Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC4253

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-02-2008
Datum publicatie
13-02-2008
Zaaknummer
200705532/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 8 augustus 2006 heeft de burgemeester van Nijmegen (hierna: de burgemeester) aan [appellant] medegedeeld het verzoek om hem vergunning te verlenen om als beheerder op te mogen treden van een seksinrichting niet in behandeling te nemen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Algemene wet bestuursrecht 7:1
Algemene wet bestuursrecht 8:1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2008/73
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200705532/1.

Datum uitspraak: 13 februari 2008.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Nijmegen,

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/4887 van de rechtbank Arnhem van 20 juni 2007 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Nijmegen.

1. Procesverloop

Bij brief van 8 augustus 2006 heeft de burgemeester van Nijmegen (hierna: de burgemeester) aan [appellant] medegedeeld het verzoek om hem vergunning te verlenen om als beheerder op te mogen treden van een seksinrichting niet in behandeling te nemen.

Bij besluit van 5 oktober 2006 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 20 juni 2007, verzonden op 28 juni 2007, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 augustus 2007, hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 januari 2008, waar [appellant], bijgestaan door mr. P. Wessing, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. Ö. Dalar-Ummaz, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Artikel 3.4.2. van de Algemene Plaatselijke Verordening van Nijmegen (hierna: de APV) luidt als volgt:

"1 Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3.2.1, derde lid, onder b, het beheer in de seksinrichting feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.

2 Het beheer kan slechts worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3.3.2, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige toepassing.

3 In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is besloten."

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat hij bij onderscheiden brieven van 10 juli 2006 heeft verzocht hem te vergunnen om als beheerder op te mogen treden van een niet nader bepaalde seksinrichting en niet zoals de rechtbank heeft overwogen van de seksinrichting aan de [locatie] te Nijmegen.

2.3. De verzoeken van [appellant] van 10 juli 2006 strekken, anders dan de rechtbank heeft aangenomen, tot de verkrijging van een vergunning om als beheerder van een niet nader bepaalde seksinrichting te mogen optreden. Gelet op het navolgende leidt dit echter niet tot gegrondverklaring van het hoger beroep.

Aan de burgemeester komt, op grond van de APV noch anderszins, de bevoegdheid toe een vergunning te verlenen als door [appellant] gevraagd. De onderscheiden brieven van [appellant] van 10 juli 2006 kunnen dan ook niet worden aangemerkt als aanvragen in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb, evenmin als de brief van de burgemeester van 8 augustus 2006 kan worden aangemerkt als besluit. Hiertegen kon dan ook geen bezwaar worden gemaakt ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, van de Awb. De burgemeester heeft het bezwaar van [appellant] tegen het buiten behandeling laten van de verzoeken dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank is, zij het op andere gronden, tot dezelfde conclusie gekomen.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient met verbetering van de gronden waarop deze rust te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2008.

176-538.