Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC4254

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-02-2008
Datum publicatie
13-02-2008
Zaaknummer
200702721/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 februari 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SITA Recycling Services West B.V. (hierna: vergunninghoudster) een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting voor de op-, overslag en het bewerken van bedrijfsafval en bouw- en sloopafval. Dit besluit is op 5 maart 2007 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet geluidhinder
Wet geluidhinder 65
Wet geluidhinder 67
Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer
Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer 2.4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2008/1716
Milieurecht Totaal 2008/1310
Module Ruimtelijke ordening 2008/1386
JOM 2008/204
OGR-Updates.nl 1001538
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200702721/1.

Datum uitspraak: 13 februari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats], en anderen,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 februari 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SITA Recycling Services West B.V. (hierna: vergunninghoudster) een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting voor de op-, overslag en het bewerken van bedrijfsafval en bouw- en sloopafval. Dit besluit is op 5 maart 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen bij brief van 14 april 2007, bij de Raad van State ingekomen op 17 april 2007 beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

Het college heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 december 2007, waar [appellant] en anderen, van wie [appellant] in persoon en de overigen vertegenwoordigd door [appellant], en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Ayal, J. Koedoot, B. Schoutsen, ambtenaren in dienst van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door J. van Zon en A.G. van der Eijk.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 januari 2007 zijn de Wet van 5 juli 2006, houdende wijziging van de Wet geluidhinder (modernisering instrumentarium geluidbeleid, eerste fase, Stb. 350) en het Besluit geluidhinder in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat de bij deze Wet en dit besluit doorgevoerde wijzigingen niet van toepassing zijn op het geding.

2.2. Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

[6 appellanten] hebben geen zienswijzen naar voren gebracht met betrekking tot trillinghinder en bodemverontreiniging. Nu niet is gebleken dat hun redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij hierover geen zienswijzen naar voren hebben gebracht, zijn de hierop betrekking hebbende beroepsgronden voor zover door hen aangevoerd niet-ontvankelijk.

[2 appellanten] hebben geen zienswijzen naar voren gebracht met betrekking tot bodemverontreiniging. Nu niet is gebleken dat hun redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij hierover geen zienswijzen naar voren hebben gebracht, zijn de hierop betrekking hebbende beroepsgronden voor zover door hen aangevoerd niet-ontvankelijk.

2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.4. Ingevolge artikel 8.8, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer, zoals dat vóór 1 januari 2007 luidde, neemt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval in acht de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting gevolgen kan hebben, geldende grenswaarden, voor zover de verplichting tot het in acht nemen voortvloeit uit de artikelen 41, 46 tot en met 50, 53, 65 tot en met 68 of 72, tweede lid, van de Wet geluidhinder.

2.5. [appellant] en anderen betogen dat voor de woningen aan de Schielands Hoge Zeedijk 20, 21 en 22 ten onrechte geen geluidnormen voor normale burgerwoningen zijn gesteld.

Volgens [appellant] en anderen heeft het college de geluidbelasting op de woningen Schielands Hoge Zeedijk 21 en 22 ten onrechte beoordeeld als waren deze gelegen op het gezoneerde industrieterrein, aangezien de gronden waarop deze woningen zijn gelegen volgens hen niet behoren tot het gezoneerde industrieterrein. In dit verband wijzen [appellant] en anderen er op dat de Afdeling bij uitspraak van 30 oktober 2002 in zaak nr. 200001707/1 inzake het besluit van 15 februari 2000 tot goedkeuring van het bestemmingsplan "Schielands Hoge Zeedijk - 1999" (hierna: het bestemmingsplan), goedkeuring heeft onthouden aan het plandeel met de bestemming "Bedrijven - chemisch bedrijf".

Volgens [appellant] en anderen heeft het college zich met betrekking tot de woning op het adres Schielands Hoge Zeedijk 20, die zich bevindt in een watertoren, ten onrechte op het standpunt gesteld dat hiervoor in het geheel geen geluidnormen behoeven te worden gesteld. [appellant] en anderen voeren in dit verband aan dat de watertoren evenmin is gelegen op het gezoneerde industrieterrein, een woonvergunning is verleend voor een (burger)woning in de watertoren en dat aan de door het college ingeroepen bepaling van het op 27 juni 2005 vastgestelde bestemmingsplan "Watertoren e.o.", inhoudende dat de milieuruimte van de aanwezige bedrijven door de vrijstelling voor een dienstwoning in de watertoren niet mag worden beperkt, geen betekenis toekomt, omdat dat bestemmingsplan is vernietigd.

2.5.1. Het college stelt zich op het standpunt dat met de uitspraak van de Afdeling van 30 oktober 2002 in zaak nr. 200001707/1, voor zover hier van belang, goedkeuring is onthouden aan het plandeel met de bestemming "Bedrijven - chemisch bedrijf", doch dat de grens van het gezoneerde industrieterrein, zoals vastgelegd in het bestemmingsplan niet is aangetast. Volgens het college is derhalve door het bestemmingsplan het gezoneerde industrieterrein vergroot en zijn de woningen aan de Schielands Hoge Zeedijk 21 en 22 en de woning in de watertoren aan de Schielands Hoge Zeedijk 20 op het gezoneerde industrieterrein komen te liggen. Hierdoor komt aan deze woningen geen bijzondere bescherming (meer) toe voor de geluidbelasting, zodat de vastgestelde geluidwaarden hoger mogen zijn dan volgens de zonegrens en MTG-waarden aanvaardbaar is, aldus het college. De ter plaatse van de woningen Schielands Hoge Zeedijk 21 en 22 gestelde waarden bieden die woningen voldoende bescherming en bieden ook voldoende afgeleide bescherming aan de woning in de watertoren aan de Schielands Hoge Zeedijk 20, aldus het college. Overigens was volgens het college aan het bestemmingsplan "Watertoren e.o." - waaraan provinciale goedkeuring is onthouden - de voorwaarde verbonden, dat de milieuruimte van de aanwezige bedrijven niet op onaanvaardbare wijze zou worden beperkt door de vrijstelling voor een dienstwoning in de watertoren.

2.5.2. Bij Koninklijk Besluit van 8 mei 1991 is krachtens de Wet geluidhinder rondom het industrieterrein een geluidzone vastgesteld.

Bij besluit van 28 juni 1999 heeft de gemeenteraad van Gouda, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van Gouda, het bestemmingsplan "Schielands Hoge Zeedijk - 1999" vastgesteld.

Artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften luidt, voor zover hier van belang, als volgt: "De op de plankaart als ‘Bedrijven’ aangegeven gronden zijn bestemd voor bedrijven, die hierna zijn aangegeven bij de letter-/cijfercode die op de plankaart in het betreffende bestemmingsvlak is aangeduid:

code bedrijven

Bc chemisch bedrijf."

Artikel 6, tweede lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften luidt als volgt: "Onder bedrijven als bedoeld in lid 1 zijn, met uitzondering van het chemisch bedrijf, op de plankaart met code Bc, niet begrepen bedrijven, die krachtens artikel 2.4 van het Inrichtingen- en vergunningbesluit milieubeheer (Stb. 1993, 50) zijn aangewezen als inrichtingen die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken."

In de plantoelichting van het bestemmingsplan is onder 2.4.2, pagina 27, vermeld dat, omdat in het bestemmingsplan is voorzien in de mogelijkheid van uitbreiding van het bedrijf Unichema, een uitbreiding van het gezoneerde industrieterrein plaatsvindt.

Bij besluit van 15 februari 2000 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland beslist omtrent de goedkeuring van het bestemmingsplan. Bij voornoemde uitspraak van 30 oktober 2002 in zaak nr. 200001707/1 heeft de Afdeling, voor zover hier van belang, goedkeuring onthouden aan het betrokken plandeel met de bestemming "Bedrijven - chemisch bedrijf".

2.5.3. De Afdeling overweegt dat uit de systematiek van de Wet geluidhinder volgt dat de omvang van een industrieterrein in de zin van deze wet wordt bepaald door de omvang van de gronden waaraan een bestemming is gegeven die de mogelijkheid van vestiging van inrichtingen, behorende tot een in artikel 2.4 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer aangewezen categorie, insluit.

Gelet op voornoemd voorschrift 6 werd in het plan aan de gronden die op de plankaart in het desbetreffende bestemmingsvlak waren aangeduid met de code Bc, welke gronden voorheen niet tot het industrieterrein behoorden, een zodanige bestemming gegeven. Aldus behelsde het plan een uitbreiding van het industrieterrein.

Nu de Afdeling bij haar uitspraak van 30 oktober 2002 in zaak nr. 200001707/1 goedkeuring heeft onthouden aan het plandeel met de bestemming "Bedrijven - chemisch bedrijf", hebben de betrokken gronden de bedoelde bestemming niet gekregen, zodat geen uitbreiding van het gezoneerde industrieterrein heeft plaatsgevonden.

Ter zitting is vast komen te staan dat de watertoren aan de Schielands Hoge Zeedijk 20 en de woningen aan de Schielands Hoge Zeedijk 21 en 22 waren gelegen in het plandeel met de bestemming "Bedrijven - chemisch bedrijf". Het college is in het bestreden besluit derhalve ten onrechte uitgegaan van het standpunt dat deze watertoren en woningen op het gezoneerde industrieterrein liggen.

2.5.4. Ingevolge artikel 65 van de Wet geluidhinder, zoals dat vóór 1 januari 2007 luidde, is de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting, vanwege het industrieterrein, van de gevel van woningen die op het tijdstip van de vaststelling van de zone binnen de zone aanwezig, in aanbouw of geprojecteerd zijn, 55 dB(A), tenzij op dat tijdstip de geluidbelasting van de bedoelde woningen lager is dan of gelijk is aan 50 dB(A), in welk geval de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting 50 dB(A) is. Het in de vorige volzin bepaalde geldt niet met betrekking tot binnen de zone aanwezige of in aanbouw zijnde woningen die op het bedoelde tijdstip reeds een hogere geluidbelasting vanwege het industrieterrein ondervinden dan 55 dB(A).

Ingevolge artikel 67, derde lid, van de Wet geluidhinder, zoals dat vóór 1 januari 2007 luidde, zijn met betrekking tot de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting, vanwege een industrieterrein, van de gevel van binnen de zone nieuw te bouwen woningen, die niet behoren tot de geprojecteerde woningen als bedoeld in het tweede lid of in artikel 65, de artikelen 46, 47, 48 en 51 van overeenkomstige toepassing.

2.5.5. In voorschrift 6.1 zijn, voor zover hier van belang, voor de woningen Schielands Hoge Zeedijk 21 en 22 waarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van 58 dB(A) in de dagperiode en 45 dB(A) in de nachtperiode toegestaan.

2.5.6. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, blijkt dat ten tijde van de vaststelling van de zone de equivalente geluidbelasting op de woningen Schielands Hoge Zeedijk 21 en 22 minder dan 55 dB(A) etmaalwaarde bedroeg. Gelet hierop is op deze woningen ten hoogste een equivalente geluidbelasting van 55 dB(A) etmaalwaarde toelaatbaar. Door in voorschrift 6.1 voor de woningen Schielands Hoge Zeedijk 21 en 22 een waarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van 58 dB(A) in de dagperiode toe te staan heeft het college in strijd gehandeld met artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 65 (oud) van de Wet geluidhinder.

Voorts overweegt de Afdeling dat de watertoren aan de Schielands Hoge Zeedijk 20, die na de vaststelling van de zone in elk geval feitelijk in gebruik is genomen als woning en derhalve als geluidgevoelig object dient te worden aangemerkt, blijkens de stukken, waaronder het deskundigenbericht, een hogere geluidbelasting vanwege het industrieterrein ondervindt dan de woningen Schielands Hoge Zeedijk 21 en 22 en derhalve geen afgeleide bescherming kan genieten van ter plaatse van laatstgenoemde woningen gestelde geluidgrenswaarden. Door voor de woning Schielands Hoge Zeedijk 20 geen waarde te stellen heeft het college in strijd gehandeld met artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer in samenhang met het in dit verband analoog toe te passen artikel 67, derde lid, (oud) van de Wet geluidhinder.

De beroepsgrond slaagt.

2.6. [appellant] en anderen betogen voorts dat het, gezien de aanzienlijke geluidbelasting die de inrichting veroorzaakt, niet redelijk is om ook nog het "12 dagen criterium" toe te passen. In elk geval ligt aan de toepassing daarvan volgens hen geen zorgvuldige afweging ten grondslag.

2.6.1. Het college betoogt dat slechts twaalf maal per jaar gedurende vier uur in de dagperiode een mobiele shredder mag worden ingezet. Hierbij treden volgens het college langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus op van ten hoogste 73 dB(A). Gezien de kortstondige duur van de activiteit acht het college deze acceptabel.

2.6.2. Ingevolge voorschrift 6.3, voor zover hier van belang, mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ten gevolge van de inzet van een mobiele shredder gedurende vier uur in de dagperiode voor maximaal twaalf dagen per kalenderjaar ter hoogte van de woningen Schielands Hoge Zeedijk 21 en 22 en de woning Veerstalblok 37 de waarde van 60 dB(A) niet overschrijden.

2.6.3. Bij de invulling van zijn beoordelingsvrijheid, wat de uitzonderingsregeling van voorschrift 6.3 betreft, heeft het college aansluiting gezocht bij paragraaf 5.3 van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Handreiking). Op grond van paragraaf 5.3 van de Handreiking kan ontheffing worden verleend om maximaal 12 maal per jaar bijzondere activiteiten (incidentele bedrijfssituaties) uit te voeren die meer geluid veroorzaken dan de geluidgrenzen voor de representatieve bedrijfssituatie uit de vergunning. Het bevoegd gezag dient in dit geval een deugdelijke afweging te verrichten tussen de belangen van de vergunningaanvrager en de omwonenden en dient de mogelijkheden tot beperking van de hinder te onderzoeken.

De Afdeling overweegt dat het college er bij zijn afweging in het kader van paragraaf 5.3 van de Handreiking van uit is gegaan dat de woningen aan de Schielands Hoge Zeedijk 20, 21 en 22 zijn gelegen op het gezoneerde industrieterrein. In het voorgaande is reeds overwogen dat het college ten onrechte van dat standpunt is uitgegaan. Gelet hierop is aan voorschrift 6.3 geen deugdelijke motivering ten grondslag gelegd, zodat het bestreden besluit in zoverre in strijd is met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

De beroepsgrond slaagt.

2.7. [appellant] en anderen betogen dat het college bij de beoordeling van trillinghinder ten onrechte is uitgegaan van de veronderstelling dat de woningen Schielands Hoge Zeedijk 20, 21 en 22 op het gezoneerde industrieterrein liggen. Zij betogen dat het college de Meet- en beoordelingsrichtlijn trillingen van de SBR, deel B, Hinder voor personen in gebouwen, uitgave augustus 2002 (hierna: SBR-richtlijn B) onjuist heeft toegepast en onvoldoende heeft gemotiveerd. Ook is volgens hen ten onrechte geen norm gesteld voor de woning Schielands Hoge Zeedijk 20.

2.7.1. Ingevolge voorschrift 6.5, onder 6, voor zover hier van belang, mogen de trillingen veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties en door de in de inrichting te verrichten werkzaamheden en/of activiteiten, in de woningen van derden op het industrieterrein (woningen Schielands Hoge Zeedijk 21 en 22) niet hoger zijn dan één van de daar genoemde waarden.

2.7.2. Bij de beoordeling van trillinghinder heeft het college SBR-richtlijn B gehanteerd. Volgens deze richtlijn mag voor woningen gelegen op een industrieterrein, na gemotiveerde afweging, bij de beoordeling worden uitgegaan van de waarden uit tabel 3 van de richtlijn vermenigvuldigd met een factor 1,8.

Het college heeft bij het stellen van de waarden van voorschrift 6.5, onder 6, voor de woningen aan de Schielands Hoge Zeedijk 21 en 22 voornoemde factor toegepast, ervan uitgaande dat deze woningen zijn gelegen op het gezoneerde industrieterrein. Volgens het college wordt door middel van de voor de woningen aan de Schielands Hoge Zeedijk 21 en 22 gestelde waarden ook voldoende bescherming gegeven aan de woning aan de Schielands Hoge Zeedijk 20.

In het voorgaande is reeds overwogen dat het college ten onrechte is uitgegaan van het standpunt dat de woningen aan de Schielands Hoge Zeedijk 20, 21 en 22 op het gezoneerde industrieterrein liggen. Gelet hierop en nu niet aannemelijk is geworden dat voorschrift 6.5, onder 6, ter plaatse van de woning Schielands Hoge Zeedijk 20 resulteert in waarden die ook zonder toepassing van voornoemde factor hadden kunnen worden gesteld, heeft het college zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voorschrift 6.5, onder 6, aan de woningen Schielands Hoge Zeedijk 20, 21 en 22 toereikende bescherming biedt tegen trillinghinder. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer.

De beroepsgrond slaagt.

2.8. Volgens [appellant] en anderen heeft het college er ten onrechte — op grond van het argument dat de kosten van het opslaan of het beheer van afvalstoffen na het staken van de bedrijfsactiviteiten minder bedragen dan € 100.000,00 — van afgezien voor te schrijven dat vergunninghoudster financiële zekerheid moet stellen voor deze kosten, aangezien volgens [appellant] en anderen het drempelbedrag € 10.000,00 bedraagt.

[appellant] en anderen betogen voorts dat het college ten onrechte niet heeft voorgeschreven dat vergunninghoudster financiële zekerheid moet stellen voor het verwijderen van eventuele bodemverontreiniging na het beëindigen van de bedrijfsactiviteiten.

2.8.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van het Besluit financiële zekerheid milieubeheer (hierna: het Besluit) kan het bevoegd gezag aan de vergunning voor een inrichting in categorieën van gevallen als aangewezen in bijlage I, voorschriften verbinden, die voor degene die de inrichting drijft de verplichting inhouden tot het stellen van financiële zekerheid voor het nakomen van krachtens de vergunning voor hem geldende verplichtingen ten aanzien van het beheer van afvalstoffen na het beëindigen van de activiteiten in die inrichting.

In artikel 3, tweede lid, van het Besluit zijn criteria opgenomen die het bevoegd gezag in ieder geval moet betrekken bij de beslissing omtrent het opleggen van de verplichting tot het stellen van financiële zekerheid.

In bijlage I behorende bij artikel 3 van het Besluit, aanhef en onder a en slot, is — kort weergegeven — categorie 28 van bijlage I uit het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (hierna: het Ivb), aangewezen als categorie van inrichtingen die ernstige nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken en ten aanzien waarvan het bevoegd gezag in de vergunning het stellen van financiële zekerheid kan voorschrijven voor zover de kosten van het beheer van de desbetreffende afvalstoffen meer bedragen dan € 10.000,00.

2.8.2. Niet in geschil is dat het hier gaat om een inrichting als bedoeld in categorie 28 van het Ivb. Voorop staat dat het college bevoegd maar niet verplicht is een voorschrift met betrekking tot het stellen van financiële zekerheid op te nemen, teneinde te voorkomen dat afvalstoffen op kosten van het bevoegd gezag moeten worden afgevoerd in geval van betalingsonmacht van de vergunninghouder.

Bij de beoordeling van de vraag of voor de kosten van het beheer van afvalstoffen een verplichting tot het stellen van financiële zekerheid wordt opgelegd, heeft het college volgens het bestreden besluit de richtlijn "IPO-interimbeleid Besluit financiële zekerheid milieubeheer" van het Interprovinciaal Overleg van 3 november 2005 (hierna: de IPO-richtlijn) gehanteerd. Volgens deze richtlijn is besloten om voor een ondergrens van € 100.000,00 voor het beheer van afvalstoffen te kiezen voor inrichtingen welke vallen onder categorie 28 van het Ivb; beneden deze grens wordt volgens de richtlijn geen financiële zekerheidstelling gevraagd.

Het college stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat geen financiële zekerheid zal worden verlangd, nu uit de opgave in de aanvraag blijkt dat de beheerskosten met € 95.000,00 onder de drempelwaarde van € 100.000,00 uit de IPO-richtlijn liggen.

In zijn nadere memorie heeft het college betoogd dat bij navraag bij vergunninghoudster is gebleken dat de beheerskosten met inbegrip van de transportkosten € 105.000,00 bedragen, doch dat het niet nodig is om een nadere toetsing te verrichten en financiële zekerheid te vragen, aangezien, op basis van de in het kader van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur gevraagde en getoetste gegevens, de financiële toestand van het moederbedrijf voldoende gezond en solvabel moet worden geacht.

De Afdeling overweegt dat het college, wat er zij van het hanteren van een drempelwaarde als neergelegd in de IPO-richtlijn, zijn standpunt dat ondanks overschrijding van deze drempelwaarde geen financiële zekerheidsstelling hoefde te worden verlangd, gelet op het bepaalde in artikel 3, tweede lid, van het Besluit, ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Gezien het vorenstaande is het bestreden besluit in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.8.3. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Besluit, kan het bevoegd gezag aan de vergunning voor een inrichting in categorieën van gevallen als aangewezen in bijlage 2, voorschriften verbinden, die voor degene die de inrichting drijft, de verplichting inhouden tot het stellen van financiële zekerheid ter dekking van zijn aansprakelijkheid voor schade aan de bodem.

In bijlage 2 behorende bij artikel 7 van het Besluit, voor zover hier van belang, zijn onder 1 als categorie aangewezen inrichtingen waarbij sprake is van een aanvaardbaar risico dan wel een tijdelijk verhoogd of hoog risico op verontreiniging van de bodem als bedoeld in de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten (informatiecentrum Milieuvergunningen, uitgave 2001; hierna: NRB).

2.8.4. Op grond van de stukken, waaronder het deskundigenbericht, is aannemelijk dat in de inrichting door middel van de aangevraagde en voorgeschreven bodembeschermende voorzieningen een verwaarloosbaar risico als bedoeld in de NRB wordt genomen. Gelet hierop heeft het college op goede gronden geconcludeerd dat de inrichting niet valt onder categorie 1 van bijlage 2 behorende bij artikel 7 van het Besluit. Het college heeft zich dan ook op goede gronden op het standpunt gesteld dat een financiële zekerheidsstelling ter dekking van de aansprakelijkheid voor schade aan de bodem niet kon worden verlangd.

2.9. Het beroep van [appellant] en anderen is, voor zover ontvankelijk, gegrond. Reeds omdat het geluidaspect bepalend is voor de vraag of vergunning kan worden verleend, komt het bestreden besluit geheel voor vernietiging in aanmerking. De overige beroepsgronden van [appellant] en anderen behoeven geen bespreking.

2.10. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant] en anderen niet-ontvankelijk voor zover het is ingesteld door [6 appellanten] en trillinghinder en bodemverontreiniging betreft, en voor zover het is ingesteld door [2 appellanten] en bodemverontreiniging betreft;

II. verklaart het beroep van [appellant] en anderen voor het overige gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 12 februari 2007, kenmerk DGWM 2007/1907;

IV. gelast dat de provincie Zuid-Holland aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en drs. H. Borstlap, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Lap

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2008

271-495.