Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC4639

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-02-2008
Datum publicatie
20-02-2008
Zaaknummer
200703732/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 maart 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Terneuzen (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor onder meer de opslag en verkoop van vuurwerk aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 19 april 2007 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/208
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703732/1.

Datum uitspraak: 20 februari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats], en anderen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Terneuzen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 maart 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Terneuzen (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor onder meer de opslag en verkoop van vuurwerk aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 19 april 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen bij brief van 25 mei 2007, bij de Raad van State ingekomen op 30 mei 2007, beroep ingesteld. Bij brief van 20 juni 2007 zijn de gronden aangevuld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [appellant] en anderen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 januari 2008, waar het college, vertegenwoordigd door C.J. Ritico en E. Jansen-Verplanke, ambtenaren in dienst van de gemeente, en [vergunninghouder], bijgestaan door A.M.W.A.M van der Linden, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] en anderen voeren kort gezegd aan dat de reactie van het college op de door hen naar voren gebrachte zienswijzen over het ontwerp van het besluit onvoldoende is gemotiveerd. Zij wijzen erop dat deze reactie nagenoeg overeenkomt met een reactie op eerder door hen over een ander ontwerp naar voren gebrachte zienswijzen, terwijl die zienswijzen niet geheel gelijkluidend waren.

Het college is in het bestreden besluit ingegaan op de door [appellant] en anderen naar voren gebrachte zienswijzen. Dat deze reactie overeenkomt met de reactie op eerder door hen naar voren gebrachte zienswijzen, betekent op zichzelf niet dat deze reactie onvoldoende is. Ook voor het overige is er geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet berust op een deugdelijke motivering. De beroepsgrond faalt.

2.2. [appellant] en anderen menen verder dat het college de vestiging van de inrichting in de nabijheid van andere bebouwing vanwege de veiligheidsrisico's ten onrechte heeft toegestaan.

In artikel 4.2, tweede lid, aanhef en onder d, samen met bijlage 3, van het Vuurwerkbesluit is vastgelegd welke veiligheidsafstanden tussen de vuurwerkopslag en kwetsbare objecten door het college in acht moeten worden genomen bij vergunningverlening. Het college heeft ter zitting gesteld dat deze afstanden in acht zijn genomen. Er is geen aanleiding om dit standpunt onjuist te achten. In zoverre bestond voor het college geen grond voor weigering van de vergunning. De beroepsgrond faalt.

2.3. [appellant] en anderen voeren voor het overige met name argumenten aan die betrekking hebben op planologie. Deze argumenten hebben geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van de Wet milieubeheer en kunnen daarom, gezien de artikelen 8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer, niet leiden tot het oordeel dat de vergunning had moeten worden geweigerd of dat daaraan nadere voorschriften hadden moeten worden verbonden.

2.4. Het beroep is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Van der Zijpp

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2008

262-570.