Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC4642

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-02-2008
Datum publicatie
20-02-2008
Zaaknummer
200708420/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 oktober 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Putten (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een nertsenfokkerij aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 2 november 2007 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Besluit luchtkwaliteit 2005
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/446
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200708420/2.

Datum uitspraak: 13 februari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Putten,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 oktober 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Putten (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een nertsenfokkerij aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 2 november 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 december 2007, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 december 2007, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 17 januari 2008, waar [verzoeker], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door drs. K. van der Woud, werkzaam bij de gemeente Putten, zijn verschenen. Voorts is [vergunninghouder], vertegenwoordigd door [gemachtigde], ter zitting als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. [verzoeker] is beducht voor stankhinder. Hij betwijfelt of wordt voldaan aan de op grond van de Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden (hierna: de Wet stankemissie) vereiste afstand. Volgens hem is namelijk nog onvoldoende onderzoek gedaan naar mechanische ventilatie in nertsenstallen, zodat onduidelijk is of alle stallucht wel aan de achterzijde van de stal wordt uitgestoten. Daarnaast heeft het college de bebouwing in de omgeving van de inrichting ten onrechte aangemerkt als categorie IV-objecten in de zin van de Wet stankemissie, in plaats van als categorie II- of categorie III-objecten, aldus [verzoeker]. Verder betoogt hij dat het college het bedrijfsgebouw aan de [locatie] ten onrechte niet als stankgevoelig object heeft aangemerkt.

2.2.1. Uit de berekening van [Loodgieters- en verwarmingsbedrijf] van 21 september 2006 blijkt dat de ventilatoren in de nertsenstal voor een zodanige onderdruk zorgen, dat alle stallucht aan de achterzijde van de stal wordt uitgestoten. [verzoeker] heeft, deze berekening in aanmerking genomen, niet aannemelijk gemaakt dat dit anders is. Verder heeft [verzoeker] niet aannemelijk gemaakt dat de bebouwing in de omgeving van de inrichting moet worden aangemerkt als categorie II- of categorie III-objecten, nu het hier geen bebouwde kom of aaneengesloten woonbebouwing van beperkte omvang in een overigens agrarische omgeving dan wel objecten van dagrecreatie betreft. Ook is niet gebleken dat sprake is van verspreid liggende niet-agrarische bebouwing die aan het betreffende buitengebied een overwegende woon- of recreatiefunctie verleent. Evenmin heeft [verzoeker] aannemelijk gemaakt dat het bedrijfsgebouw aan de [locatie] zodanig wordt gebruikt, dat het als stankgevoelig object moet worden aangemerkt.

Gelet op het vorenstaande is niet gebleken dat niet wordt voldaan aan de op grond van de Wet stankemissie vereiste afstand, zodat het college de vergunning in zoverre terecht niet heeft geweigerd.

2.3. [verzoeker] betoogt dat het college ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar de uitstoot van zwevende deeltjes - zogenoemd fijn stof - vanuit de inrichting. Ook heeft het college volgens hem in dit verband ten onrechte geen rekening gehouden met het nabij de inrichting gevestigde tanktransportbedrijf en de in de omgeving van de inrichting gelegen provinciale weg.

2.3.1. Het college stelt dat de grenswaarden uit het Besluit luchtkwaliteit 2005 niet worden overschreden. Daarnaast betoogt het college dat in de onderhavige inrichting als gevolg van de bedrijfsvoering geen sprake is van noemenswaardige emissie van zwevende deeltjes. Hiertoe voert hij aan dat in de inrichting gebruik wordt gemaakt van "nat" brijvoer waarbij geen stof vrijkomt, dat de dieren in kooien worden gehouden waardoor zij geen strooiselvloer hebben en dat de geringe hoeveelheid stro in de nachthokken geen stofemissie zal veroorzaken, nu de nachthokken nagenoeg afgesloten ruimtes zijn.

2.3.2. [verzoeker] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de grenswaarden uit het Besluit luchtkwaliteit 2005 worden overschreden.

2.4. [verzoeker] vreest voor schade aan de nabij de inrichting gelegen bomen en moestuin door directe ammoniakuitstoot.

2.4.1. Het college heeft bij de beoordeling van de van de inrichting te duchten directe ammoniakschade het rapport "Stallucht en Planten 1981" (hierna: het rapport) tot uitgangspunt genomen. Uit het rapport blijkt dat directe schade door uitstoot van ammoniak zich in de praktijk kan voordoen bij intensieve kippen- en varkenshouderijen.

2.4.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 juni 2002 in zaak nr. 200105275/1) is het rapport, blijkens de ontstaansgeschiedenis, primair opgesteld met het oogmerk om de schade aan planten van teeltbedrijven als gevolg van ammoniakemissie van veehouderijen in de directe omgeving te bepalen.

De in het rapport genoemde teeltvorm is niet gelijk te stellen met de nabij de inrichting gelegen bomen en de moestuin van [verzoeker]. Daargelaten de vraag of het rapport van toepassing is op de directe ammoniakuitstoot afkomstig van nertsen en daargelaten de vraag of niet wordt voldaan aan de in het rapport aanbevolen afstanden, heeft het college zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de inrichting geen onaanvaardbare directe ammoniakschade veroorzaakt.

2.5. [verzoeker] betoogt dat het college ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de cumulatie van stankhinder en de cumulatie van geluidhinder.

2.5.1. De Wet stankemissie, die ingevolge artikel 2, eerste lid, het exclusieve toetsingskader vormt voor de beoordeling van stankhinder bij een besluit als het onderhavige, vergt geen afzonderlijke beoordeling van de cumulatie van stankhinder. Nu de onderhavige inrichting niet op een gezoneerd industrieterrein ligt, is ook een afzonderlijke beoordeling van de cumulatie van geluidhinder niet vereist.

2.6. Gelet op het voorgaande ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Van onverwijlde spoed als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht is derhalve geen sprake. Het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. E.D.A.M. Zegveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Zegveld

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2008

43-493.