Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC4696

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-02-2008
Datum publicatie
20-02-2008
Zaaknummer
200704436/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 mei 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Dalfsen (hierna: het college) [appellanten] onder oplegging van een dwangsom gelast voor 1 november 2006 de overtreding van artikel 15, onder A, gelezen in samenhang met artikel 3, onder D, van de voorschriften van het bestemmingsplan "De Stuw e.o." te beëindigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200704436/1.

Datum uitspraak: 20 februari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te Dalfsen,

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/2663 van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 21 mei 2007 in het geding tussen:

[appellanten],

en

het college van burgemeester en wethouders van Dalfsen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 mei 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Dalfsen (hierna: het college) [appellanten] onder oplegging van een dwangsom gelast voor 1 november 2006 de overtreding van artikel 15, onder A, gelezen in samenhang met artikel 3, onder D, van de voorschriften van het bestemmingsplan "De Stuw e.o." te beëindigen.

Bij besluit van 15 november 2006 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 mei 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de rechtbank) het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 juni 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 juli 2007 en 23 oktober 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 februari 2008, waar [appellanten], in persoon en bijgestaan door mr. J. Klazema, en het college, vertegenwoordigd door mr. S.P.M. Schaap, advocaat te Enschede, en ing. J. Webbink en W.N. de Vries, ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het bestemmingsplan "De Stuw e.o." dat in 1999 in werking is getreden, rust op het perceel [locatie] te Dalfsen (hierna: het perceel) de bestemming "verblijfsrecreatie". [appellanten] gebruiken de op het perceel gelegen recreatiewoning voor permanente bewoning, hetgeen in strijd is met artikel 15, onder A, gelezen in samenhang met artikel 3, onder D, van de planvoorschriften. Het college kon dan ook terzake handhavend optreden.

2.2. Dat, zoals [appellanten] betogen, de woning op het perceel in de toelichting op het bestemmingsplan wordt aangeduid als "woonhuis", doet aan de bevoegdheid van het college om handhavend op te treden niet af. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 februari 2005 in zaak nr. 200404104/1), maakt de toelichting geen deel uit van het bestemmingsplan. De rechtbank heeft dan ook terecht geconcludeerd dat aan de toelichting op zichzelf geen bindende betekenis toekomt en dat de plankaart en de planvoorschriften bepalend zijn.

2.3. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4. [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet meer handhavend mocht optreden. Daartoe voeren zij aan dat het college, hoewel het volgens het sinds 1 juli 1994 gevoerde beleid geen nieuwe gevallen van permanente bewoning van recreatiewoningen toestaat, gedurende enkele jaren niet tegen die bewoning heeft opgetreden.

2.4.1. Zelfs als [appellanten] moeten worden gevolgd in hun stelling dat het college bekend was met de permanente bewoning van recreatiewoningen in de gemeente Dalfsen, maar daartegen gedurende een periode van enkele jaren niet handhavend heeft opgetreden, kan daaruit niet worden afgeleid dat sprake is van een situatie waarin niet meer handhavend kan worden opgetreden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 juni 2007 in zaak nr. 200606995/1), is het enkele tijdsverloop daarvoor, ongeacht de duur ervan, onvoldoende. Nu het college nooit heeft aangegeven dat niet tegen de permanente bewoning van recreatiewoningen zou worden opgetreden, het [appellanten] er bij brief van 8 oktober 1996 zelfs uitdrukkelijk op heeft gewezen dat het permanente bewoning niet toestaat, heeft de rechtbank in het betoog van [appellanten] terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college niet meer handhavend mocht optreden.

Het betoog faalt.

2.5. Anders dan [appellanten] voorts betogen, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat zij aan de aanduiding "woonhuis" die in de toelichting op het bestemmingsplan aan hun recreatiewoning wordt gegeven, niet het rechtens te honoreren vertrouwen konden ontlenen dat niet handhavend zou worden opgetreden. Daarbij heeft zij terecht van belang geacht dat uit de plankaart duidelijk blijkt dat de woning de bestemming "verblijfsrecreatie" heeft en dat het bij onduidelijkheid over voormelde aanduiding op de weg van [appellanten] lag om navraag te doen bij het college, te meer nu het college bij brief van 8 oktober 1996 uitdrukkelijk heeft aangegeven dat het gebruik van de recreatiewoning voor permanente bewoning niet is toegestaan.

2.6. De omstandigheid dat met ingang van 1 juni 2007 een wijziging van artikel 20 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 in werking is getreden, waardoor, naar [appellanten] betogen, krachtens artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling kan worden verleend voor de permanente bewoning van de recreatiewoning, kan in deze procedure geen rol spelen, nu deze omstandigheid zich na het besluit op bezwaar heeft voorgedaan.

2.7. In de door [appellanten] gestelde persoonlijke omstandigheden heeft de rechtbank ten slotte terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden behoort te worden afgezien.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Van Roessel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2008

457.