Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC5214

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-02-2008
Datum publicatie
27-02-2008
Zaaknummer
200708999/1 en 200708999/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 november 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college van gedeputeerde staten) aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een zeugen-, vleesvarkens- en paardenhouderij en voor de opslag van bijproducten aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 21 november 2007 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200708999/1 en 200708999/2.

Datum uitspraak: 20 februari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

het college van burgemeester en wethouders van Laarbeek, gevestigd te Beek en Donk,

appellant,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 november 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college van gedeputeerde staten) aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een zeugen-, vleesvarkens- en paardenhouderij en voor de opslag van bijproducten aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 21 november 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft het college van burgemeester en wethouders van Laarbeek (hierna: het college van burgemeester en wethouders) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 december 2007, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 december 2007, heeft het college van burgemeester en wethouders de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 24 januari 2008, waar het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. J.E. Lenglet, advocaat te Den Bosch, en het college van gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door mr. G.M. van den Boom, werkzaam bij het Samenwerkingsverband Regio Eindhoven, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord [vergunninghouder], bijgestaan door mr. H.G.M. van der Westen, advocaat te Eindhoven.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Het college van burgemeester en wethouders is bevreesd dat in de inrichting andere dieren zullen worden gehouden dan op grond van de bij het bestreden besluit verleende vergunning is toegestaan. Het college van burgemeester en wethouders voert in dit verband aan dat het onderscheid tussen opfokzeugen en vleesvarkens niet goed waarneembaar is en dat er voorschriften met betrekking tot registratie, administratie en monitoring van het aantal te houden dieren ontbreken, waardoor het aantal in de inrichting aanwezige dieren niet kan worden gecontroleerd.

2.2.1. Het college van gedeputeerde staten stelt dat opfokzeugen altijd van het vrouwelijk geslacht zijn en vleesvarkens zowel mannelijk als vrouwelijk kunnen zijn en dat opfokzeugen bovendien ander voer krijgen dan vleesvarkens, zodat controleerbaar is of opfokzeugen dan wel vleesvarkens worden gehouden binnen de inrichting. Het college van gedeputeerde staten wijst verder op vergunningvoorschrift 1.2.1, waarin - kort weergegeven - is bepaald dat de aankoop van dekrijpe zeugen moet worden geregistreerd.

2.2.2. Vast staat dat geen vergunning is aangevraagd of verleend voor het houden van opfokzeugen. Voor zover binnen de inrichting andere dieren worden gehouden dan de dieren waarvoor vergunning is verleend, is dit een kwestie van handhaving. Gelet op de motivering van het college van gedeputeerde staten ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat niet controleerbaar zou zijn welke soort(en) dieren binnen de inrichting worden gehouden. Deze beroepsgrond faalt.

2.3. Het college van burgemeester en wethouders stelt dat de bedrijfspanden aan de [locaties] ten onrechte als categorie IV-objecten als bedoeld in de Wet stankemissie en veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden (hierna: de Wet stankemissie) zijn aangemerkt. Hiertoe voert het college aan dat het niet-agrarische aaneengesloten bebouwing van beperkte omvang in een overigens agrarische omgeving betreft die als met wonen gelijk te stellen verblijf valt aan te merken, zodat deze panden als categorie II-objecten moeten worden aangemerkt. Nu bij het aanmerken als categorie II-objecten niet aan de minimaal vereiste afstand op grond van de Wet stankemissie kan worden voldaan, had het college van gedeputeerde staten de vergunning moeten weigeren.

2.3.1. In artikel 3, eerste lid, van de Wet stankemissie is bepaald dat een vergunning voor een veehouderij wordt geweigerd, indien de afstand van de veehouderij tot een voor stank gevoelig object, behorend tot een van de categorieën I tot en met IV, dat niet tot de veehouderij behoort, minder bedraagt dan het aantal meters dat volgt uit de in de bijlage opgenomen berekeningsmethode.

Ingevolge artikel 1, tweede lid, aanhef en onder b, sub 1, van de Wet stankemissie wordt in die wet en de daarop berustende bepalingen onder voor stank gevoelig object categorie II verstaan: bebouwde kom of aaneengesloten woonbebouwing van beperkte omvang in een overigens agrarische omgeving.

Ingevolge artikel 1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wet stankemissie wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder voor stank gevoelig object categorie III: verspreid liggende niet-agrarische bebouwing die aan het betreffende buitengebied een overwegende woon- of recreatiefunctie verleent.

Ingevolge artikel 1, tweede lid, aanhef en onder d, sub 2, van de Wet stankemissie wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder voor stank gevoelig object categorie IV: verspreid liggende niet-agrarische bebouwing.

2.3.2. De inrichting is gelegen in het buitengebied van [plaats]. In de directe nabijheid van de inrichting bevindt zich een bedrijventerrein, gelegen aan de [locatie]. Op dit bedrijventerrein zijn met uitzondering van één burgerwoning en één bedrijfswoning uitsluitend bedrijven gevestigd. Nu op het bedrijventerrein voornamelijk bedrijven zijn gevestigd, kan de bebouwing op dat terrein niet worden aangemerkt als aaneengesloten woonbebouwing en evenmin als bebouwing die aan het buitengebied een overwegende woon- of recreatiefunctie verleent. Het college van gedeputeerde staten heeft de objecten op het bedrijventerrein dan ook terecht als categorie IV-objecten aangemerkt. Nu, als niet in geschil, aan de ingevolge de Wet stankemissie minimaal vereiste afstand tot aan een categorie IV-object wordt voldaan, heeft het college van gedeputeerde staten terecht geconcludeerd dat in zoverre geen grond bestaat voor weigering van de vergunning. De grond faalt.

2.4. Het beroep is ongegrond.

2.5. Gelet op het vorengaande wijst de voorzitter het verzoek om een voorlopige voorziening af.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep ongegrond;

II. wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. M. Oosting, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van Staat.

w.g. Oosting w.g. Fransen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2008

407-517.