Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC4646

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-02-2008
Datum publicatie
20-02-2008
Zaaknummer
200608145/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 februari 2006 heeft raad van de gemeente Putten (hierna: de raad) het bestemmingsplan "Westelijk Buitengebied" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 28
Natuurbeschermingswet 1998
Natuurbeschermingswet 1998 19j
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/211
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200608145/1.

Datum uitspraak: 20 februari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "RGV Holding B.V.", gevestigd te Arnhem,

4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Sauna Drome Holding B.V.", gevestigd te Putten,

6. [appellanten sub 6], beiden wonend te [woonplaats],

7. de coöperatieve vereniging met uitgesloten aansprakelijkheid "De Zilverspar U.A.", gevestigd te Putten, en anderen,

8. [appellant sub 8], wonend te [woonplaats],

9. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Albouw B.V.", gevestigd te Putten,

10. [appellant sub 10], wonend te [woonplaats],

11. [appellant sub 11], wonend te [woonplaats],

12. [appellant sub 12], wonend te [woonplaats],

13. [appellant sub 13], wonend te [woonplaats],

14. [appellant sub 14], wonend te [woonplaats],

15. [appellant sub 15], wonend te [woonplaats],

16. de raad van de gemeente Putten,

17. [appellante sub 17], gevestigd te [plaats], en anderen,

18. [appellant sub 18], wonend te [woonplaats],

19. [appellant sub 19], wonend te [woonplaats],

20. [appellant sub 20], wonend te [woonplaats],

21. [appellante sub 21], waarvan de vennoten zijn [vennoot a], [vennoot b] en [vennoot c], allen wonend te [plaats],

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

het college van gedeputeerde staten van Flevoland,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 februari 2006 heeft raad van de gemeente Putten (hierna: de raad) het bestemmingsplan "Westelijk Buitengebied" vastgesteld.

Bij besluit van 17 oktober 2006, kenmerk 2006-008331, heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) ingevolge artikel 28 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) beslist over de goedkeuring van het plan. Bij dit besluit heeft het college tevens ingevolge artikel 19j van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) beslist over de goedkeuring van het plan voor zover het gaat om de mogelijke gevolgen voor de speciale beschermingszones "Arkenheem" en "Veluwe".

Bij besluit van 13 februari 2007, kenmerk 454727, heeft het college van gedeputeerde staten van Flevoland ingevolge artikel 19j van de Nbw 1998 beslist over de goedkeuring van het plan voor zover gaat om de mogelijke gevolgen voor de speciale beschermingszone "Wolderwijd en Nuldernauw".

Tegen deze besluiten over de goedkeuring van het plan hebben appellanten beroep ingesteld.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 26 juni 2007. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Er zijn nadere stukken ontvangen van een aantal partijen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 januari 2008, waar appellanten - met uitzondering van [appellant sub 4], [appellant sub 10] en [appellant sub 19] - het college alsmede het college van gedeputeerde staten van Flevoland in persoon zijn verschenen of zich hebben doen vertegenwoordigen.

Verder zijn [partij a], [partij b] alsmede [partij c] en anderen in persoon verschenen of hebben zich doen vertegenwoordigen. Zij zijn, evenals de raad, als partijen gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht. Ingevolge de Nbw 1998 rust in het voorliggende geval zowel op het college als op het college van gedeputeerde staten van Flevoland de taak om te bezien of het plan niet in strijd is met het bepaalde in artikel 19j, eerste en derde lid, van de Nbw 1998.

2.2. Het plan voorziet in een planologische regeling voor het westelijk deel van het buitengebied van de gemeente Putten. Voor dit gedeelte van Putten gold eerder het bestemmingsplan "Buitengebied" van 27 augustus 1970 dat nadien een aantal keer partieel is herzien.

Ontvankelijkheid

2.3. [partij b] voert aan dat het beroep van de raad niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien het beroep namens de raad niet door het college van burgemeester en wethouders, maar door mr. R. Snel, advocaat te Groningen, is ingediend.

De Afdeling stelt vast dat het beroep namens de raad door college van burgemeester en wethouders bij faxbericht, bij de Raad van State ingekomen op 13 december 2006, is ingediend. Daarna heeft mr. R. Snel de gronden van dit beroep namens de raad aangevuld. Hetgeen [partij b] heeft aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat het beroep van de raad niet-ontvankelijk is.

2.4. Het beroep van [appellant sub 19] voor zover gericht tegen de goedkeuring van artikel 13, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover daarin is bepaald dat het aantal bedrijfswoningen niet meer mag bedragen dan het bestaande aantal, steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze of op een bij het college ingebrachte bedenking. Het beroep van [appellant sub 20] voor zover gericht tegen het plandeel met de bestemming "Wonen" dat ziet op het perceel Beekweg 16, steunt evenmin op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze of op een bij het college ingebrachte bedenking.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, van de WRO en artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot goedkeuring van het college, voor zover dit beroep de goedkeuring van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft, die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan bij de raad naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden en die de belanghebbende in een tegen het vastgestelde plan bij het college ingebrachte bedenking heeft bestreden. Dit is slechts anders voor zover de raad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht, dan wel indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig bedenkingen heeft ingebracht. Geen van deze omstandigheden doet zich voor. De beroepen van [appellant sub 19] en [appellant sub 20] zijn in zoverre niet-ontvankelijk.

Het beroep van [appellant sub 1]

2.5. Appellant voert primair aan dat ten onrechte niet is tegemoet gekomen aan zijn verzoek om één nieuwe burgerwoning op het perceel [locatie] toe te staan. Subsidiair betoogt appellant dat ten onrechte niet alle op voormeld perceel aanwezige zomerhuisjes als zodanig zijn bestemd.

2.5.1. Plankaart 2 kent aan het grootste gedeelte van perceel [locatie] de bestemming "Natuur- en bosgebied" toe. Aan een klein gedeelte van het perceel kent de plankaart de bestemming "Verblijfsrecreatie" en de aanduiding "recreatiewoningen (vrw)" toe.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de op de plankaart als "Natuur- en bosgebied" aangegeven gronden bestemd voor behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn op de plankaart als "Verblijfsrecreatie" aangegeven gronden bestemd voor verblijfsrecreatie met dien verstande dat in het geval van de aanduiding "vrw" recreatiewoningen zijn toegestaan.

Ingevolge artikel 8, tweede lid, onder b, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn op de gronden aangeduid met "vrw" uitsluitend recreatiewoningen met bijgebouwen en andere bouwwerken toegestaan, met dien verstande dat het aantal per bestemmingsvlak niet groter is dan één.

2.5.2. Blijkens de stukken zijn in het begin van de jaren zeventig van de vorige eeuw zonder bouwvergunning recreatieve voorzieningen, waaronder een aantal zomerhuisjes, op het perceel [locatie] geplaatst. De raad en het college zijn met appellant van mening dat de zomerhuisjes vielen onder het in het voorheen geldende plan opgenomen bouwovergangsrecht.

Vaststaat dat na 1999 nog slechts één zomerhuisje werd gebruikt voor recreatieve doeleinden. Het gebruik van de overige zomerhuisjes is destijds beëindigd. Gelet hierop viel vanaf 1999 uitsluitend het gebruik van één zomerhuisje onder het gebruiksovergangsrecht van het voorheen geldende plan. Dat zoals appellant heeft betoogd het gebruik van de overige zomerhuisjes in overleg met de gemeente Putten is gestaakt, is daarbij niet van belang.

Mede gelet op de hiervoor beschreven situatie heeft de raad één zomerhuisje als zodanig bestemd door aan een klein gedeelte van het perceel [locatie] de bestemming "Verblijfsrecreatie" en de aanduiding "recreatiewoningen (vrw)" toe te kennen. Aan het overige gedeelte van het perceel heeft de raad de bestemming "Natuur- en bosgebied" toegekend. Het verzoek van appellant om één nieuwe burgerwoning toe te staan, heeft de raad niet gehonoreerd.

2.5.3. Het beleid van het college is er primair op gericht om de totstandkoming van burgerwoningen in het buitengebied tegen te gaan. Het beroep van appellant op het overgangsrecht van het voorheen geldende plan leidt niet tot het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen vasthouden aan dit beleid en heeft kunnen instemmen met de door de raad getroffen planologische regeling voor het perceel [locatie]. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het overgangsrecht van het voorheen geldende plan geen recht geeft op een op de zomerhuisjes toegesneden bestemming, nu de bedoeling van dit overgangsrecht was dat de recreatieve activiteiten op het perceel [locatie] op termijn zouden worden beëindigd.

Het college heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat het plan, voor zover thans aan de orde, niet in strijd met het vertrouwensbeginsel is vastgesteld. Voor zover de door appellant genoemde omstandigheden dat niet handhavend is opgetreden tegen de zomerhuisjes, medewerking is verleend aan de exploitatie, op 24 augustus 2005 een gesprek met de wethouder met de portefeuille ruimtelijke ordening heeft plaatsgevonden en het archief is onderzocht - wat daarvan ook zij - al als toezeggingen kunnen worden beschouwd, is niet gebleken dat deze aan de raad zijn toe te rekenen.

2.5.4. De conclusie is dat hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het besluit van het college in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.5.5. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van[appellant sub 2]

2.6. Appellant kan zich niet verenigen met de bij het plan voorziene uitbreiding van de [camping] aan de [locatie]. Hij voert aan dat de ruimtelijke onderbouwing van de uitbreiding van de camping tekort schiet en dat ten onrechte niet is onderzocht of deze past binnen de normen van het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: het Blk 2005). Verder voert appellant aan dat de in artikel 30 van de planvoorschriften opgenomen wijzigingsbevoegdheden ten onrechte zijn gekoppeld aan het begrip "zwermgebied".

2.6.1. De plankaart kent aan de gronden alwaar de camping ligt de bestemming "Verblijfsrecreatie" en de aanduiding "mobiele kampeermiddelen, recreatiewoningen en stacaravans (vrws)" toe.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn op de plankaart als "Verblijfsrecreatie" aangegeven gronden bestemd voor verblijfsrecreatie. Op gronden aangeduid met "vrws" is uitsluitend de bedrijfsmatige exploitatie van kampeermiddelen, recreatiewoningen, stacaravans en bijbehorende voorzieningen toegestaan. Blijkens de in dit planvoorschrift opgenomen tabel zijn op [camping] 0 recreatiewoningen, 75 stacaravans en 1 bedrijfswoning toegestaan.

2.6.2. Het voorheen geldende plan kende aan gronden ter plaatse van de camping de bestemming "Recreatieve doeleinden" toe. Aan de gronden aan de zuidoostzijde van de camping, die volgens het deskundigenbericht een oppervlakte beslaan van circa één hectare, kende het voorheen geldende plan de bestemming "Agrarische doeleinden IV" toe. Thans is aan al deze gronden de bestemming "Verblijfsrecreatie" toegekend, zodat het oppervlak voor de camping met circa één hectare is vergroot. Het aantal toegestane kampeermiddelen is bestemd overeenkomstig de bestaande situatie, zodat geen sprake is van een toename van het aantal kampeermiddelen dat ten hoogste is toegestaan.

Van de zijde van de raad is uiteengezet dat de vergroting van het oppervlak nodig is om in de toekomst eventueel, na wijziging van het plan, een (gedeeltelijke) herinrichting van de camping mogelijk te maken. Hetgeen appellant heeft aangevoerd, leidt niet tot de conclusie dat het college niet in redelijkheid met deze ruimtelijke onderbouwing heeft kunnen instemmen. Hetgeen appellant heeft aangevoerd leidt evenmin tot het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bestreden plandeel niet in strijd met het Blk 2005 is. De vergroting van het oppervlak van de camping kan als zodanig geen gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit, nu het aantal kampeermiddelen, en daarmee samenhangend het aantal vervoerbewegingen, is bestemd overeenkomstig de bestaande situatie.

2.6.3. Artikel 30 van de planvoorschriften bevat een aantal wijzigingsbevoegdheden. Deze wijzigingsbevoegdheden zijn van toepassing binnen de deelgebieden zoals aangegeven op de 'kaart ontwikkelingsvisie' voor zover deze deelgebieden worden aangewezen in de tabel die in voormeld artikel is opgenomen. In de tabel en op de 'kaart ontwikkelingsvisie' wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende deelgebieden waaronder een intensief en een extensief rood zwermgebied.

De nummering van de deelgebieden van de in artikel 30 van de planvoorschriften opgenomen tabel komt, anders dan appellant heeft gesteld, overeen met de nummering op de 'kaart ontwikkelingsvisie'. De Afdeling ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd verder geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het begrip zwermgebied rechtsonzeker is. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het begrip in artikel 30 van de planvoorschriften uitsluitend dient om aan te geven waar binnen het plangebied van bepaalde wijzigingsbevoegdheden gebruik kan worden gemaakt.

2.6.4. De conclusie is dat hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het besluit van het college in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.6.5. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van RGV Holding B.V.

2.7. Appellante kan zich niet verenigen met de gedeeltelijke onthouding van goedkeuring aan artikel 9, tweede, vierde en vijfde lid, van de planvoorschriften. Daartoe voert zij aan dat geen significante gevolgen te verwachten zijn voor de speciale beschermingszone "Wolderwijd en Nuldernauw".

2.7.1. Het college van gedeputeerde staten van Flevoland heeft ingevolge artikel 19j van de Nbw 1998 en het college ingevolge artikel 28 van de WRO gedeeltelijke goedkeuring onthouden aan artikel 9, tweede, vierde en vijfde lid, van de planvoorschriften. Het gaat om de in tweede lid neergelegde bebouwingsbepaling op grond waarvan op gronden met de bestemming "Dagrecreatie" en de aanduiding "strand (rs)" de volgende nieuwe gebouwen mogen worden opgericht:

- een toiletgebouw met een oppervlak van maximaal 40 m2 en een hoogte van maximaal 3,5 meter;

- maximaal twee kiosken, elk met een maximale omvang van 300 m2, waarvan ten hoogste 50% mag worden gebruikt ten behoeve van strandgerelateerde horeca en ten hoogste 50% voor verhuur van strand- en sportartikelen.

Verder gaat het om de in het vierde lid neergelegde mogelijkheid om van de in het tweede lid opgenomen bebouwingsbepalingen vrijstelling te verlenen voor het vergroten van de bestaande oppervlakte met 25% alsmede om de in het vijfde lid neergelegde mogelijkheid om vrijstelling te verlenen van de algemene gebruiksbepaling zodat een andere vorm van dagrecreatie kan worden toegestaan dan blijkens de aanduidingen "strand (rs)", "evenemententerrein (re)" en "jachthaven (rj)" op de plankaart is toegestaan.

2.7.2. Bij besluit van 24 maart 2000 is het gebied "Wolderwijd en Nuldernauw" aangewezen als speciale Beschermingszone als bedoeld in artikel 4, eerste en tweede lid, van de Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand. De voor de speciale beschermingszone kwalificerende vogelsoorten zijn de kleine zwaan en de tafeleend die het gebied benutten als overwinteringsgebied en/of als rustplaats.

De gedeeltelijke onthouding van goedkeuring aan artikel 9, tweede, vierde en vijfde lid, van de planvoorschriften is van belang voor een viertal op plankaart 1 te onderscheiden plandelen met de bestemming "Dagrecreatie" en de aanduidingen "strand (rs)", "jachthaven (rj)" of "evenemententerrein (re)". Deze plandelen liggen ter hoogte van strand Nulde dat grenst aan de speciale beschermingszone "Wolderwijd en Nuldernauw". Gelet hierop kan naar het oordeel van de Afdeling niet worden uitgesloten dat het plan, voor zover thans aan de orde, gelet op de instandhoudingsdoelstelling voor de speciale beschermingszone, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dit gebied kan verslechteren of een verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor dit gebied is aangewezen, zoals neergelegd in artikel 19j, eerste lid, van de Nbw 1998.

Ingevolge artikel 19j, derde lid, van de Nbw 1998, dient een bestuursorgaan bij de vaststelling van een plan als bedoeld in het eerste lid, ongeacht de beperkingen in het wettelijk voorschrift waarop dat besluit berust, de zogenoemde habitattoets uit te voeren. Vast staat dat een habitattoets overeenkomstig de artikelen 19e tot en met 19h van de Nbw 1998 in dit geval niet is uitgevoerd. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat een dergelijke toets in dit geval niet nodig is, omdat significante gevolgen voor de speciale beschermingszone zijn uitgesloten. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in het plan niet is vastgelegd waar op het strand Nulde nieuwe gebouwen mogen worden opgericht, zodat op voorhand geen duidelijkheid bestaat over de gevolgen daarvan in combinatie met andere projecten of handelingen. Dat appellante alleen een aantal bestaande kiosken en toiletgebouwen op strand Nulde wil vervangen, is daarbij niet van belang, aangezien artikel 9 van de planvoorschriften betrekking heeft op meer dan alleen de vervanging van deze bestaande gebouwen.

2.7.3. De conclusie is dat het college van gedeputeerde staten van Flevoland terecht ingevolge artikel 19j van de Nbw 1998 gedeeltelijke goedkeuring heeft onthouden aan artikel 9, tweede, derde en vijfde lid, van de planvoorschriften. Nu artikel 9, tweede, derde en vijfde lid, van de planvoorschriften in zoverre in strijd met het recht is, heeft het college terecht aanleiding gezien om ingevolge artikel 28 van de WRO goedkeuring te onthouden aan dit planonderdeel.

2.7.4. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 4]

2.8. Appellante voert aan dat de woning [locatie] moet worden bestemd als burgerwoning.

2.8.1. Plankaart 5 kent aan de gronden ter plaatse van de woning [locatie] de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarde" en de aanduiding "middelgroot agrarisch bedrijf (am)" toe.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn op de plankaart als "Agrarisch gebied met landschappelijke waarde" aangegeven gronden bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf. Het aantal bedrijfswoningen mag niet meer bedragen dan het bestaande aantal, zoals weergegeven in bijlage 5 'Status woningen in agrarische bouwpercelen".

2.8.2. De raad heeft de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarde" en de aanduiding "middelgroot agrarisch bedrijf (am)" toegekend, omdat de woning [locatie] deel zou uitmaken van een ter plaatse bestaand agrarisch bedrijf. Uit het deskundigenbericht volgt evenwel dat de woning [locatie] thans wordt gebruikt als burgerwoning en dat het naastgelegen agrarisch bedrijf van [eigenaar] aan de [locatie] in 2002 is beëindigd. Er is verder geen sprake meer van een milieuvergunning ingevolge de Wet milieubeheer die geldt voor [locatie] en/of [locatie].

2.8.3. De conclusie is dat hetgeen appellante heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarde" en aanduiding "middelgroot agrarisch bedrijf (am)" dat ziet op de woning [locatie] is vastgesteld in strijd met de bij het nemen van het besluit te betrachten zorgvuldigheid. Door niettemin in zoverre aan het plan goedkeuring te verlenen, heeft het college gehandeld in strijd met artikel 3:2 in samenhang bezien met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.8.4. Het beroep is gegrond, zodat het besluit van het college dient te worden vernietigd voor zover daarbij ingevolge artikel 28 WRO goedkeuring is verleend aan voormeld plandeel. Nu er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, ziet de Afdeling aanleiding om in zoverre aan het plan goedkeuring te onthouden.

De beroepen van Sauna Drome Holding B.V. alsmede [appellante sub 17] en anderen met betrekking de percelen [locaties] / [locatie]

2.9. Sauna Drome Holding B.V. betoogt dat ten onrechte gedeeltelijk goedkeuring is onthouden aan artikel 9, eerste en vierde lid, van de planvoorschriften waardoor het voor de sauna en het beautycentrum aan de [locaties] / [locatie] niet mogelijk is om overnachtingsgelegenheid aan te bieden en, door middel van een vrijstelling, de oppervlakte van bebouwing te vergroten met 25%.

[appellante sub 17] en anderen stellen zich op het standpunt dat het plan ten onrechte voorziet in legalisering van de sauna en het beautycentrum. Daartoe voeren zij onder meer aan dat er geen bestaande rechten zijn, dat de aan de gronden toegekende bestemming "Dagrecreatie" in strijd is met het rijks-, provinciaal- en het gemeentelijk beleid alsmede dat onvoldoende is onderzocht of ruimtelijke inpassing van de sauna en het beautycentrum aanvaardbaar is.

2.9.1. Het college is in navolging van de raad van mening dat de sauna en het beautycentrum voor legalisering in aanmerking komen. Daarbij heeft het college onder meer in aanmerking genomen dat het om bestaande activiteiten gaat, dat geen sprake is van strijd met het overheidsbeleid en dat onaanvaardbare verkeersoverlast niet aannemelijk is gemaakt. Aan artikel 9, eerste en vierde lid, van de planvoorschriften heeft het college evenwel gedeeltelijk goedkeuring onthouden, aangezien het aanbieden van overnachtingsgelegenheid niet als dagrecreatie kan worden beschouwd, en voor deze activiteit, evenals voor de in het plan opgenomen mogelijkheid om door middel van een vrijstelling de bestaande oppervlakte van gebouwen met 25% te vergroten, een bredere belangenafweging ontbreekt.

2.9.2. Plankaart 6 kent aan de percelen [locaties] / [locatie] de bestemming "Dagrecreatie" en de aanduiding "sauna en beautycentrum (rsb)" toe.

Ingevolge artikel 9 van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn op de plankaart als "Dagrecreatie" aangegeven gronden bestemd voor dagrecreatie met dien verstande dat in het geval van de aanduiding "rsb" een sauna en beautycentrum is toegestaan.

Ingevolge het eerste lid, voor zover hier van belang, is onder het doel "sauna en beautycentrum" mede begrepen het bieden van overnachtingsgelegenheid in maximaal 10 kamers ten behoeve van meerdaagse arrangementen van de sauna en het beautycentrum.

Ingevolge het vierde lid, voor zover hier van belang, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van de in het tweede lid opgenomen bebouwingsbepalingen voor het vergroten van de bestaande oppervlakte met 25%.

2.9.3. Het voorheen geldende plan kende aan de percelen [locaties] / [locatie] de bestemming "Agrarische doeleinden IV" toe. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van het voorheen geldende plan waren op deze gronden geen gebouwen toegestaan.

Bij besluiten van 31 oktober 1973, 22 juli 1975, 26 juni 1978 en 16 juli 1981 zijn bouwvergunningen verleend voor het respectievelijk het vergroten van een saunaruimte, het vergroten van een woning, het vernieuwen van een schuur en het vergroten van een saunabedrijf, zodat een deel van de thans aanwezige gebouwen legaal is opgericht. Het merendeel van de thans aanwezige gebouwen is blijkens het deskundigenbericht echter zonder bouwvergunning opgericht. Verder is een aantal gebouwen in strijd met de daarvoor verleende bouwvergunningen in gebruik genomen ten behoeve van de sauna en het beautycentrum.

De Afdeling is van oordeel dat de met een bouwvergunning opgerichte gebouwen in beginsel, gelet op de rechtszekerheid, in aanmerking komen om als zodanig te worden bestemd. Voor zover daarvan geen sprake is, dient het college bij zijn beoordeling of het plandeel met de bestemming "Dagrecreatie" en de aanduiding "sauna en beautycentrum (rsb)" dat ziet op de percelen [locaties] / [locatie] niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening er vanuit te gaan dat sprake is van een nieuwe uitbreiding.

2.9.4. Het college heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom de nieuwe uitbreiding van de sauna en het beautycentrum aanvaardbaar is. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat uit het bestreden besluit niet blijkt of de nieuwe uitbreiding past in het relevante beleid. De stelling van het college dat de gebiedsaanduidingen van Streekplan Gelderland 2005 (hierna: het streekplan) met inbegrip van de op dat moment plaatsvindende activiteiten tot stand zijn gekomen, is in dit verband onvoldoende, omdat het Streekplan geen specifieke gebiedsaanduiding bevat voor de sauna en het beautycentrum. Verder neemt de Afdeling in aanmerking dat uit het bestreden besluit niet blijkt of de met de nieuwe uitbreiding gepaard gaande toename van het aantal vervoersbewegingen geluidoverlast voor derden met zich kan brengen.

Het college heeft evenmin voldoende inzichtelijk gemaakt waarom artikel 19j van de Nbw 1998 niet in de weg staat aan goedkeuring van het bestreden plandeel dat op circa 500 meter ligt van speciale beschermingszone "Veluwe". Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat uit het bestreden besluit niet blijkt of uitgesloten kan worden dat de nieuwe uitbreiding, gelet op de instandhoudingsdoelstelling voor de Veluwe, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dit gebied kan verslechteren of een verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor dit gebied is aangewezen, zoals neergelegd in artikel 19j, eerste lid, van de Nbw 1998.

2.9.5. De conclusie is dat hetgeen [appellante sub 17] en anderen hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het besluit van het college, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Dagrecreatie" en de aanduiding "sauna en beautycentrum (rsb)" dat ziet op de percelen [locaties] / [locatie], in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet berust op een deugdelijke motivering.

2.9.6. Het beroep van [appellante sub 17] en anderen is in zoverre gegrond, zodat het besluit van het college dient te worden vernietigd voor zover daarbij ingevolge artikel 28 WRO en ingevolge artikel 19j van de Nbw 1998 goedkeuring is verleend aan voormeld plandeel.

2.9.7. Bij gebrek aan een in de planvoorschriften opgenomen definitie van het begrip "dagrecreatie", heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het aanbieden van overnachtingsgelegenheid ten behoeve van meerdaagse arrangementen van de sauna en beautycentrum niet valt onder dit begrip. Gelet hierop, alsmede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de nieuwe uitbreiding van de sauna en het beautycentrum, leidt hetgeen Sauna Drome Holding B.V. heeft aangevoerd over de bedrijfseconomische wenselijkheid van het aanbieden van overnachtingsgelegenheid en het vergroten van het oppervlak van de bebouwing niet tot het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan deels in strijd met een goede ruimtelijke ordening is. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het besluit van het college in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.9.8. Het beroep van Sauna Drome Holding B.V. is ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 17] en anderen met betrekking tot de percelen [locatie 1/2]

2.10. Appellanten voeren aan dat ten onrechte niet tegemoet is gekomen aan hun verzoek om ter plaatse van het chalet, geadresseerd als [locatie 2], een zelfstandige woning van 450 m3 toe te staan. Appellanten voeren verder aan dat de paardenbak nabij hun woning [locatie 1] ten onrechte is wegbestemd.

2.10.1. Het chalet maakt blijkens plankaart 6 deel uit van het bouwperceel [locatie 1/2] waaraan de bestemming "Wonen" is toegekend.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de op plankaart als "Wonen" aangegeven gronden bestemd voor wonen. Het aantal woningen per bouwperceel mag niet meer bedragen dan één.

2.10.2. Het voorheen geldende plan kende aan de gronden ter plaatse van het chalet [locatie 2] de bestemming "Agrarische doeleinden IV" toe. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van het voorheen geldende plan waren op deze gronden geen gebouwen toegestaan. Bij besluit van 30 januari 1996 is evenwel een bouwvergunning verleend voor het vervangen van een stacaravan op het perceel [locatie 2].

Het beleid van het college is er primair op gericht om de totstandkoming van burgerwoningen in het buitengebied tegen te gaan. Dat zoals appellanten stellen het chalet jarenlang permanent bewoond is geweest, leidt - wat daarvan ook zij - niet tot het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen vasthouden aan dit beleid. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat niet staande kan worden gehouden dat voormelde bouwvergunning toestond dat het chalet voor permanente bewoning werd gebruikt.

2.10.3. Plankaart 6 kent aan de gronden ter plaatse van de paardenbak nabij de woning [locatie 1] de bestemming "Agrarisch gebied" toe.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de op de plankaart als "Agrarisch gebied" aangegeven gronden bestemd voor extensieve dagrecreatie en hobbymatig medegebruik.

Ingevolge het tweede lid, onder d, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, mogen bouwwerken, geen gebouw zijnde, worden gebouwd tot een maximale hoogte van 1,5 m, met dien verstande dat bij buitenrijbanen hekwerken mogen worden gebouwd tot een maximale hoogte van 2 m.

2.10.4. De bestemming "Agrarisch gebied" sluit, gelet op de hiervoor onder rechtsoverweging 2.10.3 vermelde planvoorschriften, de aanwezigheid van een paardenbak nabij de woning Tolweg 5 niet uit. Het beroep mist in zoverre feitelijke grondslag.

2.10.5. De conclusie is dat hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het besluit van het college in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.10.6. Het beroep is in zoverre ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 6]

2.11. Appellanten stellen zich op het standpunt dat ten onrechte niet is tegemoet gekomen aan hun verzoek om een extra woning toe te staan op dan wel nabij het perceel [locatie].

2.11.1. Plankaart 4 kent aan het perceel [locatie] de bestemming "Wonen met agrarische nevenactiviteiten" toe. Aan gronden van appellanten nabij dit perceel kent plankaart 4 de bestemming "Agrarisch gebied" toe.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de op de plankaart als "Agrarisch gebied" aangegeven gronden bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de op plankaart als "Wonen met agrarische nevenactiviteit" aangegeven gronden bestemd voor wonen en agrarische nevenactiviteit. Het aantal woningen per bouwperceel mag niet meer bedragen dan het bestaande aantal.

2.11.2. Voor zover het verzoek van appellanten om een extra woning toe te staan op het perceel [locatie] betrekking heeft, overweegt de Afdeling het volgende. Artikel 11, eerste lid, van de planvoorschriften brengt mee dat op het perceel [locatie] geen extra woning is toegestaan, aangezien in dat geval het aantal woningen op het bouwperceel zou toenemen. Het college heeft zich in navolging van de raad op het standpunt gesteld dat aan het perceel [locatie] niet de bestemming "Wonen" kan worden toegekend ten behoeve van de bouw van een extra woning, aangezien niet kan worden voldaan aan het daarvoor geldende functieveranderingsbeleid. Appellanten hebben dit niet bestreden.

2.11.3. Voor zover het verzoek van appellanten op de agrarische gronden nabij het perceel [locatie] betrekking heeft, overweegt de Afdeling dat honorering van dit verzoek zou meebrengen dat een nieuwe burgerwoning in het buitengebied wordt gerealiseerd. Het beleid van het college is er evenwel primair op gericht om de totstandkoming van burgerwoningen in het buitengebied tegen te gaan. Het betoog van appellanten dat de gemeente in 1981 ten onrechte geen medewerking heeft verleend aan de uitbreiding van hun veehouderij - wat daarvan ook zij - alsmede dat zij bereid zijn om de milieuvergunning voor deze veehouderij in te leveren en de op het perceel [locatie] gelegen noodwoning in te richten als schuur, leidt niet tot het oordeel dat het college niet in redelijkheid aan voormeld beleid heeft kunnen vasthouden.

2.11.4. De conclusie is dat hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het besluit van het college in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.11.5. Het beroep is ongegrond.

De beroepen van De Zilverspar U.A. en anderen, [appellant sub 11] alsmede [appellant sub 12]

2.12. Appellanten voeren aan dat ten onrechte goedkeuring is onthouden aan het plandeel met de bestemming "Wonen" en de aanduiding "wooncomplex (wx)" dat ziet op het terrein 'De Zilverspar'.

2.12.1. Plankaart 4 kent aan het terrein De Zilverspar de bestemming "Wonen" en de aanduiding "wooncomplex (wx)" toe.

Ingevolge 10, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de op de plankaart als "Wonen" met de aanduiding "wooncomplex (wx)" aangegeven gronden bestemd voor een wooncomplex.

Ingevolge het tweede lid, onder c, voor zover hier van belang, geldt voor bebouwing ten behoeve van een wooncomplex het volgende:

- voor de woning [locatie] (voormalig bedrijfswoning) gelden de bouw- en vrijstellingsbepalingen zoals in dit artikel voor wonen is omschreven;

- voor de overige woningen mag de inhoud niet meer bedragen dan de bestaande inhoud. De hoofdvorm moet worden gehandhaafd. De woningen mogen niet van een onderbouw worden voorzien en mogen niet worden verplaatst. Algehele vernieuwing is toegestaan.

2.12.2. Op pagina 129 van het streekplan staat het volgende vermeld: "Onrechtmatige gebruik van recreatieverblijven is ongewenst. De primaire verantwoordelijkheid bij het voorkomen en bestrijden hiervan ligt bij de gemeentes. Adequaat en eenduidig bestemmen van de functies kunnen daar deels in voorzien.

In bestaande situaties van onrechtmatig gebruik wordt van de gemeenten verwacht dat zij alle middelen zullen aanwenden om een einde te maken aan het onrechtmatig gebruik van deze voorzieningen.

Indien handhaving van het recreatieve gebruik niet mogelijk is gebleken, dan moet volstaan worden met een persoonsgebonden gedoogbeschikking voor de huidige hoofdgebruikers tot het moment dat de recreatiewoning wordt verlaten. Nadat er een einde is gekomen aan deze persoonsgebonden gedoogsituatie dient de woning weer vrij te komen voor de verhuur-recreatiemarkt.

Legalisatie - omzetting van recreatiewoningen naar reguliere woningen - is slechts mogelijk indien de woningen voldoen aan het Bouwbesluit (2003), ze buiten het groenblauwe raamwerk zijn gelegen (vanwege de kwetsbaarheid van de aanwezige waarden), er wordt voldaan aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening en milieueisen en handhaven niet tot de mogelijkheden behoort."

2.12.3. Op pagina 236 van het streekplan staat het volgende vermeld: "De overige beleidsuitspraken hebben niet de 'hardheid' van een essentiële beleidsuitspraak. Het zijn evengoed richtinggevende beleidsuitspraken waar bestemmingsplannen aan getoetst worden. In daarvoor in aanmerking komende gevallen mogen gedeputeerde staten daarvan afwijken binnen de volgende grenzen. Wanneer zich een ontwikkeling voordoet die niet past binnen het in dit plan neergelegde beleid zal worden bekeken of er desondanks toch redenen aanwezig zijn om een dergelijke ontwikkeling gewenst te achten en mogelijk te maken. Hierbij worden de verschillende belangen tegen elkaar afgewogen."

2.12.4. Het terrein 'De Zilverspar' is in het begin van de jaren zeventig van de vorige eeuw aangelegd als recreatieterrein met 20 recreatiewoningen en 1 bedrijfswoning aan de [locatie]. Niet in geschil is dat deze woningen in strijd met de verblijfsrecreatieve bestemming van het voorheen geldende plan worden gebruikt voor permanente bewoning.

Naar aanleiding van de naar voren gebrachte zienswijzen heeft de raad er voor gekozen om het illegale gebruik van de recreatiewoningen te legaliseren door aan het terrein de bestemming "Wonen" en de aanduiding "wooncomplex (wx)" toe te kennen. Daarbij heeft de raad onder meer het volgende overwogen: "De bestaande situatie rond het terrein van "de Zilverspar" maakt het niet aannemelijk dat de daarop staande recreatiewoningen in de toekomst nog overeenkomstig de verblijfsrecreatieve bestemming zullen worden gebruikt. Het terrein zelf en de directe omgeving daarvan heeft de recreant weinig te bieden (…)

De woningen worden al gedurende een periode van zo'n 25 jaar permanent bewoond, zonder dat daartegen door de gemeente is opgetreden, terwijl het gebruik voor permanente bewoning bij de gemeente niet onbekend was. Gezien het langdurige tijdsverloop moet het uit een oogpunt van rechtszekerheid en gewekte verwachtingen uitgesloten worden geacht dat het gemeentebestuur nu nog tegen de permanente bewoning gaat optreden. Het feit dat de bewoners in deze periode ongestoord de woningen permanent hebben bewoond heeft bij hen bepaalde verwachtingen gewekt. Niet alleen voor wat betreft de permanente bewoning door hen zelf, maar ook voor wat betreft de permanente bewoning door mogelijke rechtsopvolgers.

Het gebied ligt in een gebied dat op kaart Ontwikkelingsvisie is aangemerkt als intensief rode zwermgebied (…) De gebieden vragen om een specifiek ruimtelijk, gebiedsgerichte benadering. De intensief rode zwermgebieden lenen zich bij uitstek voor verdere concentratie en verweving van de functies niet-agrarische bedrijvigheid (…)

Wanneer de woningen getoetst worden aan het Bouwbesluit, dan moet worden geconstateerd dat daaraan wordt voldaan.

Wat betreft de milieuaspecten kan worden geconstateerd, dat bij de milieuvergunning voor de pluimveeslachterij voor wat betreft geur de woningen zijn aangemerkt als recreatiewoning (…) Bij de geluidhinder is rekening gehouden met de permanente bewoning. Gezien de ligging ten opzichte van de omliggende bedrijvigheid is de bestaande situatie die bestaat uit permanente bewoning niet al te gelukkig, maar datzelfde geldt ook wanneer er sprake zou zijn van verblijfsrecreatiewoningen die voor verblijfsrecreatie worden gebruikt.".

2.12.5. Voor zover De Zilverspar U.A. en anderen hebben aangevoerd dat het in het streekplan neergelegde beleid voor recreatiewoningen onredelijk is, omdat dit in strijd is met het beleid van de Nota ruimte, overweegt de Afdeling het volgende. Het beleid van de Nota ruimte laat provincies en gemeenten de ruimte om de recreatiefunctie van bestaande recreatiewoningen te wijzigen naar een woonfunctie, mits aan de gebruikelijke voorwaarden voor woningbouw wordt voldaan. Reeds omdat dit beleid niet noopt tot het zonder meer toestaan van de permanente bewoning van recreatiewoningen, is het in het streekplan neergelegde beleid zoals dat hiervoor onder 2.12.3 is weergegeven daarmee niet in strijd. Hetgeen De Zilverspar U.A. en anderen hebben aangevoerd leidt dan ook niet tot het oordeel dat het in het streekplan neergelegde beleid voor recreatiewoningen als zodanig onredelijk is.

2.12.6. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de omstandigheid dat de permanente bewoning van de recreatiewoningen jarenlang is gedoogd in beginsel niet in de weg staat aan handhavend optreden. Aan voormelde omstandigheid kunnen de bewoners van de recreatiewoningen niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat nimmer meer handhavend zal worden opgetreden. Dat andere omstandigheden aan handhaving in de weg staan, hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt. Het college heeft zich verder in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat onduidelijk is of de recreatiewoningen voldoen aan het Bouwbesluit 2003 en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Het terrein 'De Zilverspar' ligt in de nabijheid van onder meer een pluimveeslachterij en de gevolgen daarvan voor het woon- en leefklimaat zijn niet in kaart gebracht.

Gezien het voorgaande heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in dit geval niet wordt voldaan aan de in het streekplan gestelde voorwaarden voor omzetting van recreatiewoningen naar reguliere woningen.

2.12.7. Voor zover appellanten hebben aangevoerd dat het gebied waar het terrein 'De Zilverspar' deel van uitmaakt niet kan worden aangemerkt als buitengebied, overweegt de Afdeling dat deze omstandigheid - wat daarvan ook zij - niet meebrengt dat zich een ontwikkeling voordoet die niet past binnen het in het streekplan neergelegde beleid voor recreatiewoningen. Dat een verblijfsrecreatieve bestemming niet binnen de planperiode kan worden gerealiseerd hebben appellanten verder niet aannemelijk gemaakt.

Gezien het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen grond aanwezig is om af te wijken van het in het streekplan neergelegde beleid voor recreatiewoningen.

2.12.8. Voor zover De Zilverspar U.A. en anderen hebben aangevoerd dat artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens wordt geschonden, overweegt de Afdeling dat, voor zover al sprake is van een aantasting van het recht op ongestoord genot van hun eigendom, voormelde bepaling de toepassing van wetten die noodzakelijk kunnen worden geacht om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang, onverlet laat. De in de WRO neergelegde bevoegdheid van het college om goedkeuring te onthouden aan een plan moet worden beschouwd als een zodanige regulering.

2.12.9. De conclusie is dat hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het besluit van het college in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.12.10. De beroepen zijn ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 8]

2.13. Appellant voert aan dat de uitbreiding van de woning [locatie] ten onrechte niet als zelfstandige woning is bestemd, aangezien deze met instemming en medeweten van de gemeente is ontstaan.

2.13.1. Plankaart 4 kent aan het perceel [locatie] de bestemming "Wonen" toe.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de op de plankaart als "Wonen" aangegeven gronden bestemd voor wonen. Het aantal woningen per bouwperceel mag niet meer bedragen één.

2.13.2. Bij besluit van 10 september 1996 is een bouwvergunning verleend voor het vergroten van de woning [locatie] ten behoeve van inwoning. Deze bouwvergunning is blijkens de stukken verleend met toepassing van de Nota inwoning. Uitgangspunt van deze nota is dat in het geval een woning wordt vergroot ten behoeve van inwoning sprake blijft van één woning. Tegen deze achtergrond kan niet staande worden gehouden dat een bouwvergunning voor een zelfstandige woning is verleend als het gaat om de uitbreiding van de woning [locatie]. Evenmin kan staande worden gehouden dat voormelde uitbreiding nadien als zelfstandige woning is aangemerkt. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat uit de op 15 november 2002 verleende bouwvergunning niet kan worden afgeleid dat sprake is van twee zelfstandige woningen op het perceel [locatie], aangezien deze bouwvergunning uitsluitend is verleend voor het bouwen van een bijgebouw op voormeld perceel.

Het college heeft zich in navolging van de raad op het standpunt gesteld dat het bestemmen van de uitbreiding van de woning [locatie] als zelfstandige woning - derhalve als woning [locatie b] - in strijd zou zijn met beleid dat er primair op is gericht om de totstandkoming van burgerwoningen in het buitengebied tegen te gaan. Hetgeen appellant heeft aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat het college niet in redelijkheid aan dit beleid heeft kunnen vasthouden.

2.13.3. De conclusie is dat hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het besluit van het college in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.13.4. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van Albouw B.V.

2.14. Appellante voert aan dat op het perceel [locatie] ten onrechte slechts 210 m2 vloeroppervlak voor detailhandel als zodanig is bestemd. Verder is volgens appellante de handel in keukens en sanitair en de daarbij behorende showroom ten onrechte niet als zodanig bestemd.

2.14.1. Plankaart 4 kent aan het perceel [locatie] de bestemming "Niet-agrarische bedrijven" alsmede de aanduidingen "bouwnijverheid (bbo)" en "detailhandel in bouwmaterialen toegestaan (db)" toe.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de op de plankaart voor "Niet-agrarische bedrijven" met de aanduidingen "bouwnijverheid (bbo)" en "detailhandel in bouwmaterialen toegestaan (db)" aangegeven gronden bestemd voor bouwnijverheid en tevens detailhandel in bouwmaterialen.

Ingevolge het tweede lid, voor zover hier van belang, bedraagt de oppervlakte van de gebouwen niet meer dan de bestaande oppervlakte zoals weergegeven in bijlage 2 "overzicht niet-agrarische functies".

In bijlage 2 staat vermeld dat op het adres [locatie] de oppervlakte ten behoeve van detailhandel 210 m2 bedraagt.

2.14.2. Appellante verkoopt doe-het-zelf-artikelen alsmede keukens en sanitair aan particulieren aan de [locatie]. In de planvoorschriften is geen definitie opgenomen voor het begrip "detailhandel in bouwmaterialen". Hierdoor is onduidelijk of het plandeel met de aanduiding "detailhandel in bouwmaterialen toegestaan (db)" dat ziet op het perceel [locatie] betrekking heeft op de verkoop aan particulieren van alle in het assortiment opgenomen doe-het-zelf-artikelen alsmede keukens en sanitair. Verder is in bijlage 2 van de planvoorschriften een te geringe oppervlakte ten behoeve van detailhandel opgenomen, reeds omdat op 6 maart 1985 een bouwvergunning is verleend voor het vergroten van een (keuken)showruimte en de oppervlakte daarvan blijkens het deskundigenbericht 330 m2 bedraagt.

2.14.3. De conclusie is dat hetgeen appellante heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plandeel met de aanduiding "detailhandel in bouwmaterialen toegestaan (db)" dat ziet op het perceel [locatie] en bijlage 2 van de planvoorschriften, voor zover daarin is bepaald dat op het adres [locatie] de oppervlakte ten behoeve van detailhandel 210 m2 bedraagt, zijn vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Door niettemin in zoverre aan het plan goedkeuring te verlenen, heeft het college gehandeld in strijd met dit beginsel en artikel in samenhang bezien met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.14.4. Het beroep is gegrond, zodat het besluit van het college dient te worden vernietigd voor zover daarbij ingevolge artikel 28 WRO goedkeuring is verleend aan voormelde planonderdelen. Nu er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, ziet de Afdeling aanleiding om in zoverre aan het plan goedkeuring te onthouden.

Het beroep van [appellant sub 10]

2.15. Appellant voert aan dat ten onrechte niet is toegestaan dat de recreatiewoning [locatie] permanent kan worden bewoond.

2.15.1. Plankaart 4 kent aan het perceel [locaties] de bestemming "Verblijfsrecreatie" en de aanduiding "mobiele kampeermiddelen, recreatiewoningen en stacaravans (vrws)" toe.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn op de plankaart als "Verblijfsrecreatie" aangegeven gronden bestemd voor verblijfsrecreatie. Op gronden aangeduid met "vrws" is uitsluitend de bedrijfsmatige exploitatie van kampeermiddelen, recreatiewoningen, stacaravans en bijbehorende voorzieningen begrepen. Blijkens de in dit planvoorschrift opgenomen tabel zijn ter plaatse 3 recreatiewoningen, 0 stacaravans en 1 bedrijfswoning toegestaan.

2.15.2. Het voorheen geldende plan kende aan de gronden ter plaatse van de recreatiewoning [locatie] een verblijfsrecreatieve bestemming toe. Blijkens het deskundigenbericht is de recreatiewoning in strijd met deze bestemming jarenlang gebruikt ten behoeve van permanente bewoning totdat daartegen in 2005 handhavend werd opgetreden. Het betoog van appellant dat bij de partiële herziening van het voorheen geldende plan op 19 mei 1994 niet is onderkend dat de recreatiewoning permanent werd bewoond, leidt niet tot het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen vasthouden aan zijn beleid dat er primair op is gericht om de totstandkoming van burgerwoningen in het buitengebied tegen te gaan.

2.15.3. De conclusie is dat hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het besluit van het college in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.15.4. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 13]

2.16. Appellant voert aan dat de thans aan het perceel [locatie] toegekende bestemming minder mogelijkheden biedt dan het geval was onder het voorheen geldende plan. Hij acht dit onwenselijk.

2.16.1. Plankaart 2 kent aan het perceel [locatie] de bestemming "Niet-agrarische bedrijven" alsmede de aanduidingen "installatiebedrijf (bi)" en "kantoor toegestaan (k)" toe.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de op de plankaart voor "Niet-agrarische bedrijven" met de aanduiding "installatiebedrijf (bi)" aangeven gronden bestemd voor een installatiebedrijf.

Ingevolge het tweede lid, voor zover hier van belang, bedraagt de oppervlakte van de gebouwen niet meer dan de bestaande oppervlakte zoals weergegeven in bijlage 2 "overzicht niet-agrarische functies".

In bijlage 2 staat vermeld dat op het adres [locatie] de oppervlakte 514 m2 bedraagt, waarvan 200 m2 ten behoeve van kantoor.

2.16.2. Appellant exploiteert op het perceel [locatie] een loodgieterbedrijf. Verder verhuurt appellant een gedeelte van zijn gebouwen aan derden. Deze verhuurde gebouwen zijn ingericht als kantoor van een reclamebureau. Niet in geschil is dat de oppervlakte van de gebouwen in totaal 514 m2 bedraagt, waarvan 200 m2 wordt gebruikt als kantoor van een reclamebureau.

Blijkens de stukken vielen de gebouwen van appellant eerder onder de bestemming "Verzorgend bedrijf" en liet deze bestemming bij recht nog een vergroting van de oppervlakte van de gebouwen toe met 75 m2. Verder liet deze bestemming verschillende soorten bedrijvigheid toe welke thans niet meer zijn toegestaan. Bij het opstellen van het plan heeft de raad er voor gekozen om niet-agrarisch bedrijvigheid specifiek te bestemmen. Volgens de plantoelichting verdient deze wijze van bestemmen de voorkeur, aangezien, vanuit een oogpunt van ruimtebeslag, de functie niet-agrarische bedrijvigheid in zijn algemeenheid ondergeschikt is aan de functies landbouw en natuur in het buitengebied. De Afdeling ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanknopingspunt om deze plansystematiek als zodanig onredelijk te achten.

Anders dan de raad en het college veronderstellen, is de functie kantoor in dit geval evenwel niet als zodanig bestemd. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de op de plankaart aangegeven aanduiding "kantoor toegestaan (k)" niet in de in de planvoorschriften vermelde omschrijving van de bestemming "Niet-agrarische bedrijven" is opgenomen. De vermelding in bijlage 2 van de planvoorschriften van de oppervlakte voor de functie kantoor is in dit verband onvoldoende, aangezien hieruit niet kan worden afgeleid dat de desbetreffende gronden mede bestemd zijn voor een kantoor van een reclamebureau dat in functioneel opzicht los staat van het installatiebedrijf van appellant.

2.16.3. De conclusie is dat hetgeen appellante heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plandeel met de aanduiding "kantoor toegestaan (k)" dat ziet op het perceel [locatie] is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Door niettemin in zoverre goedkeuring aan het plan te verlenen, heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang bezien met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.16.4. Het beroep is gegrond, zodat het besluit van het college dient te worden vernietigd voor zover daarbij ingevolge artikel 28 WRO goedkeuring is verleend aan voormeld plandeel. Nu er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, ziet de Afdeling aanleiding om in zoverre goedkeuring aan het plan te onthouden.

Het beroep van [appellant sub 14]

2.17. Appellant voert aan dat artikel 10, tweede lid, onder a, van planvoorschriften meebrengt dat, bij vergroting van de bestaande inhoud van woningen, de inhoud van de woningen aan de westzijde blijft verschillen van de inhoud van de woningen aan de oostzijde van de [locatie]. Hij acht dit in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Verder voert appellant aan dat door de plaatsing van verkeersborden de verwachting is gewekt dat onder meer zijn woningen aan de [locaties] behoren tot de bebouwde kom en dat deze zouden kunnen worden uitgebreid tot een inhoud van 600 m3.

2.17.1. Plankaart 4 kent zowel aan percelen ten oosten als aan percelen ten westen van de [locatie] de bestemming "Wonen" toe. Het perceel van appellant aan de [locaties] ligt ten westen van de [locatie]. Ook aan dit perceel kent plankaart 4 de bestemming "Wonen" toe.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de op de plankaart als "Wonen" aangegeven gronden bestemd voor wonen.

Ingevolge het tweede lid, onder a, voor zover hier van belang, mag de inhoud van een woning niet meer bedragen dan de bestaande inhoud vermeerderd met maximaal 100 m3, met dien verstande dat de inhoud van de woning niet meer mag bedragen dan 600 m3 en dat de inhoud van vrijstaande woningen tenminste 400 m3 mag bedragen.

2.17.2. Blijkens de plantoelichting is de mogelijkheid om de bestaande inhoud van woningen te vergroten in artikel 10, tweede lid, onder a, van de planvoorschriften opgenomen om te voldoen aan de toekomstige woonbehoeften van bewoners. Daarbij heeft de raad, tegen de achtergrond van het provinciale beleid terzake, gekozen voor gedifferentieerde uitbreidingsmogelijkheden voor woningen.

De Afdeling overweegt dat weliswaar niet is uitgesloten dat artikel 10, tweede lid, onder a, van de planvoorschriften meebrengt dat, bij vergroting van de bestaande inhoud van woningen, de inhoud van de woningen aan de westzijde blijft verschillen van de inhoud van de woningen aan de oostzijde van de [locatie], maar dat het gelijkheidsbeginsel niet zo ver strekt dat bestaande ongelijkheden in de inhoud van woningen moeten worden opgeheven. Aan de plaatsing van verkeersborden kan appellant verder niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat de raad het plan zodanig zou vaststellen dat de door appellant bedoelde woningen kunnen worden uitbreid tot een inhoud van 600 m3. Voor zover het bij de plaatsing van verkeersborden al zou gaan om een toezegging, is namelijk niet gebleken dat deze aan de raad is toe te rekenen.

2.17.3. De conclusie is dat hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het besluit van het college in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.17.4. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 15]

2.18. Appellant betoogt dat aan dat zijn perceel [locatie] ten onrechte niet de bestemming "Wonen met agrarische nevenactiviteit" is toegekend.

2.18.1. Plankaart 2 kent aan het perceel [locatie] de bestemming "Agrarisch gebied" en de aanduiding "middelgroot agrarisch bedrijf (am)" toe.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn op de plankaart als "Agrarisch gebied met landschappelijke waarde" aangegeven gronden bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf.

Ingevolge het tweede lid, voor zover hier van belang, is ten behoeve van agrarische bedrijven bebouwing toegestaan uitsluitend voor zover noodzakelijk voor de uitoefening van op de plankaart met "middelgroot agrarisch bedrijf (am)" aangegeven bestaande bedrijven.

2.18.2. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat met toepassing van een wijzigingsbevoegdheid tegemoet kan worden gekomen aan de door appellant gewenste bestemming voor het perceel [locatie] en dat alsdan de zekerheid bestaat dat zal worden voldaan aan de voorwaarden die daarvoor gelden.

2.18.3. De Afdeling overweegt dat de mogelijke toepassing van een wijzigingsbevoegdheid de raad niet ontslaat van de verplichting om die bestemming toe te kennen die hij uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Vast staat dat van een middelgroot agrarisch bedrijf op het perceel [locatie] geen sprake is geweest. Verder is niet gebleken van plannen voor een dergelijk bedrijf ter plaatse.

2.18.4. De conclusie is dat hetgeen appellant heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied" en de aanduiding "middelgroot agrarisch bedrijf (am)" dat ziet op het perceel [locatie] niet nodig is ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Door niettemin in zoverre goedkeuring aan het plan te verlenen, heeft het college gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang bezien met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.18.5. Het beroep is gegrond, zodat het besluit van het college dient te worden vernietigd voor zover daarbij ingevolge artikel 28 WRO goedkeuring is verleend aan voormeld plandeel. Nu er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, ziet de Afdeling aanleiding om in zoverre goedkeuring aan het plan te onthouden.

Het beroep van de raad

2.19. De raad betoogt dat ten onrechte goedkeuring is onthouden aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied" dat ziet op het perceel aan de Goorsteeg ongenummerd, kadastraal bekend gemeente Putten, sectie F, no. 2124 (hierna: de Goorsteeg).

2.19.1. Het college wijst er in het bestreden besluit op dat hij heeft ingestemd met de wijziging van het voorheen geldende plan ten behoeve van het opnemen van een bouwperceel voor een intensieve veehouderij aan de Goorsteeg. Nu de raad bij amendement het bouwperceel voor deze intensieve veehouderij zonder diepgaande motivering heeft geschrapt, acht het college het plan in zoverre onzorgvuldig tot stand gekomen. Op grond hiervan alsmede op grond van de door [partij b] ingediende bedenkingen heeft het college goedkeuring onthouden aan het plandeel "Agrarisch gebied" dat ziet op het perceel aan de Goorsteeg.

2.19.2. De Afdeling stelt voorop dat de raad de vrijheid toekomt om die bestemming aan de gronden ter plaatse van de Goorsteeg toe te kennen die hij uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarbij kan de raad een bestemming toekennen die afwijkt van de eerder, na wijziging van het voorheen geldende plan, toegekende bestemming. Voor zover het standpunt van het college in het bestreden besluit aldus moet worden begrepen dat hij van mening is dat onvoldoende recht is gedaan aan de belangen van de eigenaar van het perceel aan de Goorsteeg overweegt de Afdeling het volgende. Uit de uitspraak van de Afdeling van 6 april 2005, no. 200406676/1, volgt dat [partij b] er op mocht vertrouwen dat zodra aan de in de brief van het college van burgemeester en wethouders van 27 april 1998 gestelde voorwaarden was voldaan, dit college tot wijziging van het bestemmingsplan zou overgaan, zodat op het perceel aan de Goorsteeg een intensieve veehouderij zou kunnen worden gevestigd. De bevoegdheid tot het vaststellen van een plan berust evenwel niet bij het college van burgemeester en wethouders, maar bij de raad. De brief van het college van burgemeester en wethouders van 27 april 1998 kan daarom niet gelden als een aan de raad toe te rekenen toezegging om bij de vaststelling van een nieuw plan een bouwperceel voor een intensieve veehouderij aan de Goorsteeg op te nemen. Voor zover het college ter zitting heeft uiteengezet dat het reconstructieplan Gelderse Vallei en Utrecht Oost alsmede het streekplan zich niet verzetten tegen de vestiging van een intensieve veehouderij, overweegt de Afdeling dat deze omstandigheden - wat daar ook van zij - niet nopen tot het opnemen in het plan van een bouwperceel voor een intensieve veehouderij aan de Goorsteeg.

2.19.3. De conclusie is dat hetgeen de raad heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied" dat ziet op het perceel aan de Goorsteeg onzorgvuldig tot stand is gekomen. Door niettemin om deze reden goedkeuring aan dit plandeel te onthouden, heeft het college gehandeld in strijd met artikel 3:2 in samenhang bezien met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.19.4. Het beroep is gegrond, zodat het besluit van het college dient te worden vernietigd voor zover daarbij ingevolge artikel 28 WRO goedkeuring is onthouden aan voormeld plandeel.

Het beroep van [appellant sub 18]

2.20. Appellant kan zich niet verenigen met de in de planvoorschriften opgenomen bevoegdheid om een agrarische in een verblijfsrecreatieve bestemming te wijzigen. Daartoe voert appellant aan dat hij gebouwen met een oppervlakte van meer 700 m2 wil gebruiken ten behoeve van verblijfsrecreatieve doeleinden en dat hij daarvoor om bedrijfseconomische redenen geen bedrijfsgebouwen wil slopen.

2.20.1. Plankaart 3 kent aan het perceel van appellant aan de [locatie] de bestemming "Agrarisch gebied" en de aanduiding "groot agrarisch bedrijf (ag)" toe.

Ingevolge artikel 30, lid 10, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, kan het college van burgemeester en wethouder overeenkomstig artikel 11 van de WRO het plan wijzigen voor wat betreft het bij agrarische bedrijfsbeëindiging omzetten van een agrarisch bouwvlak ten behoeve verblijfsrecreatieve bedrijven, met dien verstande dat:

(…)

u. hergebruik of nieuwbouw uitsluitend is toegestaan tot maximaal 700 m2 onder de volgende voorwaarden:

1. de maximaal toegestane oppervlakte aan bebouwing voor de

nieuwe functie kan tot 500 m2 worden toegestaan onder

voorwaarde dat eenzelfde oppervlak aan bebouwing wordt

gesloopt. Wanneer de oppervlakte van de nieuwe functie meer dan

500 m2 bedraagt met een maximum van 700 m2, dan dient voor

de oppervlakte die de 500 m2 te boven gaat, tweemaal zoveel

bebouwing te worden gesloopt. (…)

2.20.2. Op pagina 75 in paragraaf 2.3.5 van het streekplan staat het volgende vermeld: "Als kleinschalige bedrijvigheid in het buitengebied op passende schaal van start kan gaan, kan de vraag naar uitbreiding leiden tot een niet-passende omvang en impact. Daarom wordt voor niet-agrarische bedrijvigheid een maximum gehanteerd van 500 m2 vloeroppervlak per locatie. De resterende vrijgekomen gebouwen worden gesloopt.".

Op pagina 76 van het streekplan staat het volgende vermeld: "Van de in paragrafen 2.1.4, 2.34 en 2.3.5 gehanteerde maatvoering kan worden afgeweken, mits passend in een door gedeputeerde staten geaccordeerde regionale beleidsinvulling voor functieverandering. (…)".

2.20.3. Het college heeft goedkeuring onthouden aan artikel 30, lid 10, van de planvoorschriften, aangezien dit planvoorschrift niet in overeenstemming is met het toepasselijke (generieke) beleid van het streekplan en niet is voldaan aan de voorwaarden om van dit beleid af te wijken. Door deze onthouding van goedkeuring is in zoverre aan de bezwaren van appellant tegen artikel 30, lid 10, van de planvoorschriften tegemoetgekomen. In verband met de verplichting van de raad ingevolge artikel 30, eerste lid, van de WRO om met inachtneming van het besluit tot onthouding van goedkeuring een nieuw plan vast te stellen, kan echter niet slechts deze onthouding van goedkeuring zelf, maar ook de hieraan ten grondslag liggende motivering in deze procedure ter beoordeling staan.

Het college heeft in redelijkheid voormelde motivering aan de onthouding van goedkeuring aan artikel 30, derde lid, van de planvoorschriften ten grondslag kunnen leggen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de maatvoering voor hergebruik of nieuwbouw alsmede voor de sloop van bebouwing in artikel 30, lid 10, van de planvoorschriften niet in overeenstemming is met paragraaf 2.3.5 van het streekplan en dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog geen door het college geaccordeerde regionale beleidsinvulling was vastgesteld om af te wijken van het streekplan. Verder neemt de Afdeling in aanmerking dat het beleid zoals neergelegd in het streekplan er op is gericht om grootschalige niet-agrarische bedrijvigheid en/of bedrijven die veel mobiliteit genereren te weren uit het buitengebied.

2.20.4. Ten aanzien van een aantal bezwaren heeft appellant zich in zijn beroepschrift beperkt tot een vrijwel letterlijke herhaling van de bedenkingen. In de overwegingen van het besluit van het college is ingegaan op deze bedenkingen. Appellant heeft in het beroepschrift noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de betreffende bedenkingen in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Ook voor het overige is niet gebleken dat die weerlegging in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

2.20.5. De conclusie is dat hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het besluit van het college in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.20.6. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 19]

2.21. Appellant voert aan dat ten onrechte niet is tegemoet gekomen aan zijn verzoek om op het perceel kadastraal bekend gemeente Putten, sectie […], nummer […], een woning toe te staan. Hij wijst in dit verband op het overgangsrecht van het voorheen geldende plan en het gemeentelijke beleid voor intensieve rode zwermgebieden zoals aangegeven op de 'kaart ontwikkelingsvisie'.

2.21.1. Plankaart 4 kent aan voormeld perceel de bestemming "Landelijke bedrijven" en de aanduiding "loonbedrijf" toe.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de op de plankaart als "Landelijke bedrijven" met de aanduiding "loonbedrijf" aangewezen gronden bestemd voor een loonbedrijf.

2.21.2. De woning die op voormeld perceel heeft gestaan is blijkens de stukken in 1965 afgebrand en nimmer herbouwd. Gelet hierop voorzag het voorheen geldende plan dat in 1970, derhalve vijf jaar later, is vastgesteld niet in een woning ter plaatse en kan appellant geen beroep doen op het in dit plan opgenomen bouwovergangsrecht. Anders dan appellant heeft aangevoerd, is daarbij niet van belang dat hij destijds niet in staat was om bezwaar te maken tegen de vaststelling en goedkeuring van het voorheen geldende plan.

Het beleid voor intensieve rode zwermgebieden, voor zover hier van belang, heeft blijkens de plantoelichting betrekking op de realisering van woningen in het kader van functieverandering. Van functieverandering is in het onderhavige geval evenwel geen sprake.

Gezien het voorgaande heeft het college in redelijkheid kunnen vasthouden aan zijn beleid dat er primair op is gericht om de totstandkoming van burgerwoningen in het buitengebied tegen te gaan.

2.21.3. De conclusie is dat hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het besluit van het college in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.21.4. Het beroep, voor zover ontvankelijk, is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 20]

2.22. Appellant stelt zich op het standpunt dat aan het perceel [locatie] ten onrechte de bestemming "Wonen met agrarische nevenactiviteit" in plaats van een volwaardige agrarische bestemming is toegekend. Daartoe voert hij aan dat de woning [locatie] niet belemmerend is voor de (uitbreiding van) zijn veehouderij. Verder stelt appellant zich op het standpunt dat de activiteiten bestaande uit de verkoop van afrasteringen en verzorgingsartikelen voor schapen ten onrechte niet als zodanig zijn bestemd.

2.22.1. Plankaart 2 kent aan het perceel Beekweg 14 de bestemming "Wonen met agrarische nevenactiviteiten" toe.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de planvoorschriften voor zover hier van belang, zijn de op de plankaart als "Wonen met agrarische nevenactiviteiten" aangegeven gronden bestemd voor wonen, aan huis verbonden bedrijven alsmede agrarische nevenactiviteit.

2.22.2. Ter zitting heeft het college zich op het standpunt gesteld dat ten onrechte goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Wonen met agrarische nevenactiviteit" dat ziet op het perceel Beekweg 14. Nu het college zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het besluit van het college, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan voormeld plandeel, in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

2.22.3. Het beroep, voor zover ontvankelijk, is gegrond, zodat het besluit van het college dient te worden vernietigd voor zover daarbij ingevolge artikel 28 WRO goedkeuring is verleend aan voormeld plandeel. In verband hiermee behoeft het beroep van appellant geen verdere bespreking.

Het beroep van [appellante sub 21]

2.23. Appellante stelt zich op het standpunt dat ten onrechte goedkeuring is onthouden aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied", de aanduiding "middelgroot agrarisch bedrijf (am)" en de aanduiding "glastuinbouw (gt)" dat ziet op het perceel [locatie], nu geen sprake is van nieuwvestiging op deze locatie.

2.23.1. Het college heeft goedkeuring onthouden aan voormeld plandeel, aangezien het streekplan zich verzet tegen nieuwvestiging van een glastuinbouwbedrijf op deze locatie.

2.23.2. Plankaart 4 kent aan het perceel [locatie] de bestemming "Agrarisch gebied" en de aanduidingen "middelgroot agrarisch bedrijf (am)" en "glastuinbouw (gt)" toe.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de op de plankaart als "Agrarisch gebied" met de aanduiding "glastuinbouw (gt)" aangegeven gronden bestemd voor de uitoefening van een glastuinbouwbedrijf.

2.23.3. Op pagina 105 van het streekplan staat het volgende vermeld: "Nieuwvestiging van gladtuinbouwbedrijven is mogelijk in de concentratiegebieden Huissen-Bemmel en de Bommelerwaard. In die gebieden worden geen planologische beperkingen gesteld aan de omvang van bedrijven. Buiten deze gebieden is nieuwvestiging van glastuinbouwbedrijven niet mogelijk.".

2.23.4. Rond 1955-1956 is op het perceel [locatie] een aantal kassen geplaatst. Nu de bestemming "Agrarische doeleinden IV" die het voorheen geldende plan aan het perceel toekende de bouw van gebouwen uitsloot, moet worden vastgesteld dat de kassen in het voorheen geldende plan niet als zodanig waren bestemd.

De kassen verkeren blijkens het deskundigenbericht thans voor het overgrote deel in een vervallen staat, worden overwoekerd door struiken en bomen en zijn deels dichtgetimmerd. Deze vervallen kassen worden volgens het deskundigenbericht al geruime tijd niet meer gebruikt voor het kweken van tuinbouwgewassen. De op het perceel aanwezige kassen die daarvoor wel geschikt zijn, zijn blijkens het deskundigenbericht in 2005 zonder bouwvergunning vernieuwd. De Afdeling ziet in hetgeen appellante heeft gesteld over de exploitatie van een glastuinbouwbedrijf ter plaatse en de stukken die zij in dit verband heeft overgelegd geen aanknopingspunt om te twijfelen aan de juistheid van voormelde constateringen in deskundigenbericht.

Gezien het voorgaande kan niet staande worden gehouden dat het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied" en de aanduidingen "middelgroot agrarisch bedrijf (am)" en "glastuinbouw (gt)" dat ziet op het perceel Brijstroetweg 7a niet voorziet in de nieuwvestiging van een glastuinbouwbedrijf.

2.23.5. De conclusie is dat hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het besluit van het college in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.23.6. Het beroep is ongegrond.

Proceskosten

2.24. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten van [appellant sub 4], [appellante sub 17] en anderen, Albouw B.V., [appellant sub 15], de raad alsmede [appellant sub 20] te worden veroordeeld. Voor zover [appellant sub 20] heeft verzocht om vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten wordt dit verzoek afgewezen, nu het Besluit proceskosten bestuursrecht voorziet in een forfaitaire vergoeding van de proceskosten en niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat hiervan wordt afgeweken.

Wat betreft [appellant sub 13] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Voor een proceskostenveroordeling ten behoeve van [appellant sub 1],[appellant sub 2], RGV Holding B.V., Sauna Drome Holding B.V., [appellanten sub 6], De Zilverspar U.A. en anderen, [appellant sub 8], [appellant sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 14], [appellant sub 18], [appellante sub 21] en [appellant sub 19] bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 19] voor zover gericht tegen de goedkeuring van artikel 13, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover daarin is bepaald dat het aantal bedrijfswoningen niet meer mag bedragen dan het bestaande aantal, alsmede het beroep van [appellant sub 20] voor zover gericht tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Wonen" dat ziet op het perceel [locatie] niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 20] voor het overige, het beroep van [appellante sub 17] en anderen gedeeltelijk alsmede de beroepen van [appellant sub 4], Albouw B.V., [appellant sub 13], [appellant sub 15] en de raad van de gemeente Putten geheel gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 17 oktober 2006, kenmerk 2006-008331, voor zover daarbij ingevolge artikel 28 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarde" en aanduiding "middelgroot agrarisch bedrijf (am)" dat ziet op de woning [locatie], het plandeel met de bestemming "Dagrecreatie" en de aanduiding "sauna en beautycentrum (rsb)" dat ziet op de percelen [locaties] / [locatie], het plandeel met de aanduiding "detailhandel in bouwmaterialen toegestaan (db)" dat ziet op het perceel [locatie], het plandeel met de aanduiding "kantoor toegestaan (k)" dat ziet op het perceel [locatie], het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied" en de aanduiding "middelgroot agrarisch bedrijf (am)" dat ziet op het perceel [locatie], het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied" dat ziet op het perceel aan Goorsteeg ongenummerd, kadastraal bekend gemeente Putten, sectie F, no. 2124, het plandeel met de bestemming "Wonen met agrarische nevenactiviteit" dat ziet op het perceel [locatie] alsmede bijlage 2 van de planvoorschriften voor zover daarin is bepaald dat op het adres [locatie] de oppervlakte ten behoeve van detailhandel 210 m2 bedraagt;

IV. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 17 oktober 2006, kenmerk 2006-008331, voor zover daarbij ingevolge artikel 19j van de Natuurbeschermingswet 1998 goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Dagrecreatie" en de aanduiding "sauna en beautycentrum (rsb)" dat ziet op de percelen [locaties] / [locatie];

V. onthoudt goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarde" en aanduiding "middelgroot agrarisch bedrijf (am)" dat ziet op de woning [locatie], het plandeel met de aanduiding "detailhandel in bouwmaterialen toegestaan (db)" dat ziet op het perceel [locatie], het plandeel met de aanduiding "kantoor toegestaan (k)" dat ziet op het perceel [locatie], het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied" en de aanduiding "middelgroot agrarisch bedrijf (am)" dat ziet op het perceel [locatie] alsmede bijlage 2 van de planvoorschriften voor zover daarin is bepaald dat op het adres [locatie] de oppervlakte ten behoeve van detailhandel 210 m2 bedraagt;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit voor zover het de onder V genoemde planonderdelen betreft;

VII. verklaart de beroepen van [appellant 19] en [appellante sub 17] en anderen voor het overige alsmede de beroepen van [appellant sub 1],[appellant sub 2], RGV Holding B.V., Sauna Drome Holding B.V., [appellanten sub 6], De Zilverspar U.A. en anderen, [appellant sub 8], [appellant sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 14], [appellant sub 18] en [appellante sub 21] geheel ongegrond;

VIII. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van de bij onderstaande appellanten in verband met de

behandeling van hun beroepen opgekomen proceskosten:

- aan A.J.H. barones van Lynden een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- aan Albouw B.V. een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- aan Linde Vastgoed Maatschappij B.V. en anderen, G. van den Broek, de raad van de gemeente Putten en B.A. van Wijncoop elk een bedrag van € 805,00 (zegge: achthonderdenvijf euro) in alle gevallen geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

de bedragen dienen door de provincie Gelderland aan appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IX. gelast dat de provincie Gelderland aan onderstaande appellanten het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht vergoedt:

- aan [appellante sub 17] en anderen, Albouw B.V. alsmede de raad van de gemeente Putten elk een bedrag van € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro);

- aan [appellant sub 4], [appellant sub 13], [appellant sub 15] alsmede [appellant sub 20] elk een bedrag van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro).

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. G.N. Roes, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B.S. Jansen, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Jansen

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2008

399.