Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC4259

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-02-2008
Datum publicatie
13-02-2008
Zaaknummer
200703967/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 22 december 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leiden (hierna: het college) de bij besluit van 19 januari 1982 aan ambachtelijk centrum de Watermolen verleende bouwvergunning voor het oprichten van vier winkels met werkplaatsen, kantoren en magazijnen, alsmede een bovenwoning, aan de Watermolen, destijds kadastraal bekend gemeente Leiden, sectie S, nr. 1398 (gedeeltelijk) en de bij besluit van 6 januari 2003 aan [appellante A] verleende bouwvergunning voor het oprichten van twaalf woningen boven bestaande winkelruimten en horecaruimte en het bouwen van een parkeergarage, plaatselijk bekend Watermolen 10, kadastraal bekend gemeente Leiden, sectie S, nr. 2050G, ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Bouwregelgeving 2008/909
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703967/1.

Datum uitspraak: 13 februari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A], gevestigd te [land], [appellante B]. en [appellant C], gevestigd, onderscheidenlijk wonend, te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 26 april 2007 in zaak nr. 06/4361 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden.

1. Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 22 december 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leiden (hierna: het college) de bij besluit van 19 januari 1982 aan ambachtelijk centrum de Watermolen verleende bouwvergunning voor het oprichten van vier winkels met werkplaatsen, kantoren en magazijnen, alsmede een bovenwoning, aan de Watermolen, destijds kadastraal bekend gemeente Leiden, sectie S, nr. 1398 (gedeeltelijk) en de bij besluit van 6 januari 2003 aan [appellante A] verleende bouwvergunning voor het oprichten van twaalf woningen boven bestaande winkelruimten en horecaruimte en het bouwen van een parkeergarage, plaatselijk bekend Watermolen 10, kadastraal bekend gemeente Leiden, sectie S, nr. 2050G, ingetrokken.

Bij besluit van 28 maart 2006 heeft het college het door appellanten (hierna: [appellant A] e.a.) daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en deze besluiten onder aanvulling van de motivering ervan gehandhaafd.

Bij uitspraak van 26 april 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellant A] e.a. ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] e.a. bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 juni 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 5 juli 2007.

Bij brief van 16 augustus 2007 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 december 2007, waar [appellant A] e.a., vertegenwoordigd door mr. P.A.L.C. Lamme, advocaat te Zoetermeer, [appellant C] en J. Hospes, en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Kooij, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 59, eerste lid, aanhef en onder c en d, van de Woningwet kunnen burgemeester en wethouders de bouwvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken, indien binnen de in de bouwverordening bepaalde termijn geen begin is gemaakt met de bouwwerkzaamheden, dan wel de werkzaamheden langer dan de in de bouwverordening bepaalde termijn hebben stilgelegen.

Ingevolge artikel 4.1 van de Bouwverordening van de gemeente Leiden (hierna: de Bouwverordening) kan het college de bouwvergunning op voet van artikel 59 van de Woningwet geheel of gedeeltelijk intrekken, indien binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de bouwvergunning geen begin met de bouwwerkzaamheden is gemaakt, dan wel tussen het begin en het einde van de bouwwerkzaamheden deze langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken stilliggen.

2.2. [appellant A] e.a. betogen dat de rechtbank, door te overwegen dat het college in redelijkheid tot intrekking van de bouwvergunningen heeft kunnen besluiten, heeft miskend dat het bouwplan, waarvoor bij besluit van 19 januari 1982 vergunning is verleend, zal worden voltooid, althans een aanvang zal worden gemaakt met de werkzaamheden, zoals die bij besluit van 6 januari 2003 zijn vergund. Zij stellen in dat verband dat [appellant A] de bouwvergunning uit 2003 alsnog zou kunnen benutten, nu het college bij besluit van 6 maart 2006 haar aanvraag om bouwvergunning van 16 december 2003 ten behoeve van een nieuw bouwplan op het perceel heeft afgewezen. Ook zou volgens hen alsnog tot voltooiing van het bouwplan uit 1982 kunnen worden overgegaan, nu de bouwvergunning uit 2003 is ingetrokken.

2.2.1. Dit betoog slaagt niet. Van de op 6 januari 2003 en 19 januari 1982 verleende bouwvergunningen is geen, dan wel slechts gedeeltelijk, gebruik gemaakt, terwijl daarna op 16 december 2003 ten behoeve van een ander bouwplan om verlening van bouwvergunning is verzocht. Aannemelijk is dat geen gebruik is gemaakt van de bouwvergunning van 6 januari 2003 voor het geval een eventuele afwijzing van de aanvraag van 16 december 2003 in rechte onaantastbaar zou worden, en evenmin van de bouwvergunning van 19 januari 1982 voor het geval ook de bouwvergunning van 6 januari 2003 niet zou kunnen worden benut. Het college heeft dan ook aannemelijk mogen achten dat niet op korte termijn een begin zou worden gemaakt met bouwwerkzaamheden, vergund bij het besluit van 6 januari 2003, dan wel dat die, welke bij besluit van 19 januari 1982 zijn vergund, op korte termijn zouden worden voortgezet.

2.3. Voorts heeft de rechtbank volgens [appellant A] e.a. miskend dat het aan de gemeente te wijten is dat niet tijdig met de benutting van de in 2003 verleende bouwvergunning een aanvang is gemaakt. Door te overwegen dat realisering van het bouwplan volgens het besluit van 6 januari 2003 mede afhankelijk is van de medewerking van de gemeente Leiden bij het in eigendom, dan wel erfpacht, verkrijgen van gronden die nodig zijn voor de aanleg van de parkeergarage en Leiden hiertoe niet bereid is gebleken, heeft de rechtbank volgens hen miskend dat [appellant A] e.a. erop mochten vertrouwen dat zij de benodigde gronden spoedig in eigendom, dan wel erfpacht, zouden verkrijgen. Zij wijzen in dit verband op een brief van 5 september 2003 van een ambtenaar van de afdeling Grondzaken van de Dienst Bouwen en Wonen van de gemeente Leiden aan hun advocaat.

2.3.1. Dit betoog slaagt evenmin. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat realisering van het bouwplan uit 2003 afhankelijk is van medewerking van de gemeente Leiden bij het in eigendom, dan wel erfpacht, verkrijgen van de gronden die nodig zijn voor de aanleg van de parkeergarage en de gemeente om haar moverende redenen niet bereid is daarover met [appellant A] e.a. tot overeenstemming te komen. Voor het oordeel dat het uitblijven van overeenstemming daarom aan de gemeente te verwijten valt, heeft het in beroep aangevoerde de rechtbank terecht geen aanleiding gegeven. Het aangevoerde heeft de rechtbank terecht evenmin grond gegeven voor het oordeel dat namens het college toezegging is gedaan dat het tot overeenstemming zou komen. De brief van 5 september 2003, waarin is medegedeeld dat de gemeente de nieuwe aanvraag om wijziging van de bouwvergunning van 6 januari 2003 zal afwachten en eerst duidelijk moet zijn wat kan worden gerealiseerd, alvorens wordt overgegaan tot aanpassing van de erfpachtcanon en de uitgifte van de grond voor de parkeergarage, houdt zodanige toezegging niet in.

2.4. Het betoog van [appellant A] e.a. dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de bouwvergunning van 6 januari 2003 niet aan de parkeernormen van de Bouwverordening voldoet, faalt als gebaseerd op een onjuiste lezing van de aangevallen uitspraak. De desbetreffende overweging ziet op de aanvraag om bouwvergunning van 16 december 2003 die het college bij besluit van 6 maart 2006 heeft afgewezen.

2.5. Voor zover de gronden van het hoger beroep betrekking hebben op de bij besluit van 6 maart 2006 geweigerde bouwvergunning, falen zij, omdat de rechtbank terecht heeft overwogen dat slechts de intrekking van bouwvergunningen bij haar aan de orde was.

2.6. De voorgedragen beroepsgronden falen. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. W. van den Brink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Huijben, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Huijben

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2008

313-488.