Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC4679

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-02-2008
Datum publicatie
20-02-2008
Zaaknummer
200703038/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 maart 2005 heeft verweerder het verzoek om handhaving op grond van de Natuurbeschermingswet afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703038/1.

Datum uitspraak: 20 februari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting "Stichting Werkgroep Behoud de Peel", gevestigd te Deurne,

appellante,

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 maart 2005 heeft verweerder het verzoek om handhaving op grond van de Natuurbeschermingswet afgewezen.

Bij besluit van 27 maart 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft verweerder het door appellante hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 27 april 2007, bij de Raad van State ingekomen op 27 april 2007, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 7 september 2007.

Bij brief van 18 juni 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 december 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door [voorzitter] van de stichting "Stichting Werkgroep Behoud de Peel", C.M. Menken en F.H.J.A. Kater, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. ing. H.D. Strookman en J.Th.M. Huinink, ambtenaren van het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 oktober 2005 zijn verschillende artikelen uit de Natuurbeschermingswet 1998 en de Wet van 20 januari 2005 tot wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 in verband met Europeesrechtelijke verplichtingen in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

2.2. Ten noordwesten van de gronden waarop de in het geding zijnde beregeningsput is gelegen, ligt op een afstand van ongeveer 1385 meter het gebied dat bekend staat als "de Bult", dat deel uitmaakt van het natuurgebied de Deurnse Peel. Het gebied de Deurnse Peel is bij besluit van 11 december 1980, kenmerk NLB/N-43947, respectievelijk 8 mei 1981, kenmerk NLB/BB/GA-41654, aangewezen als beschermd natuurmonument respectievelijk staatsnatuurmonument.

In het besluit van 11 december 1980 is vermeld dat het natuurmonument als vertegenwoordiger van het hoogveenlandschap door zijn uitgestrektheid en zijn nog grotendeels voedselarme karakter van grote betekenis is. In de toelichting bij het besluit van 11 december 1980 en het besluit van 8 mei 1981 is vermeld dat de Deurnse Peel een belangrijk onderdeel is van het Peelgebied, de zuidelijkste representant in Europa van de vlakke hoogvenen. Ten gevolge van vervenings- en landbouwactiviteiten is het oorspronkelijk zeer voedselarme hoogveengebied qua oppervlakte afgenomen en is het overgebleven deel in sterke mate van karakter veranderd. Door het verlagen van de grondwaterstand, het binnendringen van voedselrijk water en het grotendeels afgraven van de veenlaag, hebben in een groot gedeelte van het gebied voor het hoogveen kenmerkende plantensoorten moeten wijken voor soorten die in andere, voor deze tijd meer algemene milieus voorkomen. Tevens is in de toelichting vermeld dat onder meer het handhaven van de huidige waterhuishouding doorslaggevend is voor het behoud van het natuurmonument.

Bij besluit van 12 mei 1992 is de Deurnse Peel aangewezen als speciale beschermingszone als bedoeld in artikel 4 van de Vogelrichtlijn. Bij beschikking van 7 december 2004 heeft de Europese Commissie de Mariapeel en de Deurnse Peel geplaatst op de lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio.

2.3. Ingevolge artikel 4, vijfde lid, van de Habitatrichtlijn gelden, zodra een gebied op de communautaire lijst is geplaatst, voor dat gebied de bepalingen van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van die richtlijn.

Ingevolge artikel 7 van de Habitatrichtlijn, voor zover hier van belang, komen de uit artikel 6, leden 2, 3 en 4, voortvloeiende verplichtingen in de plaats van de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 4, lid 4, eerste zin van de Vogelrichtlijn voor wat betreft de speciale beschermingszones die overeenkomstig artikel 4, lid 4, eerste zin, van die Richtlijn zijn aangewezen.

Ingevolge artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn, voor zover hier van belang, wordt voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo’n gebied, een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Gelet op de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied en onder voorbehoud van het bepaalde in het vierde lid, geven de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor dat plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten.

Bij zijn arrest van 7 september 2004, in zaak C-127/02 (AB 2004, 365), heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen voor recht verklaard dat een plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een gebied, moet worden beschouwd als een plan of project dat significante gevolgen kan hebben voor het betrokken gebied wanneer het de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar dreigt te brengen. Dit moet met name worden beoordeeld in het licht van de specifieke milieukenmerken en omstandigheden van het gebied waarop het plan of project betrekking heeft.

2.4. Appellante stelt zich op het standpunt dat sprake is van een vergunningplicht voor de beregeningsput, nu deze put negatieve effecten kan hebben op "de Bult". Daartoe stelt zij zich op het standpunt dat het onderzoek dat binnen de eigen dienst van verweerder is opgesteld in het kader van dit verzoek om handhaving, niet is aan te merken als een hydrologisch onderzoek. Volgens appellante wordt in voornoemd onderzoek ten onrechte opgemerkt dat "de Bult" niet vergelijkbaar is met de Deurnse Peel en de Mariapeel. Omdat de abiotische omstandigheden van "de Bult" vergelijkbaar zijn met die van de Deurnse en Mariapeel dient, volgens appellante, ook voor "de Bult" te worden uitgegaan van een hydrologische beschermingszone van ten minste 1500 meter. Appellante stelt voorts dat een beter doorlatende ondergrond, waarvan rondom "de Bult" sprake is, juist een groter effect heeft op het grondwaterpeil en dat dit effect over grotere afstand merkbaar is. Tevens is, volgens appellante, onvoldoende bezien of sprake is van significante effecten, met name de mogelijke cumulatieve effecten. Ten slotte voert zij een aantal stellingen aan betreffende de Natuurbeschermingswet 1998.

2.5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat, samengevat weergegeven, de beregeningsput te ver weg is om via externe werking dan wel cumulatieve effecten, een effect te kunnen hebben op "de Bult". Voor dat gebied is niet in eerdere onderzoeken van Oranjewoud van 1993, 1998 en 2006 een hydrologische beschermingszone vastgesteld, waarvan hij bij vergunningverlening had kunnen uitgaan. Verweerder verwijst voor de effecten van de in het geding zijnde beregeningsput op "de Bult" naar een onderzoek dat binnen zijn ministerie is uitgevoerd in het kader van het verzoek om handhaving van appellanten. In de notitie "Benodigde hydrologische bufferzone rondom natuurgebied de Bult", van 12 oktober 2006, is, volgens verweerder, vermeld dat de bodem rondom "de Bult" zodanig afwijkt van de bodem rondom de Deurnse en Mariapeel dat het niet in de rede ligt om voor "de Bult" een even grote beschermingszone aan te houden als gebeurt voor de Deurnse en Mariapeel. Voorts concludeert de onderzoeker op grond van gegevens en rekenmethoden van TNO, dat de voorziene beregeningsput maar een effect zal hebben binnen een afstand van maximaal 480 meter. Omdat de put op 1385 meter van "de Bult" is voorzien, kan die put, volgens verweerder, geen effecten hebben op dat gebied. Hij stelt zich ten slotte op het standpunt dat geen sprake is van cumulatieve effecten.

2.6. Niet is in geschil dat "de Bult", anders dan de overige deelgebieden van de Deurnse Peel en de Mariapeel, geen deel heeft uitgemaakt van de onderzoeken van het bureau Oranjewoud uit 1993, 1998 en 2006 over de hydrologische beïnvloedingszones van voornoemde natuurgebieden en dat ten aanzien van "de Bult" dan ook niet zonder meer kan worden uitgegaan van de uit die onderzoeken voortvloeiende beschermingszones. Verweerder heeft daarom voornoemd onderzoek dat binnen zijn eigen dienst is opgesteld en de daarbij behorende notitie "Benodigde hydrologische bufferzone rondom natuurgebied de Bult", ten grondslag gelegd aan zijn besluit.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid dan wel de volledigheid van dat onderzoek. Daartoe acht de Afdeling van belang dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting voldoende is komen vast te staan dat, anders dan appellante veronderstelt, de geologische structuur van de ondergrond rondom "de Bult" verschilt van die rondom het centrale deel van de Deurnse Peel en de Mariapeel, nu rondom "de Bult" geen 'slecht doorlatende deklaag' in de bodem aanwezig is. Verweerder heeft dan ook geen aansluiting hoeven zoeken bij de hydrologische beschermingszone van 1500 tot 2000 meter die wordt aangehouden voor de Deurnse Peel en de Mariapeel, waar wel sprake is van een dergelijke deklaag. Voorts heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat het standpunt van verweerder op grond van bedoeld rapport dat een grondwateronttrekking nabij "de Bult" slechts over een beperkte afstand effect heeft wegens het ontbreken van een 'slecht doorlatende deklaag' in de bodem ter plaatse van "de Bult", onjuist is. De enkele stelling van appellante dat de effecten over een grotere afstand merkbaar zullen zijn, is daartoe onvoldoende. Gelet hierop heeft verweerder er dan ook in redelijkheid van uit kunnen gaan dat de beïnvloedingszone van de grondwateronttrekking ten hoogste 480 meter bedraagt.

De stukken en het verhandelde ter zitting geven evenmin aanleiding voor het oordeel dat verweerder de cumulatieve effecten van de grondwateronttrekking onvoldoende heeft bezien.

Nu de afstand van de grondwateronttrekking tot "de Bult", 1385 meter, veel groter is dan de beïnvloedingszone van 480 meter, heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat de grondwateronttrekking geen schadelijke effecten kan hebben voor het natuurschoon of voor de natuurwetenschappelijke betekenis van het natuurgebied de Deurnse Peel, specifiek "de Bult", en dat daarvoor derhalve geen vergunning is vereist ingevolge de Natuurbeschermingswet, zodat het verzoek om handhaving moet worden afgewezen.

2.7. Voor zover appellante verwijst naar de Nbw 1998 kan dat niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit, nu deze wet, zoals is weergegeven in overweging 2.1., niet op dit geding van toepassing is.

2.8. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met het recht. Verweerder heeft het verzoek om handhaving derhalve terecht afgewezen. Het beroep is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Voorzitter, en mr. M. Oosting en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Vogel-Carprieaux, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Vogel-Carprieaux

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2008

458.