Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC4665

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-02-2008
Datum publicatie
20-02-2008
Zaaknummer
200707560/3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 september 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Duiven (hierna: de raad) bij besluit van 18 april 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Kloosterkamp-Zuid" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707560/3.

Datum uitspraak: 15 februari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoekers], allen wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 september 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Duiven (hierna: de raad) bij besluit van 18 april 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Kloosterkamp-Zuid" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit hebben [verzoeker A], [verzoeker B] en [verzoeker C] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 oktober 2007, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 januari 2008, hebben [verzoeker A], [verzoeker B] en [verzoeker C] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 11 februari 2008, waar [verzoeker A], [verzoeker B] en [verzoeker C], en het college, vertegenwoordigd door P.G.A.L. Evers, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting gehoord de raad, vertegenwoordigd door drs. ing. S.R.J. Geertsen, ambtenaar in dienst van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan voorziet in de bouw van 150 woningen ten zuidwesten van de kern Duiven. De gronden binnen het plangebied zijn thans nagenoeg onbebouwd.

2.3. [verzoeker A], [verzoeker B] en [verzoeker C] betogen in beroep dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het gehele plan. Zij hebben hun verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening thans echter beperkt tot het gedeelte van het plan dat voorziet in de bouw van woningen naast en achter hun woonpercelen.

2.4. Bij uitspraak van 17 januari 2008 (zaakno. 200707560/2) heeft de voorzitter het eerdere verzoek van [verzoeker A], [verzoeker B] en [verzoeker C] tot het treffen van een voorlopige voorziening met betrekking tot het besluit van het college over het plan, afgewezen. Het onderhavige verzoek betreft derhalve een tweede verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ten aanzien van het besluit van het college.

2.5. Wat betreft het betoog van de raad dat het verzoek niet-ontvankelijk is omdat eerder door de voorzitter op een nagenoeg gelijkluidend verzoek van [verzoeker A] is beslist, overweegt de Afdeling dat hiervoor in de Algemene wet bestuursrecht, noch in enig ander wettelijk voorschrift een aanknopingspunt kan worden gevonden. Meer in het bijzonder staat artikel 8:81 van de Awb er niet aan in de weg dat een verzoek om voorlopige voorziening opnieuw wordt gedaan indien een belanghebbende meent dat daartoe gronden bestaan.

2.6. [verzoeker A], [verzoeker B] en [verzoeker C] betogen dat in de uitspraak van 17 januari 2008 is uitgegaan van onjuiste, dan wel onvolledige feiten.

2.6.1. Gebleken is dat ter plaatse van de woningen van [verzoeker A] en [verzoeker C] een maximale bouwhoogte geldt van 9 meter en dat ter plaatse van de woning van [verzoeker B] een maximale bouwhoogte van 11 meter in acht moet worden genomen. Het hoogteverschil tussen de maximale bouwhoogten van de woningen van [verzoeker A] en [verzoeker C] en de voorziene woningen bedraagt derhalve 3 meter en is derhalve groter dan waar in de uitspraak van 17 januari 2008 vanuit is gegaan.

Verder hebben [verzoeker A], [verzoeker B] en [verzoeker C] bezonningsstudies ingebracht ter onderbouwing van hun betoog dat het plan tot onaanvaardbare schaduwhinder bij hun woningen leidt. Ook de raad heeft, ter aanvulling op het in de uitspraak van 17 januari 2008 genoemde bezonningsschema, nadere bezonningsstudies ingebracht, waarin de schaduwsituatie op meer tijdstippen is bezien en waarin de uitgangspunten van die studie uiteen zijn gezet. Uit zowel de studie van [verzoeker A], [verzoeker B] en [verzoeker C] als de studie van de raad blijkt dat bij de woningen en in de tuinen van [verzoeker A], [verzoeker B] en [verzoeker C] schaduwhinder zal worden ondervonden, welke hinder zich met name in de namiddag en avond zal voordoen.

Anders dan [verzoeker A], [verzoeker B] en [verzoeker C] betogen, leiden deze omstandigheden naar het voorlopig oordeel van de voorzitter echter niet tot een ander oordeel dan in de uitspraak van 17 januari 2008 is neergelegd. Gebleken is dat de verhouding tussen de aan te houden afstand van de bestaande tot de voorziene woningen en de bouwhoogten van die woningen anders is dan waar de eerdere uitspraak vanuit ging. De voorzitter acht echter niet aannemelijk gemaakt dat de negatieve gevolgen van verwezenlijking van het plan voor [verzoeker A], [verzoeker B] en [verzoeker C], waaronder de te verwachten schaduwhinder, zodanig zwaar wegen dat sprake is van een onaanvaardbare situatie. De voorzitter ziet derhalve geen aanleiding voor de verwachting dat de Afdeling in de hoofdzaak tot het oordeel zal komen dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan weliswaar negatieve gevolgen voor [verzoeker A], [verzoeker B] en [verzoeker C] meebrengt, maar dat deze gevolgen geen onaanvaardbare aantasting van hun woon- en leefklimaat tot gevolg heeft.

2.7. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.E.T.Y.M. Moe Soe Let, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Moe Soe Let

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2008

481.