Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC4729

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-02-2008
Datum publicatie
21-02-2008
Zaaknummer
200708544/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geloofwaardigheid asielrelaas / toerekenbaar ontbreken documenten / begeleiding door bekende / nagenoeg meerderjarig

De staatssecretaris heeft zich in het bij de rechtbank bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de vreemdeling bij de aanvraag geen documenten heeft overgelegd die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van haar aanvraag en dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van deze documenten niet aan haar is toe te rekenen. Daaraan heeft de staatssecretaris ten grondslag gelegd dat de omstandigheid dat de vreemdeling door een persoon zou zijn begeleid die zij stelt al langer te kennen, niet kan afdoen aan haar eigen verantwoordelijkheid voor de onderbouwing van haar asielrelaas, te meer daar zij ten tijde van belang nagenoeg meerderjarig was. Er is geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris op deze gronden het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 niet in redelijkheid aan de vreemdeling heeft kunnen tegenwerpen. De voorzieningenrechter heeft, door aan de door de vreemdeling aangevoerde omstandigheden doorslaggevend belang te hechten, zijn eigen oordeel over de toerekenbaarheid van het ontbreken van de bescheiden als maatstaf gebruikt en is er aan voorbijgegaan dat hij had dienen te toetsen of de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bescheiden toerekenbaar ontbraken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200708544/1.

Datum uitspraak: 11 februari 2008

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nrs. 07/43746 en 07/43744 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 30 november 2007 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 november 2007 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen en geweigerd haar ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 30 november 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris binnen zes weken een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 7 december 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van die wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Het is derhalve aan de vreemdeling om de door hem aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden tegenover de minister aannemelijk te maken.

Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 wordt bij het onderzoek naar de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel mede betrokken dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

2.2. In de grieven klaagt de staatssecretaris dat, samengevat weergegeven, de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat hij zich niet in redelijkheid op het standpunt

heeft kunnen stellen dat het aan de vreemdeling is toe te rekenen dat zij bij haar aanvraag geen bescheiden heeft overgelegd voor de vaststelling van haar identiteit en nationaliteit door te overwegen dat op de vreemdeling niet de verantwoordelijkheid rustte om bij aankomst in Nederland haar paspoort van haar begeleider af te nemen en de in het land van herkomst achtergelaten documenten toch mee op reis te nemen, omdat vreemdeling ten tijde van haar reis zeventien jaar oud was en door een persoon werd begeleid die zij al langere tijd kende.

2.2.1. De staatssecretaris heeft zich in het bij de rechtbank bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de vreemdeling bij de aanvraag geen documenten heeft overgelegd die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van haar aanvraag en dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van deze documenten niet aan haar is toe te rekenen. Daaraan heeft de staatssecretaris ten grondslag gelegd dat de omstandigheid dat de vreemdeling door een persoon zou zijn begeleid die zij stelt al langer te kennen, niet kan afdoen aan haar eigen verantwoordelijkheid voor de onderbouwing van haar asielrelaas, te meer daar zij ten tijde van belang nagenoeg meerderjarig was. Er is geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris op deze gronden het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 niet in redelijkheid aan de vreemdeling heeft kunnen tegenwerpen. De voorzieningenrechter heeft, door aan de door de vreemdeling aangevoerde omstandigheden doorslaggevend belang te hechten, zijn eigen oordeel over de toerekenbaarheid van het ontbreken van de bescheiden als maatstaf gebruikt en is er aan voorbijgegaan dat hij had dienen te toetsen of de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bescheiden toerekenbaar ontbraken.

De grieven treffen doel.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

2.4. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van deze kosten te beslissen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 30 november 2007 in zaak nr. 07/43744;

III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV. stelt de door de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. T.M.A. Claessens, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Graat

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2008

307.

Verzonden: 11 februari 2008

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak