Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC4258

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-02-2008
Datum publicatie
13-02-2008
Zaaknummer
200703959/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 december 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Assen (hierna: het college), voor zover thans van belang, het door appellante tegen een besluit van 18 september 1998, waarbij haar op straffe van bestuursdwang is gelast het in het door haar geëxploiteerde ruitersportcentrum op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) gevoerde assortiment aan te passen, gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard en dit besluit gehandhaafd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703959/1.

Datum uitspraak: 13 februari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 27 april 2007 in zaak nr. 07/50 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Assen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 december 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Assen (hierna: het college), voor zover thans van belang, het door appellante tegen een besluit van 18 september 1998, waarbij haar op straffe van bestuursdwang is gelast het in het door haar geëxploiteerde ruitersportcentrum op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) gevoerde assortiment aan te passen, gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard en dit besluit gehandhaafd.

Bij uitspraak van 27 april 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Assen (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellante] ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het college opnieuw op het door [appellante] gemaakte bezwaar beslist met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief van 8 juni 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 24 juli 2007 heeft [belanghebbende], een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van het college. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 december 2007, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. W.B. van den Berg, advocaat te Meppel, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het college heeft bij besluit van 28 oktober 1997, voor zover thans van belang, krachtens het ter plaatse geldende bestemmingsplan "De Borgstee" vrijstelling verleend van het minimaal vereiste bruto vloeroppervlak. Voorts heeft het op die dag in de notitie "concretisering perifere detailhandelsbeleid, gemeente Assen" (hierna: de notitie) "ruitersportartikelen, zoals stalinrichting, afrasteringsbenodigdheden, kruiwagens en trailer(verhuur)" aan de branchering "ABC-goederen" toegevoegd en lijst 2, behorende bij die branche, uitgebreid met "ruitersportkleding".

Bij besluit van 5 januari 1998 heeft het college, voor zover thans van belang, aan [appellante] bouwvergunning en vrijstelling verleend voor het verbouwen van een winkelpand op het perceel.

Bij besluit van 24 maart 1998 heeft het, voor zover thans van belang, het door [belanghebbende] tegen de verlening van de bouwvergunning gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 18 september 1998 heeft het [appellante] op straffe van bestuursdwang gelast het assortiment van het ruitersportcentrum aldus aan te passen, dat maximaal 10% van het vloeroppervlak gebruikt wordt voor de verkoop van de artikelen in lijst 2 van de notitie, behorende bij de branchering 'ABC-goederen' en de overige te verkopen artikelen grootschalig zijn, overeenkomstig de filosofie van het perifere detailhandelsbeleid. Daarbij heeft het verwezen naar de bijlage bij het besluit. Volgens de bijlage bestaat lijst 1, die geldt voor 90% van het verkoopvloeroppervlakte, uit: stalinrichting, kruiwagens, stalgereedschap, hindernissen etc, paardendekens, zadels, hoofdstellen, knie-, scheen-, hoefbeschermers, leidsels, tuigen, buikbanden, stijgbeugels en diervoeders. Op de zogeheten lijst 2-artikelen, die 10% van het verkoopvloeroppervlakte mogen beslaan, staan: verzorgingsmiddelen ten behoeve van paard, borstels e.d., rijlaarzen, stalschoenen etc., rijkleding etc., boeken en video met educatie betreffende paarden en snuisterijen.

Bij besluit van 8 februari 1999 heeft het college, voor zover thans van belang, het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 mei 2000 heeft de rechtbank het daartegen door [appellante] ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het college met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt.

Bij uitspraak van 4 juli 2001 in zaak nr. 200002951/1 heeft de Afdeling deze uitspraak bevestigd.

Bij besluit van 23 januari 2002 heeft het college de door [appellante] gemaakte bezwaren alsnog gegrond verklaard en het besluit van 8 februari 1999 herroepen.

Bij uitspraak van 3 maart 2005 heeft de rechtbank de daartegen door [belanghebbende] en [appellante] ingestelde beroepen gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het college opnieuw op de gemaakte bezwaren beslist met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Bij uitspraak van 15 februari 2006 in zaak nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?&verdict_id=12946">200503290/1</a> heeft de Afdeling die uitspraak bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust en bepaald dat het college een nieuw besluit op de door [appellante] gemaakte bezwaren neemt met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen.

2.2. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het oordeel van de Afdeling in de uitspraak van 4 juli 2001 opnieuw aan de orde kan worden gesteld, omdat de Afdeling toen nog niet was teruggekomen van haar benadering in de uitspraak van 23 maart 1995 in zaak nr. H01.94.0037 (AB 1996, 262); dat heeft zij pas gedaan bij haar uitspraak van 6 augustus 2003 in zaak nr. 200206222/1 (AB 2003, 355). Dit betoog slaagt reeds daarom niet, omdat die benadering, noch de in de uitspraak van 6 augustus 2003 in zaak nr. 200206222/1 vervatte wijziging daarvan, betrekking hebben op oordelen van de Afdeling.

2.3. Evenzeer tevergeefs betoogt [appellante] dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet handhavend kon optreden, omdat bij het besluit van 28 oktober 1997 vrijstelling is verleend voor perifere detailhandel in alle artikelen die onder de branche "ruitersportartikelen" vallen. Dat betoog vindt geen steun in de uitspraak van de Afdeling van 4 juli 2001.

2.4. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank, door te overwegen dat volgens de uitspraak van de Afdeling van 15 februari 2006 de indeling van nieuwe, tot aan het besluit van 24 maart 1998 niet gerangschikte, artikelen aan de hand van het criterium "volumineus en (snel)wegafhankelijk of niet-volumineus" dient te geschieden, heeft miskend dat ook niet-volumineuze artikelen onder lijst 1 kunnen vallen, omdat dit in overeenstemming is met de notitie. De notitie maakt geen onderscheid tussen volumineuze en niet-volumineuze artikelen, maar vereist alleen dat de artikelen behoren tot de toegestane perifere detailhandel in ruitersportartikelen, aldus [appellante].

2.4.1. Ook dit betoog faalt. In de uitspraak van 4 mei 2000 heeft de rechtbank overwogen dat, samengevat weergegeven, het assortiment beperkt dient te zijn tot volumineuze artikelen die direct verband houden met de ruitersport en slechts 10% van het vloeroppervlak gebruikt mag worden ten behoeve van de verkoop van kleinschalige artikelen die aan de branche ruitersport verwant zijn. Deze uitspraak is bevestigd bij de uitspraak van de Afdeling van 4 juli 2001. De rechtbank heeft dan ook terecht het onderscheid tussen volumineuze en niet-volumineuze ruitersportartikelen bepalend geacht voor de rangschikking van de gevoerde artikelen binnen het assortiment onder lijst 1 of lijst 2.

2.4.2. Ten slotte heeft de rechtbank de uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2006 terecht aldus verstaan, dat artikelen, die bij het besluit van 24 maart 1998 onder lijst 1 zijn gerangschikt, niet op een later moment als lijst 2 artikel kunnen worden aangemerkt, en omgekeerd.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, voor zover aangevallen, te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. W. van den Brink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Huijben, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Huijben

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2008

313-488.