Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC4691

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-02-2008
Datum publicatie
20-02-2008
Zaaknummer
200703919/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 juni 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hillegom (hierna: het college) [vergunninghoudster] vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het veranderen van een pand in een logiesgebouw op het perceel [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2008/1132
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703919/1.

Datum uitspraak: 20 februari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/1132 van de rechtbank 's-Gravenhage van 1 mei 2007 in het geding tussen:

[appellant],

en

het college van burgemeester en wethouders van Hillegom.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 juni 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hillegom (hierna: het college) [vergunninghoudster] vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het veranderen van een pand in een logiesgebouw op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 3 januari 2006 heeft het college het door [appellant] (hierna: [appellant]) daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 29 augustus 2006 heeft het college het besluit van 3 januari 2006 ingetrokken en het bezwaar van [appellant] wederom ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 mei 2007, verzonden op 8 mei 2007, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het door [appellant] tegen het besluit van 29 augustus 2006 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 juni 2007, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 februari 2008, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. E.C.M. Kingma en ing. G.A. Bijnsdorp, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door mr. J. Hiemstra, advocaat te Delft.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan "Treslong, omgeving Parklaan". Teneinde realisering van het bouwplan niettemin mogelijk te maken, heeft het college krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling verleend.

2.2. Voor zover [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de categorieën, aangegeven onder de benaming "Bijzondere verklaring van geen bezwaar" in onderdeel B van het beleid van gedeputeerde staten ten aanzien van de toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO, gepubliceerd in het Provinciaal Blad van Zuid-Holland van 6 juli 2006, slechts betrekking hebben op gebouwen met een niet-commerciële bestemming, faalt dat. De tekst van dat beleid geeft daarvoor geen enkele grond.

2.3. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen en dat zij dat oordeel niet deugdelijk heeft gemotiveerd.

2.3.1. De door [appellant] aangevoerde belangen zien er met name op dat geen inbreuk wordt gemaakt op zijn woongenot. De rechtbank is hier uitdrukkelijk op ingegaan, maar heeft in het betoog van [appellant] dat het gebruik van het pension tot overlast voor de omgeving zal leiden terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college niet in redelijk vrijstelling heeft kunnen verlenen. Daarbij heeft zij met juistheid mede in aanmerking genomen dat tussen het college en [vergunninghoudster] afspraken zijn gemaakt om mogelijke overlast tegen te gaan. Hoewel niet is uitgesloten dat het gebruik van het logiesgebouw een zekere hinder voor de omgeving tot gevolg kan hebben, is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat een onaanvaardbare situatie zal ontstaan.

In hetgeen door [appellant] naar voren is gebracht omtrent het bestaan van alternatieven in het buitengebied, heeft de rechtbank terecht evenmin aanleiding gezien voor de conclusie dat het college niet in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 juli 2007 in zaak nr. 200607908/1) heeft het college eerst en vooral te beslissen omtrent het bouwplan zoals dat is ingediend. Indien dit bouwplan op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Dat daarvan in dit geval sprake is heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt.

In de enkele stelling van [appellant] dat de commerciële activiteiten van [vergunninghoudster] ook kunnen worden ontplooid binnen de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, is voorts geen grond gelegen voor het oordeel dat het college na afweging van alle betrokken belangen geen doorslaggevende betekenis heeft kunnen toekennen aan de belangen die zijn gebaat bij het verlenen van vrijstelling. De stelling dat het college niet heeft aangetoond dat uitzendkrachten nodig zijn voor de instandhouding van de bollencultuur, biedt daarvoor evenmin grond. [vergunninghoudster] en het college hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat er in de betrokken regio vraag is naar uitzendkrachten in wier huisvesting met het bouwplan wordt voorzien.

De rechtbank heeft dan ook terecht geconcludeerd dat het college in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen. Voor het oordeel dat aan die conclusie niet een deugdelijke motivering ten grondslag ligt, bestaat geen grond. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de op de rechtbank rustende motiveringsplicht niet zover strekt dat zij gehouden is al hetgeen door [appellant] is aangevoerd afzonderlijk in de uitspraak op te nemen en te bespreken.

Het betoog faalt.

2.4. In hetgeen [appellant] voor het overige heeft aangevoerd, heeft de rechtbank terecht evenmin aanleiding gezien voor het oordeel dat het besluit op bezwaar niet in stand kan blijven.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Van Roessel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2008

457.