Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC4243

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-02-2008
Datum publicatie
13-02-2008
Zaaknummer
200703611/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 april 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zundert (hierna: het college) aan de Coöperatieve Land- en Tuinbouwvereniging "Zundert en Omstreken" U.A. (hierna: de CLTV) een vergunning, als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, verleend voor een distributiecentrum ten behoeve van de tuinbouwveiling en aanverwante activiteiten aan de Molenstraat 155 te Zundert. Dit besluit is op 16 april 2007 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.11
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Algemene wet bestuursrecht 3:46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/408
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703611/1.

Datum uitspraak: 13 februari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Zundert,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 april 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zundert (hierna: het college) aan de Coöperatieve Land- en Tuinbouwvereniging "Zundert en Omstreken" U.A. (hierna: de CLTV) een vergunning, als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, verleend voor een distributiecentrum ten behoeve van de tuinbouwveiling en aanverwante activiteiten aan de Molenstraat 155 te Zundert. Dit besluit is op 16 april 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 mei 2007, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 juni 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 januari 2008, waar [appellante], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door C.M.M. Huijbregts en M. Buckens, werkzaam bij de gemeente, en R.E.S.S. Vliex, werkzaam bij de Regionale Milieudienst West-Brabant, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting de CLTV, vertegenwoordigd door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg, bijgestaan door E.A.P.M. Bastiaensen, als belanghebbende gehoord.

2. Overwegingen

2.1. [appellante] voert aan dat aanvraag onjuist dan wel onvoldoende duidelijk is.

Hetgeen [appellante] heeft aangevoerd leidt de Afdeling niet tot het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanvraag voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen voor het milieu.

2.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.3. [appellante] voert aan dat moet worden gevreesd voor geluidhinder van het in werking zijn van de inrichting. Zij betoogt dat ten onrechte is toegestaan dat in de nachtperiode vrachtwagenbewegingen maximale geluidniveaus veroorzaken die hoger zijn dan 60 dB(A). [appellante] voert ook aan dat het college ten onrechte uitgaat van een maximale binnenwaarde in haar woning van 45 dB(A).

2.3.1. Ingevolge voorschrift 1.8.3, voor zover hier van belang, mag het maximale geluidniveau veroorzaakt door ten hoogste vier verkeersbewegingen met vrachtwagens in de nachtperiode, ter plaatse van de achtergevel van de woning Wernhoutseweg 1, de zijgevel van die woning, de achtergevel van de woning Wernhoutseweg 3/5 en de appartementen aan de overzijde van de Wernhoutseweg, niet meer bedragen dan onderscheidenlijk 65, 62, 64 en 65 dB(A).

Ingevolge voorschrift 1.8.5, voor zover hier van belang, dient binnen negen maanden na het van kracht worden van de vergunning door middel van een geluidmeting te worden aangetoond dat het maximale geluidniveau in de in voorschrift 1.8.3 genoemde woningen ten hoogste 45 dB(A) bedraagt. Het voorschrift bepaalt verder dat indien deze grenswaarde mocht worden overschreden, bij de resultaten van de meting een plan van aanpak dient te worden gevoegd op welke wijze de woningen op kosten van de CLTV kunnen worden geïsoleerd.

2.3.2. Het college heeft ter invulling van zijn beoordelingsvrijheid hoofdstuk 4 en paragraaf 3.2 van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking) toegepast.

Voor het maximale geluidniveau geldt op grond van paragraaf 3.2 van de Handreiking een voorkeursgrenswaarde van het equivalente geluidniveau vermeerderd met 10 dB(A). Aanbevolen wordt dat de grenswaarden voor het maximale geluidniveau niet hoger zijn dan 70, 65 en 60 dB(A) in onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode. Paragraaf 3.2 van de Handreiking biedt evenwel de mogelijkheid om in gevallen waarin niet aan deze grenswaarden kan worden voldaan in een onvermijdbare situatie waarin technische noch organisatorische maatregelen soelaas bieden om het maximale geluidniveau te beperken, de grenswaarden van 60 dB(A) voor de nachtperiode met ten hoogste 5 dB(A) te overschrijden. Deze uitzonderlijke situaties dienen in de vergunning te worden aangegeven.

2.3.3. De in voorschrift 1.8.3 gestelde grenswaarden zijn hoger dan op grond van de Handreiking voor de nachtperiode ten hoogste wordt aanbevolen. Het college neemt het standpunt in dat deze grenswaarden in dit geval desondanks aanvaardbaar zijn. Daarbij acht het college het van belang dat de inrichting al gedurende langere tijd in werking is en de verkeersbewegingen met vrachtwagens ook altijd hebben plaatsgevonden. Verder heeft het bij zijn beoordeling betrokken dat ter reductie van de geluidbelasting van de desbetreffende woningen reeds een geluidscherm is voorgeschreven en dat verdere geluidreductie niet mogelijk is. Gezien het aan de vergunning verbonden voorschrift 1.8.5, acht het college verder een binnenwaarde van 45 dB(A), zoals die in de Handreiking wordt aanbevolen, in de desbetreffende woningen gewaarborgd.

2.3.4. Blijkens de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende aanvraag en het verhandelde ter zitting hangen de verkeersbewegingen met vrachtwagens in de nachtperiode samen met de aanvoer van groenten en fruit in de zomerperiode ten behoeve van de veiling.

Niet is gebleken dat de verkeersbewegingen met vrachtwagens in de nachtperiode zoals die thans aan de orde zijn, onderdeel waren van de bedrijfsvoering zoals die in de onderliggende vergunningen is vergund. Verder staat niet vast dat in de desbetreffende woningen aan de door het college beoogde norm van 45 dB(A) wordt voldaan. Voorschrift 1.8.5 biedt geen soelaas, reeds omdat niet is voorgeschreven dat geluidisolerende maatregelen daadwerkelijk worden gerealiseerd.

Onder deze omstandigheden moet worden geconcludeerd dat het besluit in zoverre onzorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd, zodat het college bij het nemen daarvan heeft gehandeld in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Deze beroepsgrond slaagt.

2.4. Het beroep is gegrond. Nu in dit geval het geluidaspect bepalend is voor de vraag of de gevraagde vergunning kan worden verleend, dient het gehele bestreden besluit te worden vernietigd. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking.

2.5. Voor zover in hetgeen [appellante] aanvoert een verzoek is vervat om het college te veroordelen in door haar geleden schade, komt dit niet voor inwilliging in aanmerking omdat de door [appellante] gestelde schade, veroorzaakt door sloopwerkzaamheden op het terrein van de inrichting en de in de afgelopen jaren ondervonden overlast vanwege het in werking zijn van de inrichting, niet voortvloeit uit het bestreden besluit.

2.6. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zundert van 3 april 2007, kenmerk 3795;

III. wijst het verzoek om schadevergoeding af;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Zundert tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 24,18 (zegge: vierentwintig euro en achttien cent); het dient door de gemeente Zundert aan [appellante] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

V. gelast dat de gemeente Zundert aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en drs. H. Borstlap, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.G. Timmerman, ambtenaar van Staat.

w.g. Schaafsma w.g. Timmerman

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2008

431.