Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC5218

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-02-2008
Datum publicatie
27-02-2008
Zaaknummer
200708432/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 mei 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) vastgesteld dat er sprake is van twee gevallen van ernstige bodemverontreiniging namelijk ter plaatse van een aantal voormalige tankstations (deellocaties 6+10 en 8) en ter plaatse van het voormalige oefenterrein van de brandweer (deellocatie 1) en de voormalige opslag van strooizout (deellocatie IX) op de locatie Rijksstraatweg 252a te Hellevoetsluis. Tevens is ingestemd met een saneringsplan voor de deellocaties 1 en IX.

Wetsverwijzingen
Wet bodembescherming
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2008/974
JOM 2008/202
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200708432/2.

Datum uitspraak: 19 februari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekers], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 mei 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) vastgesteld dat er sprake is van twee gevallen van ernstige bodemverontreiniging namelijk ter plaatse van een aantal voormalige tankstations (deellocaties 6+10 en 8) en ter plaatse van het voormalige oefenterrein van de brandweer (deellocatie 1) en de voormalige opslag van strooizout (deellocatie IX) op de locatie Rijksstraatweg 252a te Hellevoetsluis. Tevens is ingestemd met een saneringsplan voor de deellocaties 1 en IX.

Bij besluit van 8 november 2007 heeft het college het door [verzoekers] hiertegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit hebben [verzoekers] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 december 2007, beroep ingesteld.

Bij deze brief hebben [verzoekers] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 februari 2008 zijn nadere stukken ontvangen van het college.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 5 februari 2008, waar [gemachtigde], in persoon, en het college vertegenwoordigd door E. Lohr-Henket, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het college heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat [verzoekers] geen belanghebbenden zijn in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, omdat de sanering geen gevolgen kan hebben voor de woonomgeving van verzoekers daar zij niet in de directe omgeving van de saneringslocatie woonachtig zijn en de bodemverontreiniging immobiel is.

2.3. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat een deel van de verontreiniging uit minerale olie bestaat waarvan, in tegenstelling tot wat het college hierover stelt, niet zonder meer kan worden aangenomen dat die immobiel is. Daarnaast is gebleken dat de tuin van één van de verzoekers grenst aan één van de saneringslocaties. Tevens is gebleken dat de afstand tussen de woningen van de overige verzoekers en de saneringslocaties niet meer dan ongeveer 50 meter bedraagt.

Gelet hierop overweegt de voorzitter dat de door [verzoekers] ingediende bezwaren weliswaar niet zien op de bescherming van de bodem, maar dat het college zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat de sanering geen gevolgen kan hebben voor de woonomgeving van [verzoekers], zodat zij geen belanghebbenden zijn in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Het college heeft het bezwaarschrift van [verzoekers] ten onrecht niet-ontvankelijk verklaard.

2.4. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.5. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van 8 november 2007, kenmerk PZH-2007-542743;

II. veroordeelt het college tot vergoeding van bij [verzoekers] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 11,28 (zegge: elf euro en achtentwintig cent); het dient door de provincie Zuid-Holland aan [verzoekers] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

III. gelast dat de provincie Zuid-Holland aan [verzoekers] het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van drs. G.K. Klap, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Klap

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2008

315.