Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC5221

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-02-2008
Datum publicatie
27-02-2008
Zaaknummer
200705801/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 augustus 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast binnen tien dagen na de verzenddatum van dit besluit de verhuur als onzelfstandige woonruimte en de exploitatie als verblijfsinrichting van de woning op de eerste en tweede verdieping van het pand aan de [locatie] te [plaats] te beëindigen en beëindigd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200705801/1.

Datum uitspraak: 27 februari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/4456 van de rechtbank Rotterdam van 5 juli 2007 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 augustus 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast binnen tien dagen na de verzenddatum van dit besluit de verhuur als onzelfstandige woonruimte en de exploitatie als verblijfsinrichting van de woning op de eerste en tweede verdieping van het pand aan de [locatie] te [plaats] te beëindigen en beëindigd te houden.

Bij besluit van 6 oktober 2006 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 juli 2007, verzonden op 6 juli 2007, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 augustus 2007, hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 27 september 2007 heeft het college een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 januari 2008, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. S.B.H. Fijneman, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder c, van de Huisvestingswet is het verboden een woonruimte die behoort tot een door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening daartoe met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad aangewezen categorie, zonder vergunning van burgemeester en wethouders van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte om te zetten.

Ingevolge artikel 30, tweede lid, van de Huisvestingswet wordt onder zelfstandige woonruimte als bedoeld in het eerste lid, onder c, verstaan een woonruimte welke een eigen toegang heeft en welke door een huishouden kan worden bewoond zonder dat dit daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte.

Ingevolge artikel 1.1., aanhef en onder f, ten derde, van de Huisvestingsverordening Rotterdam 2003 (hierna: de huisvestingsverordening) zoals die luidde ten tijde van belang, wordt in deze verordening en bijlage I bij deze verordening onder huishouden verstaan: twee of meer personen die ten genoege van burgemeester en wethouders hebben aangetoond, dat zij een gemeenschappelijke huishouding gaan voeren.

Ingevolge artikel 3.1.1. van de huisvestingsverordening is het bepaalde in paragraaf 3.1., inzake onttrekking, samenvoeging en omzetting, van toepassing op alle woonruimten in de gemeente Rotterdam.

Ingevolge artikel 3.1.2., aanhef en onder c, van de huisvestingsverordening is het verboden om zonder onttrekkingsvergunning een woonruimte, aangewezen in artikel 3.1.1., van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte om te zetten.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat ten tijde van het primaire besluit geen overtreding plaatsvond. Anders dan de rechtbank heeft overwogen heeft hij nimmer het standpunt gehuldigd dat de vier bewoners van de woning twee onderscheiden huishoudens voerden, aldus [appellant]. In zijn hoger-beroepschrift voert [appellant] aan dat de woning in gebruik was bij twee stellen, die tezamen één huishouden voerden en dat uit bewijsstukken blijkt dat de bewoners een daartoe strekkende verklaring hebben afgelegd. Voorts betoogt hij dat hij is misleid door de mededeling van de zijde van de gemeente dat het samenwonen van twee stellen in één huishouden is toegestaan. Ter zitting heeft hij verklaard dat, anders dan voorheen werd verondersteld, de woning ten tijde van het primaire besluit werd bewoond door twee mannen en één vrouw.

2.2.1. [appellant] heeft de eerst in hoger beroep ter zitting betrokken stelling dat de woning werd bewoond door twee mannen en één vrouw niet ondersteund met stukken of andere bewijsmiddelen. Deze stelling vindt voorts geen steun in de dossierstukken, waarin partijen steeds uitdrukkelijk van de aanwezigheid van vier bewoners zijn uitgegaan. Dat de woning werd bewoond door twee mannen en één vrouw is dan ook niet aannemelijk gemaakt. Daarom houdt de Afdeling het ervoor dat de woning werd bewoond door vier personen, te weten twee mannen en twee vrouwen.

2.2.2. Uit de dossierstukken blijkt niet dat [appellant] bij de rechtbank heeft betoogd of bedoeld heeft te betogen dat de vier bewoners twee onderscheiden huishoudens voerden. De rechtbank heeft dit dan ook ten onrechte tot uitgangspunt genomen bij haar beoordeling. Dit leidt evenwel niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak in verband met hetgeen volgt.

2.2.3. Indien de wijze waarop een zelfstandige woonruimte wordt bewoond, het vermoeden rechtvaardigt dat deze als onzelfstandige woonruimte voor meer dan één huishouden wordt verhuurd, brengt een redelijke uitleg van artikel 1.1., aanhef en onder f, ten derde, van de huisvestingsverordening met zich dat de last om aan te tonen dat de bewoners niettemin gezamenlijk één gemeenschappelijk huishouden voeren, rust op de verhuurder, indien deze op basis van dat vermoeden door het college daarop wordt aangesproken.

Op 5 april 2005 hebben inspecteurs van de afdeling Woningtoezicht van de gemeente Rotterdam een controlebezoek gebracht aan de woning. Uit het verslag van dit bezoek in het gemeentelijk registratiesysteem en het verslag van de hoorzitting van de Algemene Bezwaarschriftencommissie volgt dat bij deze controle een man van Surinaamse afkomst en drie mannen van Chinese afkomst werden aangetroffen. Op 13 juni 2005 en 31 augustus 2005 hebben hercontroles plaatsgevonden. Uit het verslag van deze controles in het gemeentelijk registratiesysteem volgt dat daarbij twee mannen en twee vrouwen van Chinese afkomst zijn aangetroffen, die hebben verklaard twee stellen te vormen. De controlerend ambtenaar heeft in dit verslag vermeld aan deze verklaring te twijfelen omdat allen in een afzonderlijk bed slapen; de mannen op de eerste verdieping en de vrouwen op de tweede verdieping. Voormelde constateringen rechtvaardigen het vermoeden dat de woning als onzelfstandige woonruimte voor meer dan één huishouden werd gebruikt.

[appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit vermoeden onjuist is. Daargelaten dat hij de gestelde familieband tussen de twee mannelijke bewoners, mede gelet op de door hen opgegeven namen, niet aannemelijk heeft gemaakt, is het bestaan van een familieband onvoldoende voor de conclusie dat de mannelijke bewoners een gezin vormden waar de vrouwelijke bewoners deel van uitmaakten en dat zij derhalve gezamenlijk een huishouden voerden. Dat de bewoners hebben verklaard twee stellen te zijn, wordt bevestigd door het verslag in het gemeentelijk registratiesysteem. Voor de stelling dat de bewoners tezamen één huishouden voerden en een daartoe strekkende verklaring hebben afgelegd, biedt het verslag in het gemeentelijk registratiesysteem geen steun, en [appellant] heeft nagelaten daarvoor enig bewijs te leveren. De stelling van [appellant] dat hij is misleid door de mededeling dat het verblijf van twee stellen in één huishouden is toegestaan baat hem niet, omdat de beweerde mededeling van algemene strekking is en geen antwoord geeft op de vraag of de vier bewoners in dit geval één huishouden vormden.

2.2.4. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht, zij het op andere gronden, geoordeeld dat [appellant] de woning in strijd met artikel 30, eerste lid, aanhef en onder c, van de Huisvestingswet, en artikel 3.1.2, aanhef en onder c, van de huisvestingsverordening, heeft omgezet in onzelfstandige woonruimte.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak met verbetering van de gronden waar deze op rust.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.J. Können, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Können

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2008

301.