Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC4657

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-02-2008
Datum publicatie
20-02-2008
Zaaknummer
200708244/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 september 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Giessenlanden (hierna: de raad) bij besluit van 11 januari 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Schelluinen-West".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200708244/2.

Datum uitspraak: 14 februari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

1. [verzoekers sub 1], beiden wonend te [woonplaats],

2. [verzoekers sub 2], wonend te [woonplaats],

3. de stichting "Stichting ter behoud van de leefbaarheid in Giessenlanden", gevestigd te Schelluinen, gemeente Giessenlanden,

verzoekers,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 september 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Giessenlanden (hierna: de raad) bij besluit van 11 januari 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Schelluinen-West".

Tegen dit besluit hebben [verzoekers sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 november 2007, [verzoekers sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 december 2007, en de stichting "Stichting ter behoud van de leefbaarheid in Giessenlanden" (hierna: de stichting) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 december 2007, beroep ingesteld.

Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld hebben [verzoekers sub 2] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brieven, bij de Raad van State ingekomen op 27 november 2007 en 12 december 2007, hebben [verzoekers sub 1] respectievelijk de stichting de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 1 februari 2008, waar [verzoekers sub 1], in de persoon van [verzoeker sub 1A, [verzoekers sub 2], beiden in persoon, de stichting, vertegenwoordigd door [voorzitter] en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. J.H.M. Hemelaar, ambtenaar in dienst van de provincie, en bijgestaan door ir. M.H. Bovy, zijn verschenen. Voorts zijn als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door mr. R.J.J. Aerts en mr. R.D. Reinders, beiden advocaat te Den Haag, [medewerker] bij KEMA Nederland B.V. (hierna: KEMA) en mr. E.A. Schep, ambtenaar in dienst van de gemeente, en de Regionale Ontwikkelingsmaatschappij Schelluinen-West (hierna: ROM-S), vertegenwoordigd door mr. E. Broeren, advocaat te Breda, en [directeur].

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan maakt de ontwikkeling mogelijk van een 35 hectare groot bedrijventerrein voor transportbedrijven. Met het plan is beoogd om het Groene Hart te ontlasten van ongewenste transportbedrijven en transportbewegingen door transportbedrijven vanuit de knelpuntsituaties in de regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden naar dit bedrijventerrein te verplaatsen.

Het plangebied ligt westelijk van de kern Schelluinen en de provinciale weg N216, ten noorden van de Betuwelijn en ten oosten en zuiden van de landscheiding.

2.3. Ter zitting is gebleken dat [verzoekers sub 1] en [verzoeker sub 2A] in de kern van Schelluinen wonen, op ongeveer 550 meter van het plan. Goorden woont op ongeveer 2,5 kilometer ten noorden van het plan, langs de N216.

De voorzitter overweegt dat de vraag naar de ontvankelijkheid van de beroepen van verzoekers in de bodemprocedure aan de orde zal komen. Die procedure is bij uitstek geschikt om deze vraag verder te onderzoeken en tot een antwoord daarop te komen.

2.4. [verzoekers sub 1], [verzoekers sub 2] en de stichting stellen zich op het standpunt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. Met hun verzoeken beogen zij, zo is ter zitting gebleken, met name te voorkomen dat bouwvergunningen zullen worden verleend.

Zij voeren met betrekking tot de in het kader van de totstandkoming van het plan uitgevoerde luchtkwaliteitsonderzoeken onder meer aan dat zelfs volgens het meest recente rapport van KEMA van 9 augustus 2006 de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide ter plaatse van de A15 ter hoogte van het plan in 2010 wordt overschreden.

2.4.1. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: het Blk 2005) nemen bestuursorganen bij de uitoefening van bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, de in dit besluit gestelde grenswaarden met betrekking tot zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10), lood, koolmonoxide en benzeen in acht.

2.4.2. Tussen partijen is met name in geschil of na verwezenlijking van het plan zal worden voldaan aan de in het Blk 2005 opgenomen grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie voor stikstofidioxide. In navolging van de gemeenteraad heeft het college zich op het standpunt gesteld dat uit het onderzoek van KEMA valt op te maken dat zal worden voldaan aan het Blk 2005.

De voorzitter overweegt dienaangaande dat uit het rapport volgt dat de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie voor stikstofidioxide op een afstand van 2,7 meter van de wegrand van de A15 wordt overschreden. In het rapport is hieraan geen overwegende betekenis toegekend omdat zich daar de vangrail, het talud of een groenstrook bevindt zodat geen blootstelling van personen zal plaatsvinden. Naar het oordeel van de voorzitter bestaat evenwel gerede twijfel over de vraag of in die situatie geen sprake is van een overschrijding van de jaargemiddelde grenswaarde voor stikstofdioxide. Ter beantwoording van deze vraag acht de voorzitter nader onderzoek nodig, waartoe de voorlopige voorzieningenprocedure zich niet leent.

Nu voorts op basis van het plan bouwvergunningen kunnen worden verleend en een onomkeerbare situatie kan ontstaan na onmiddellijke inwerkingtreding van het bestemmingsplan, ziet de voorzitter aanleiding de goedkeuring van het bestemmingsplan te schorsen. Het verlenen van bouwvergunningen is immers onwenselijk zolang onduidelijkheid bestaat omtrent de rechtmatigheid van het besluit van het college. Nu ROM-S ter zitting bovendien heeft gesteld dat pas in januari 2009 zal worden begonnen met de uitgifte van de gronden, zal een schorsing van het bestreden besluit niet tot vertragingen in de voorbereidingen hoeven te leiden. In dit verband is tevens van belang dat een schorsing van het bestreden besluit niet tot gevolg heeft dat het bouwrijp maken van de gronden moet worden gestaakt, nu hiervoor overeenkomstig artikel 19, tweede lid, van de WRO een vrijstelling is verleend.

2.5. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 11 september 2007, kenmerk PZH-2007-413778;

II. gelast dat de provincie Zuid-Holland aan verzoekers het door hen voor de behandeling van de verzoeken betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) voor [verzoekers sub 1], € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) voor [verzoekers sub 2] en € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) voor de stichting vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat.

w.g. Hennekens w.g. Matulewicz

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2008

45-559.