Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC4659

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-02-2008
Datum publicatie
20-02-2008
Zaaknummer
200800326/1 en 200800326/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 16 maart 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lingewaal (hierna: het college) onderscheidenlijk [appellanten] onder aanzegging van bestuursdwang gelast een schuur, een caravan, een keet, een konijnenhok en diverse andere bouwwerken, materiaal en materieel, van het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) te verwijderen, één en ander zoals is aangegeven op diverse foto's en een inventarislijst van 18 april 2006 en de foto's van het controlebezoek van 15 februari 2007.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200800326/1 en 200800326/2.

Datum uitspraak: 14 februari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/3955 van de rechtbank Arnhem van 4 december 2007 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Lingewaal.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 16 maart 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lingewaal (hierna: het college) onderscheidenlijk [appellanten] onder aanzegging van bestuursdwang gelast een schuur, een caravan, een keet, een konijnenhok en diverse andere bouwwerken, materiaal en materieel, van het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) te verwijderen, één en ander zoals is aangegeven op diverse foto's en een inventarislijst van 18 april 2006 en de foto's van het controlebezoek van 15 februari 2007.

Bij besluit van 14 augustus 2007 heeft het college de door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 december 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 januari 2008, hoger beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 januari 2008, hebben [appellanten] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 7 februari 2008, waar [appellanten], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door A.M. van Laar, ambtenaar van de gemeente, en G. Bel, wethouder van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Heukelum 1990" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden".

Ingevolge artikel 10 van de planvoorschriften zijn, voor zover hier van belang, de met deze bestemming aangewezen gronden bestemd voor akkerbouw, weidebouw, tuinbouw, kwekerij, veehouderij en pluimveehouderij en instandhouding van de aldaar voorkomende dan wel daaraan eigen bodemkundige, landschapsvisuele, cultuurhistorische en landschapsecologische waarden.

Ingevolge artikel 12, tweede lid, mogen, voor zover hier van belang, buiten bouwpercelen uitsluitend andere bouwwerken worden gebouwd waarvan de hoogte niet meer dan 2,5 meter mag bedragen.

Ingevolge artikel 64 is het verboden de in het plan begrepen gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de in het plan aan deze gronden gegeven bestemming en met het in of krachtens deze voorschriften ten aanzien van het gebruik van deze gronden en bouwwerken bepaalde.

Ingevolge artikel 65, eerste lid, voor zover hier van belang, is een verboden gebruik als bedoeld in artikel 64 in ieder geval het gebruik van onbebouwde gronden, andere dan de op de plankaart als "beschermde en staats- en natuurmonumenten" aangeduide, als stand- of ligplaats van mobiele kampeermiddelen, tenzij dit gebruik verband houdt met het op de bestemming gerichte beheer van de gronden en als opslag-, stort-, of bergplaats van machines, voer- en vaartuigen en andere al of niet afgedankte stoffen, voorwerpen en producten, tenzij dit gebruik verband houdt met het op de bestemming gerichte beheer van de gronden.

2.3. [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de schuur is gebouwd met bouwvergunning. Zij verwijzen hiertoe naar een besluit van het college van 27 oktober 1998 waarin aan de voormalige eigenaar van het perceel toestemming is verleend voor het, naast een reeds bestaande stal, tijdelijk - tot 1 november 2000 - plaatsen van twee mobiele paardenstallen. Zij voeren voorts aan dat verboden gebruik niet aan de orde is, omdat het gebruik van de schuur, caravan en andere bouwwerken verband houden met het op de bestemming gerichte beheer van de gronden als bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de planvoorschriften. Zij voeren daartoe aan dat de bouwwerken, alsmede het materieel en materiaal nodig zijn in verband met het agrarisch natuurbeheer van 4,3 hectare grond.

2.3.1. Anders dan [appellanten] betogen, valt uit het besluit van het college van 27 oktober 1998 niet op te maken dat het college voor de in geding zijnde schuur een bouwvergunning heeft verleend. Ook anderszins is niet gebleken dat hiervoor bouwvergunning is verleend. De rechtbank heeft terecht en op juiste gronden overwogen dat de schuur is opgericht zonder bouwvergunning en dat het college bevoegd was wegens strijd met het ten tijde van het besluit op bezwaar geldende artikel 40, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet daartegen handhavend op te treden. Dat de schuur door de voormalige eigenaar van het perceel is opgericht en [appellanten] bij de aankoop van het perceel, inclusief opstallen, niet hebben kunnen achterhalen of voor de schuur bouwvergunning was verleend, kan aan de bevoegdheid van het college om handhavend op te treden tegen het in stand laten van bouwwerken die zonder of in afwijking van een verleende bouwvergunning zijn gebouwd, niet afdoen.

Verder staat vast dat de twee voormalige paardenstallen, de stacaravan, de caravan en de bouwkeet zonder bouwvergunning zijn gebouwd. Anders dan [appellanten] betogen, is voor de caravan een bouwvergunning vereist, omdat de caravan gelet op artikel 1, aanhef en onder d, van de planvoorschriften een bouwwerk is in de zin van die voorschriften en de uitzondering van artikel 40, tweede lid, van de Woningwet zich niet voordoet omdat de caravan niet is geplaatst in overeenstemming met de Wet op de openluchtrecreatie.

2.3.2. Met inroepen van de uitzondering van artikel 65, eerste lid, van de planvoorschriften hebben [appellanten] betoogd dat het gebruik van de schuur als woning noodzakelijk is in verband met het houden van toezicht op de op het perceel aanwezige schapen. Dat betoog slaagt niet, reeds omdat [appellant A] ter zitting heeft toegegeven dat voor het houden van schapen permanente bewoning op het perceel niet noodzakelijk is.

Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college bevoegd was handhavend op te treden tegen het gewraakte gebruik van het perceel. Gelet op de aard en de staat van het op het perceel aanwezige materiaal en materieel en de overige bouwwerken is het niet aannemelijk dat het gebruik hiervan verband houdt met het beheer van de gronden en is gericht op de instandhouding van de aldaar voorkomende dan wel daaraan eigen bodemkundige, landschapsvisuele, cultuurhistorische en landschapecologische waarden, als bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de planvoorschriften. Het betoog faalt.

2.3.3. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat is gehandeld in strijd met 40, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet en met de artikelen 64 en 65 van de planvoorschriften, zodat het college terzake handhavend kon optreden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4. [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college van handhavend optreden had behoren af te zien omdat het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel zich daartegen verzet.

2.4.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat geen vertrouwen kan worden ontleend aan de omstandigheid dat [appellanten] hebben voldaan aan de aanschrijving bestuursdwang van het college om de bewoonde schuur binnen drie weken aan te passen aan de brandveiligheidseisen uit het Bouwbesluit, omdat dit niet betekent dat bewoning in strijd met het bestemmingsplan daarmee is toegestaan. Bovendien heeft het college in voormelde aanschrijving bestuursdwang uitdrukkelijk aangegeven dat naast deze aanschrijving een handhavingstraject zal worden opgestart betreffende de bewoning van de schuur en de aanwezigheid van de overige bouwwerken, materiaal en materieel en dat de te treffen maatregelen erop gericht zijn een zo veilig mogelijke situatie te scheppen, hangende het tweede handhavingstraject.

Met de op 27 oktober 1998 verleende toestemming voor het tijdelijk plaatsen van twee mobiele paardenstallen naast een bestaande schuur, noch met het nemen van een huisnummerbesluit en een besluit in het kader van de Wet waardering onroerende zaken, heeft het college het gerechtvaardigd vertrouwen opgewekt dat niet handhavend zal worden opgetreden. Voor zover al uit de toestemming van 27 oktober 1998 kan worden afgeleid dat het college op de hoogte was van de aanwezigheid van de schuur op het perceel, kan, mede gelet op het verhandelde ter zitting, niet worden aangenomen dat het stilzitten van het college voortvloeide uit een bewust gedogen van de met het bestemmingsplan strijdige situatie. Geen aanknopingspunt bestaat voor het oordeel dat [appellanten] het gerechtvaardigd vertrouwen mochten hebben dat dit anders zou zijn. In dit verband is van belang dat zij de schuur in 2001 zijn gaan bewonen en het college het tegengaan van bewoning in gebieden die niet voor bewonen zijn bestemd tot eerste prioriteit heeft gesteld van zijn handhavingsbeleid. Ter zitting heeft het college toegelicht dat het bewonen van de schuur aanleiding is geweest om handhavend op te treden.

Voor zover [appellanten] aanvoeren dat de rechtbank heeft miskend dat het college van handhavend optreden had behoren af te zien omdat het college bij brief van 27 oktober 2004 heeft medegedeeld dat, nu in het gemeentelijk archief geen gegevens bekend waren omtrent het moment van de bouw van de schuur, er van uit wordt gegaan dat de schuur onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan valt, faalt ook dat betoog. De rechtbank heeft terecht overwogen dat dit geen ongeclausuleerde toezegging van het college inhoudt dat nimmer handhavend zal worden opgetreden. [appellant A] heeft op 4 januari 2006 zelf een luchtfoto uit 1995 overgelegd, waaruit blijkt dat toen op het perceel geen bouwwerken aanwezig waren. Hieruit volgt dat de schuur nog niet aanwezig was en derhalve niet onder het overgangsrecht valt.

2.4.2. Voorts is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat het beroep van [appellanten] op het gelijkheidsbeginsel faalt. Nog daargelaten of alle bouwwerken op het naastgelegen volkstuinencomplex zonder bouwvergunning zijn opgericht, kan, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld de uitspraak van 12 september 1996 in zaak nr. H01950524; JB 1996, 243), een beroep op het gelijkheidsbeginsel niet leiden tot verlening van een bouwvergunning in strijd met de wet. Ook in zoverre het beroep op het gelijkheidsbeginsel ziet op het optreden tegen het gebruik, is niet sprake van gelijke gevallen, omdat de bouwwerken op het volkstuinencomplex niet worden bewoond en, zoals onder 2.4.1 is overwogen, het tegengaan van bewoning in gebieden die niet voor wonen zijn bestemd, de eerste prioriteit in het handhavingsbeleid van het college is.

2.4.3. Het betoog dat de rechtbank heeft miskend dat de aanschrijving, voor zover deze betrekking heeft op het verwijderen van de schuur, onevenredig is in verhouding tot het daarmee te dienen doel, faalt eveneens. Zowel het oprichten als het gebruik van de schuur als woning is immers in strijd met onderscheidenlijk de Woningwet en het bestemmingsplan. Het college is niet bereid vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat niet valt in te zien dat het college hetzelfde resultaat kan bereiken met een minder ingrijpende last.

2.4.4. Anders dan [appellanten] betogen, zijn er geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de begunstigingstermijn van drie maanden, welke nog met twee maanden is verlengd, te kort is. Niet kan worden staande gehouden dat binnen deze termijn de bouwwerken, het materiaal en materieel niet zorgvuldig kunnen worden verwijderd. Voor zover wordt betoogd dat met de effectuering van de bestuursdwang het voortplantingswater en de habitat van salamanders, kikkers en padden teniet worden gedaan en in strijd met de artikelen 9 tot en met 12 van de Flora- en Faunawet zal worden gehandeld, faalt ook dat betoog, nu dit de uitvoering van de last betreft, hetgeen in deze procedure niet aan de orde is.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Van Driel

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2008

414.