appellant sub 2A] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI. gelast dat de gemeente Groesbeek aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) voor de vereniging Vereniging Villapark De Zeven Heuvelen en anderen, € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) voor de stichting Stichting Een Dier Een Vriend en [appellant sub 2A], € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) voor [appellante sub 3], € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) voor [appellanten sub 4], € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) voor de vereniging Rooms Katholieke Sportvereniging Achilles '29, € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) voor [appellant sub 6] en € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) voor [appellant sub 7] vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van der Zijpp

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2008

262-492.