Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC4698

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-02-2008
Datum publicatie
20-02-2008
Zaaknummer
200704982/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 oktober 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heeze-Leende (hierna: het college) aan [wederpartij] reguliere bouwvergunning verleend voor het oprichten van een jongveestal op het perceel aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200704982/1.

Datum uitspraak: 20 februari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/2862 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 13 juni 2007 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

het college van burgemeester en wethouders van Heeze-Leende.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 oktober 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heeze-Leende (hierna: het college) aan [wederpartij] reguliere bouwvergunning verleend voor het oprichten van een jongveestal op het perceel aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 18 april 2006 heeft het college het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 10 oktober 2005 herroepen en de beslissing op de aanvraag om bouwvergunning aangehouden totdat op de aanvraag om milieuvergunning (opnieuw) is beslist.

Bij uitspraak van 13 juni 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 18 april 2006 vernietigd en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 juli 2007, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 januari 2008, waar [appellante], bijgestaan door ir. A.K.M. van Hoof, en het college, vertegenwoordigd door L. Ponsen, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is [wederpartij], bijgestaan door mr. B.W. de Groot, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. [wederpartij] exploiteert op het perceel een agrarisch bedrijf met varkens en rundvee. Het bouwplan voorziet in het oprichten van een jongveestal op een afstand van 2,5 m uit de perceelsgrens.

2.2. De rechtbank heeft overwogen dat het college op grond van artikel 46, eerste lid, van de Woningwet, gelezen in verband met artikel 46, vierde lid, ten tijde van het besluit van 10 oktober 2005 niet meer bevoegd was op de door het college op 19 juni 2003 ontvangen aanvraag om bouwvergunning te beslissen, omdat de bouwvergunning reeds op 11 september 2003 van rechtswege was verleend. In hoger beroep keert [appellante] zich tegen dit oordeel van de rechtbank. Zij betoogt daartoe dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de op 1 november 2001 door [wederpartij] ingediende aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer geacht wordt betrekking te hebben op dezelfde jongveestal als waarin het bouwplan voorziet.

2.2.1. In hoger beroep is niet opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen grond bestond om de gevraagde bouwvergunning te weigeren, zodat dat oordeel in rechte vaststaat.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 juli 2006 in zaak nr. 200508093/1) geldt de in artikel 52 van de Woningwet neergelegde aanhoudingsplicht indien voor de met het bouwen samenhangende verandering van de bestaande inrichting een vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is vereist. De aanhoudingsplicht geldt niet indien ten aanzien van de verandering toepassing is gegeven aan artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer.

2.2.2. De beoogde bouw is tevens aan te merken als het veranderen van een inrichting waarvoor een vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is vereist. Anders dan de rechtbank, is de Afdeling van oordeel dat de op 1 november 2001 ingediende aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer niet geacht kan worden mede betrekking te hebben op de stal waarvoor in juni 2003 bouwvergunning is aangevraagd. Daartoe overweegt de Afdeling dat deze aanvraag om een milieuvergunning, voor zover thans van belang, ziet op een jongveestal die is gesitueerd op de perceelsgrens, terwijl de aanvraag om bouwvergunning ziet op het oprichten van een jongveestal op een afstand van 2,5 m uit de perceelsgrens.

Nu voor de thans aan de orde zijnde verandering van de bestaande inrichting geen milieuvergunning is gegeven en voor die verandering evenmin toepassing is gegeven aan artikel 8.19, eerste lid, van de

Wet milieubeheer, gold zowel ten tijde van het besluit van 10 oktober 2005 als ten tijde van het besluit van 18 april 2006, ter zake van de op

19 juni 2003 door het college ontvangen bouwaanvraag een aanhoudingsplicht als bedoeld in artikel 52, eerste lid, van de Woningwet. Het college heeft bij het besluit van 18 april 2006 dan ook terecht het besluit omtrent die aanvraag alsnog aangehouden. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het betoog van [appellante] slaagt.

2.3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 18 april 2006 alsnog ongegrond verklaren.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2.5. Een redelijke toepassing van artikel 43, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat het door [appellante] betaalde griffierecht door de Secretaris van de Raad van State aan haar wordt terugbetaald.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 13 juni 2007 in zaak nr. 06/2862;

III. verklaart het door [wederpartij] bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. bepaalt dat de Secretaris van de Raad van State het door [appellante] voor de behandeling van haar hoger beroep betaalde griffierecht, ten bedrage van € 214,00 (zegge: tweehonderdveertien euro), terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Lodder

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2008

17-531.