Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC4257

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-02-2008
Datum publicatie
13-02-2008
Zaaknummer
200703432/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 september 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oldebroek (hierna: het college) geweigerd aan [appellante] schadevergoeding als bedoeld in artikel 15.20, eerste lid, van de Wet milieubeheer toe te kennen.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.25
Wet milieubeheer 15.20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2008/2254
JOM 2010/438
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703432/1.

Datum uitspraak: 13 februari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Oldebroek,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oldebroek (hierna: het college) geweigerd aan [appellante] schadevergoeding als bedoeld in artikel 15.20, eerste lid, van de Wet milieubeheer toe te kennen.

Bij besluit van 27 maart 2007 heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 mei 2007, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 december 2007, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. J.W. Munk, advocaat te Wezep, en [gemachtigde] en F.G. Koopman, en het college, vertegenwoordigd door J.C. Kaat en J.R. Kragt, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 15.20, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, kent, indien degene tot wie een beschikking is gericht krachtens artikel 8.25, eerste lid, onder a, zich ten gevolge daarvan voor kosten ziet gesteld dan wel schade lijdt, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoren te blijven, het gezag dat de beschikking in eerste aanleg heeft gegeven, hem, voor zover op andere wijze in een redelijke vergoeding niet is of kan worden voorzien, op zijn verzoek dan wel uit eigen beweging een naar billijkheid te bepalen vergoeding toe.

2.2. Bij besluit van 13 januari 1998 heeft het college aan [appellante] een revisievergunning verleend voor een herstelwerkplaats en tankstation voor motorvoertuigen, met verkoop van benzines, oliën en LPG-gas, een verkoopruimte met showroom, alsmede een inpandige wasplaats.

In 1998 is binnen de inrichting een showroom gebouwd, waarvan de afstanden tot de LPG-gastank en het vulpunt van deze tank zodanig zijn, dat volgens het college binnen de inrichting niet meer werd voldaan aan de afstandseisen van het Besluit LPG-tankstations milieubeheer, noch aan de milieuvergunning van 13 januari 1998.

Bij brief van 17 juli 2002 heeft het college [appellante] verzocht om het vullen van de LPG-tank met onmiddellijke ingang te staken, aangezien de LPG-installatie niet aan de veiligheidseisen voldeed en dit niet kon worden gedoogd.

Bij brief van 15 augustus 2002 is aan het college meegedeeld dat hieraan gevolg is gegeven.

Bij brief van 22 mei 2003 heeft de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, vooruitlopend op de inwerkingtreding van het Besluit externe veiligheid inrichtingen, de circulaire "Toepassing van de circulaire schadevergoeding Wet milieubeheer in verband met sanering van LPG-tankstations" (hierna: de saneringsregeling) uitgebracht.

Bij brief van 13 januari 2005 heeft het college in verband met zijn voornemen om de vergunning van 13 januari 1998 (gedeeltelijk) in te trekken, het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer verzocht krachtens artikel 15.22, eerste lid, van de Wet milieubeheer in te stemmen met de toekenning van schadevergoeding als bedoeld in artikel 15.20, eerste lid, van de Wet milieubeheer.

Naar aanleiding van voornoemd verzoek heeft de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken in augustus 2006 een advies uitgebracht, waarin de op basis van beëindiging van de LPG-activiteiten toe te kennen schadevergoeding op nihil is bepaald, vanwege het ontbreken van causaal verband tussen het stopzetten van de LPG-verkoop in 2002 en de saneringsregeling.

Bij besluit van 26 september 2006 heeft het college aan [appellante] meegedeeld zich te conformeren aan dit advies.

Bij brief van 5 oktober 2006 heeft [appellante] tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit van 27 maart 2007 heeft het college dit bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 27 maart 2007 heeft het college krachtens artikel 8.25, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer de bij besluit van 13 januari 1998 aan [appellante] verleende vergunning ingetrokken.

2.3. [appellante] betoogt dat, nu de milieuvergunning van 13 januari 1998 eerst bij besluit van 27 maart 2007 is ingetrokken, zij nog steeds voor schadevergoeding als bedoeld in artikel 15.20 van de Wet milieubeheer en de saneringsregeling in aanmerking kwam.

De beoordeling van het recht op schadevergoeding in dat kader moet volgens [appellante] plaatsvinden als ware de LPG-verkoop niet reeds in 2002 gestaakt, nu de sluiting van het LPG-tankstation in 2002 is te wijten aan een aperte fout van het college.

Volgens [appellante] heeft het college apert onjuist gehandeld door bij besluit van 28 oktober 1998 een bouwvergunning te verlenen voor een showroom van 26 meter, bij brief van 29 oktober 1998 mede te delen dat door de aannemer ingediende gewijzigde tekeningen, waarop volgens [appellante] een showroom van 30 meter staat, de bij de bouwvergunning gevoegde tekeningen vervangen, alsmede door op 4 november 1998 door de aannemer ingediende, volgens [appellante] wegens een kleine omissie in laatstgenoemde tekeningen aangepaste, "30 meter"-tekeningen te voorzien van een stempel van de gemeente.

Indien het college zorgvuldig had gehandeld was volgens [appellante] geen showroom van 30 meter doch van 26 meter gerealiseerd, in welk geval geen strijd zou zijn ontstaan met de vigerende afstandseisen en de verkoop van LPG in 2002 niet had behoeven te worden gestaakt.

2.3.1. Het college betoogt dat om voor schadevergoeding als bedoeld in artikel 15.20 van de Wet milieubeheer in aanmerking te komen, als voorwaarde geldt dat een oorzakelijk verband moet bestaan tussen het staken van de bedrijfsactiviteiten en de inwerkingtreding van de saneringsregeling, welk verband er hier echter niet is. Voor het beoordelen van het verzoek is volgens het college dan ook niet van belang of er een verband is tussen de verlening van de bouwvergunning, zelfs al deze zou zijn verleend voor een showroom van 30 meter, en het staken van de LPG-verkoop. Overigens betreft de brief van 29 oktober 1998 volgens het college nog steeds tekeningen met een showroom van 26 meter en wil het stempel op de op 4 november 1998 ingediende tekeningen niet zeggen dat deze behoren bij de bouwvergunning.

2.3.2. Bij de beoordeling van het verzoek om schadevergoeding heeft het college onder meer de Circulaire schadevergoedingen van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de circulaire) gehanteerd. In paragraaf 5.2, onder I., van de circulaire wordt onder meer gesteld: "Voor de vraag of schade wordt geleden en zo ja, hoeveel deze bedraagt, moet het bevoegd gezag nagaan welke kosten in redelijkheid aan het intrekkingsbesluit zijn toe te rekenen. Hiertoe stelt het vast welke bedrijfsactiviteiten de vergunning voorheen toeliet. Uitsluitend die schade die aan het stil moeten leggen van deze bedrijfsactiviteiten is toe te rekenen komt voor vergoeding in aanmerking."

2.3.3. Het college heeft het verzoek afgewezen op de grond dat er geen causaal verband bestaat tussen het stopzetten van de LPG-verkoop in 2002 en de saneringsregeling. De Afdeling leidt hieruit af dat het college heeft beoordeeld of schade die is opgetreden in samenhang met de feitelijke beëindiging van de LPG-verkoop in 2002, voor vergoeding op de voet van artikel 15.20 van de Wet milieubeheer in aanmerking komt en die vraag ontkennend beantwoordt.

De Afdeling overweegt dat artikel 15.20, eerste lid, van de Wet milieubeheer niet strekt tot toekenning van schadevergoeding wegens de saneringsregeling, maar wegens het nemen van, voor zover hier van belang, een intrekkingsbesluit. In het kader van artikel 15.20, eerste lid, van de Wet milieubeheer komt, voor zover hier van belang, schade voor vergoeding in aanmerking die aan het niet langer op grond van een milieuvergunning mogen uitoefenen van de activiteit, derhalve aan de juridische beëindiging daarvan, is toe te rekenen.

De Afdeling leidt uit het bestreden besluit af dat het college niet heeft beoordeeld of en zo ja welke schade in redelijkheid aan het intrekkingsbesluit, en daarmee aan de juridische beëindiging van de activiteit, is toe te rekenen. Voor dit oordeel bestaat temeer aanleiding nu het college het intrekkingsbesluit eerst op 27 maart 2007 heeft genomen, zijnde de datum waarop door het college tevens het bestreden besluit op het bezwaar tegen de weigering tot toekenning van schadevergoeding als bedoeld in artikel 15.20, eerste lid, van de Wet milieubeheer is genomen. Het college heeft op vorenstaande wijze geen juiste toepassing gegeven aan artikel 15.20, eerste lid, van de Wet milieubeheer, zodat het bestreden besluit met deze bepaling in strijd is.

2.4. Het beroep is gegrond. Het besluit van 27 maart 2007 komt voor vernietiging in aanmerking. Gelet hierop behoeft hetgeen [appellante] overigens heeft aangevoerd geen bespreking.

2.5. Het op artikel 8:73 van de Awb gebaseerde verzoek om schadevergoeding dient te worden afgewezen, reeds omdat nadere besluitvorming is vereist en op de uitkomst daarvan niet kan worden vooruitgelopen.

2.6. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Oldebroek van 27 maart 2007;

III. wijst het verzoek om schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht af;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Oldebroek tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 640,00 (zegge: zeshonderdveertig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Oldebroek aan [appellante] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

V. gelast dat de gemeente Oldebroek aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en drs. H. Borstlap, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Lap

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2008

271.