Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC4240

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-02-2008
Datum publicatie
13-02-2008
Zaaknummer
200608739/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 februari 2006 heeft de gemeenteraad van Maasdriel het bestemmingsplan "Buitengebied Binnendijks deel" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2008/4421
ABkort 2008/131
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200608739/1.

Datum uitspraak: 13 februari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellante sub 2] e.a., alle gevestigd dan wel wonend te [plaats],

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

5. [appellant sub 5], wonend te [woonplaats],

6. [appellant sub 6], wonend te [woonplaats],

7. [appellante sub 7A], thans haar rechtsopvolger [appellant sub 7B], wonend te [woonplaats],

8. [appellant sub 8], wonend te [woonplaats],

9. [appellant sub 9], wonend te [woonplaats],

10. [appellante sub 10], waarvan de maten zijn [maat A], [maat B] en [maat C], gevestigd te [plaats],

11. [appellant sub 11], wonend te [woonplaats],

12. [appellant sub 12], wonend te [woonplaats],

13. [appellante sub 13], gevestigd te [plaats],

14. [appellant sub 14], wonend te [woonplaats],

15. de vereniging "Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie, Afdeling Maasdriel", gevestigd te Rossum, gemeente Maasdriel,

16. [appellant sub 16], wonend te [woonplaats],

17. [appellante sub 17], gevestigd te [plaats],

18. [appellant sub 18], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 februari 2006 heeft de gemeenteraad van Maasdriel het bestemmingsplan "Buitengebied Binnendijks deel" vastgesteld.

Bij besluit van 17 oktober 2006, kenmerk 2006-07797, heeft verweerder zowel ingevolge artikel 28 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) als ingevolge artikel 19j van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) beslist over de goedkeuring van dit plan.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief van 4 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op 5 december 2006, [appellante sub 2] e.a. bij brief van 7 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op 8 december 2006, [appellant sub 3] bij brief van 7 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, [appellant sub 4] bij brief van 8 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, [appellant sub 5] bij brief van 8 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, [appellant sub 6] bij brief van 8 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, [appellant sub 7B] bij brief van 7 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, [appellant sub 8] bij brief van 7 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op 8 december 2006, [appellant sub 9] bij brief van 8 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, [appellante sub 10] bij brief van 8 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, [appellant sub 11] bij brief van 15 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op 18 december 2006, [appellant sub 12] bij brief van 18 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, [appellante sub 13] bij brief van 18 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op 19 december 2006, [appellant sub 14] bij brief van 18 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, de vereniging "Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie, Afdeling Maasdriel" bij brief van 14 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op 19 december 2006, [appellant sub 16] bij brief van 19 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, [appellante sub 17] bij brief van 19 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, en [appellant sub 18] bij brief van 19 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op 20 december 2006, beroep ingesteld.

[appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellante sub 7A], [appellant sub 8], [appellant sub 9] en [appellante sub 10] hebben hun beroepen aangevuld bij brieven van 8 januari 2007. [appellant sub 16] en [appellante sub 17] hebben hun beroepen aangevuld bij brieven van 16 januari 2007. [appellant sub 12] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 17 januari 2007.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 12 juli 2007 (hierna: het deskundigenbericht). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren, naar aanleiding waarvan enige zienswijzen zijn ontvangen.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [appellant sub 11], [appellant sub 4], [appellant sub 3] en van [appellante sub 17]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 november 2007, waar [appellant sub 1], bijgestaan door drs. H.P.W. Havens, [appellante sub 2] e.a., vertegenwoordigd door mr. drs. J.G.M. van Mierlo, [appellant sub 3], bijgestaan door ing. H.W. Ebbers, [appellant sub 4] en [appellant sub 9], beiden bijgestaan door mr. J.H. Hartman, [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 7B], [appellant sub 8], allen vertegenwoordigd door mr. J.H. Hartman, [appellante sub 10], vertegenwoordigd door mr. J.H. Hartman, en vergezeld door [gemachtigde], [appellant sub 11], bijgestaan door ir. H.G.J. Wesseldijk, [appellant sub 12], bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, [appellante sub 13], vertegenwoordigd door mr. W. Braam, [appellant sub 14], vertegenwoordigd door [gemachtigde], [appellant sub 16] en [appellante sub 17], beide vertegenwoordigd door mr. G.J.I.M. Seelen, advocaat te Leiden, en [appellant sub 18], bijgestaan door mr. M. Bos, advocaat te Rosmalen, en verweerder, vertegenwoordigd door P.G.A.L. Evers en mr. V.C.E. Wattenberg, beiden ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is daar gehoord de gemeenteraad van Maasdriel, vertegenwoordigd door A.G. van Liempt, ambtenaar van de gemeente.

2. Overwegingen

Toetsingskader

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan, dat mede is opgesteld om te voldoen aan artikel 30, eerste lid, van de WRO, in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Ontvankelijkheid

2.2. Het beroep van de vereniging "Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie, Afdeling Maasdriel" (hierna: ZLTO) voor zover gericht tegen de goedkeuring van de aanduiding "agrarisch bouwperceel" op de plandelen met de bestemming "Agrarische doeleinden" met de aanduiding "ch-champignons", steunt niet op een bij verweerder ingebrachte bedenking.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, van de WRO en artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot goedkeuring van verweerder voor zover dit beroep de goedkeuring van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het vastgestelde plan bij verweerder ingebrachte bedenking heeft bestreden. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen bedenkingen heeft ingebracht.

Deze omstandigheid doet zich niet voor.

2.2.1. Het beroep van ZLTO is dan ook in zoverre niet-ontvankelijk.

Formele aspecten

2.3. Voor zover [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 7B] en [appellant sub 8] aanvoeren dat een drietal door hen genoemde percelen in de uiteindelijke versie van de retrospectieve toets niet te zijn herleiden tot het raadsbesluit waarbij het plan gewijzigd is vastgesteld, wordt overwogen dat de retrospectieve toets geen deel uitmaakt van het plan. Derhalve komt deze toets geen juridisch bindende betekenis toe. Gebleken is dat na de vaststelling van het plan niet op de plankaart noch in de planvoorschriften wijzigingen zijn aangebracht met betrekking tot de thans in geding zijnde percelen. Gelet hierop heeft verweerder in de stelling van appellanten met betrekking tot de retrospectieve toets geen aanleiding hoeven zien om goedkeuring te onthouden.

Het plan

2.4. Het plan voorziet in een planologische regeling voor de binnendijks gelegen gronden van het buitengebied van de gemeente Maasdriel, met uitzondering van de intensiveringszones voor glastuinbouw.

De beroepen van [appellant sub 3], [appellant sub 11] en het beroep van ZLTO voor zover dat betrekking heeft op de percelen [locatie 1] en [locatie 2]

2.5. Verweerder heeft zowel op grond van artikel 19j, eerste lid, van de Nbw 1998 als op grond van artikel 28 van de WRO goedkeuring onthouden aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschaps- en cultuurhistorische waarden" met, voor zover thans van belang, de aanduidingen "agrarisch bouwperceel" en "ivh-intensieve veehouderij" ter plaatse van het perceel [locatie 1] te [plaats]. Hij stelt zich op het standpunt dat aan het perceel ruime uitbreidingsmogelijkheden zijn toegekend, terwijl de effecten op het nabijgelegen Natura 2000-gebied niet zijn onderzocht.

2.5.1. Voorts heeft verweerder zowel op grond van artikel 19j, eerste lid, van de Nbw 1998 als op grond van artikel 28 van de WRO goedkeuring onthouden aan het oostelijk deel van het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied" met de aanduidingen "agrarisch bouwperceel" en "gt-glastuinbouw" ter plaatse van het perceel [locatie 2] te [plaats]. Hij stelt zich op het standpunt dat aan het perceel uitbreidingsmogelijkheden ten behoeve van kassencomplexen zijn toegekend, terwijl de effecten van assimilatiebelichting op het nabijgelegen Natura 2000-gebied niet zijn onderzocht en in het plan geen bepalingen ten aanzien van verlichting zijn opgenomen.

2.6. ZLTO betoogt dat de onthouding van goedkeuring aan de evenbedoelde plandelen te ver voert, nu voor de activiteiten op de percelen reeds een toets moet worden uitgevoerd in het kader van de vergunningverlening op grond van de Nbw 1998. Voorts kan, aldus ZLTO, het vergroten van een agrarisch bouwperceel niet worden gezien als een besluit dat invloed heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied.

2.7. [appellant sub 3] betoogt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan de bestemming voor zijn perceel [locatie 1]. Hij voert hiertoe aan dat verweerder er rekening mee had moeten houden dat hij geiten op biologische wijze houdt, hetgeen geen intensieve veehouderij is en van welke bedrijfsvoering geen schadelijke effecten op het milieu zijn te verwachten. Tevens betoogt hij dat verweerder ten onrechte is uitgegaan van de buitenste grens van het Natura 2000-gebied, nu dit agrarische gronden betreft waar slechts een gedeelte van het jaar ganzen aanwezig zijn. Voorts heeft verweerder ten onrechte niet het onderzoek van Alterra - waaruit, zo stelt van [appellant sub 3], blijkt dat de schadelijke effecten van ammoniak voor het grootste deel worden veroorzaakt door de hoge achtergronddepositie en dat effecten van veehouderijen in de omgeving van natuurgebieden niet of nauwelijks merkbaar zijn - bij zijn besluit betrokken.

2.8. [appellant sub 11] betoogt dat verweerder, door goedkeuring te onthouden aan de bestemming voor zijn perceel [locatie 2], heeft miskend dat hij, gezien het voorheen geldende plan en het door de gemeenteraad vastgestelde plan "Buitengebied 2002", erop mocht vertrouwen dat hij op het perceel mocht bouwen. Voorts betoogt [appellant sub 11] dat verweerder er ten onrechte van is uitgegaan dat in zijn bedrijf assimilatiebelichting wordt toegepast. Voorts is op het gebruik van assimilatiebelichting milieuwetgeving van toepassing, waardoor assimilatiebelichting wordt beperkt, en zijn er afspraken tussen LTO Glaskracht en de Stichting Natuur en Milieu over de aanpak van lichtemissie, aldus [appellant sub 11].

2.9. Ingevolge artikel 10a, eerste lid, van de Nbw 1998, voor zover hier van belang, wijst de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit gebieden aan ter uitvoering van richtlijn (EEG) nr. 79/409 en richtlijn (EEG) nr. 92/43.

2.9.1. Ingevolge artikel V, eerste lid, van de Wet van 20 januari 2005 tot wijziging van de Natuurbeschermingswet in verband met Europeesrechtelijke verplichtingen (Staatsblad 2005, 195) gelden de besluiten van Onze minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit houdende de aanwijzing van gebieden ter uitvoering van ingevolge richtlijn (EEG) nr. 79/409 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (pbEG L 103, hierna: de Vogelrichtlijn) als besluiten als bedoeld in artikel 10a van de Nbw 1998.

2.9.2. Bij besluit van 24 maart 2000 (Stcrt. 31 maart 2000, nr. 302) is "De Waal" aangewezen als Speciale Beschermingszone als bedoeld in artikel 4, eerste en tweede lid, van de Vogelrichtlijn.

2.9.3. Ingevolge artikel 19j, eerste lid, gelezen in samenhang met het tweede lid, van de Nbw 1998, behoeft een besluit tot het vaststellen van een bestemmingsplan dat, gelet op de instandhoudingsdoelstelling voor een op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in het aangewezen gebied kan verslechteren of een verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, de goedkeuring van het college van gedeputeerde staten.

Ingevolge het derde lid van artikel 19j van de Nbw 1998 zijn bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan als bedoeld in het eerste lid, ongeacht de beperkingen in het wettelijk voorschrift waarop dat berust, de artikelen 19e, 19f, 19g en 19h van de Nbw 1998 van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 19f van de Nbw 1998, voor zover hier van belang, wordt bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen, projecten of handelingen significante gevolgen kan hebben voor een aangewezen gebied, een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling van dat gebied.

2.9.4. Met betrekking tot het standpunt van ZLTO dat, nu de activiteiten op de percelen vergunningplichtig zijn op grond van artikel 19d van de Nbw 1998, goedkeuring op grond van artikel 19j van de Nbw 1998 niet toepasbaar is, overweegt de Afdeling dat het vergunningplichtig zijn van de activiteiten van [appellant sub 3] en [appellant sub 11] de toepasselijkheid van het goedkeuringsvereiste op grond van artikel 19j van de Nbw 1998 niet opzij zet.

2.9.5. [appellant sub 3] exploiteert op het perceel [locatie 1] een melkgeitenhouderij annex geitenfokkerij. Het perceel ligt op ongeveer 400 meter van het Vogelrichtlijngebied "De Waal". Aan dit perceel is in het plan de bestemming "Agrarische doeleinden met landschaps- en cultuurhistorische waarden" met de aanduidingen "agrarisch bouwperceel" en "ivh-intensieve veehouderij" toegekend. Op grond van artikel 4, tweede lid, onder f, van de planvoorschriften is op het perceel een intensieve veehouderij toegestaan. Het plan voorziet in een uitbreiding van het agrarisch bedrijf van [appellant sub 3].

2.9.6. [appellant sub 11] exploiteert op het perceel [locatie 2] een glastuinbouwbedrijf. Het perceel ligt ongeveer 200 meter ten zuiden van het Vogelrichtlijngebied "De Waal". Het perceel heeft de bestemming "Agrarisch gebied" met de aanduidingen "agrarisch bouwperceel" en "gt-glastuinbouw". Ingevolge artikel 3, tweede lid, onder d, van de planvoorschriften is op het perceel een glastuinbouwbedrijf toegestaan. Het agrarisch bouwperceel heeft thans een totale oppervlakte van ongeveer 2,5 hectare, de huidige bebouwing bedraagt ongeveer 0,6 hectare. In de planvoorschriften is geen bepaling opgenomen die ziet op een beperking van het gebruik van assimilatiebelichting.

2.9.7. De uitbreidingsmogelijkheden die het plan aan beide agrarische bedrijven biedt kunnen een verslechterend of verstorend effect hebben op de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in het Vogelrichtlijngebied. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat het plan goedkeuring behoeft op grond van artikel 19j van de Nbw 1998. Gelet hierop faalt het hiertegen gerichte betoog van ZLTO.

2.9.8. Op grond van artikel 19j, derde lid, van de Nbw 1998, diende de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan de zogenoemde habitattoets uit te voeren. De gemeenteraad diende in dat kader allereerst te onderzoeken of op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat het plan afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen heeft voor het Vogelrichtlijngebied "De Waal". Nu uit de stukken niet is gebleken dat de gemeenteraad een onderzoek heeft uitgevoerd naar de gevolgen van de toegekende uitbreidingsmogelijkheden voor beide agrarische bedrijven voor het Vogelrichtlijngebied heeft verweerder terecht gesteld dat het plan op dit punt in strijd met artikel 19j, derde lid, van de Nbw 1998 is vastgesteld.

Het betoog van [appellant sub 3] en [appellant sub 11] dat zij hun bedrijfsvoering zo zullen inrichten dat daarvan geen negatieve effecten op het Vogelrichtlijngebied zijn te verwachten, doet aan de hiervoor genoemde onderzoeksverplichting van de gemeenteraad niet af.

2.10. De conclusie is dat hetgeen ZLTO, [appellant sub 3] en [appellant sub 11] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschaps- en cultuurhistorische waarden" met, voor zover thans van belang, de aanduidingen "agrarisch bouwperceel" en "ivh-intensieve veehouderij" ter plaatse van het perceel [locatie 1] te [plaats] en het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied" met de aanduidingen "agrarisch bouwperceel" en "gt-glastuinbouw" ter plaatse van het perceel [locatie 2] te [plaats] in strijd met artikel 19j van de Nbw 1998 zijn vastgesteld. De beroepen [appellant sub 3] en [appellant sub 11] zijn mitsdien ongegrond. Het beroep van ZLTO is in zoverre ongegrond.

Het beroep van ZLTO voor zover dat betrekking heeft op de bouwpercelen van solitaire glastuinbouwbedrijven

2.11. ZLTO betoogt dat ten onrechte de bouwpercelen op een aantal door haar in haar beroepschrift genoemde percelen zijn verkleind. De op deze percelen gelegen glastuinbouwbedrijven kunnen ten onrechte niet zonder meer, zoals onder de voorheen geldende plannen, ter plaatse uitbreiden. Dit klemt volgens ZLTO te meer nu de intensiveringsgebieden niet beschikbaar zijn, omdat het "Regionaal plan Bommelerwaard" door de Afdeling is vernietigd.

2.11.1. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de in het plan opgenomen regeling voor de uitbreiding van glastuinbouwbedrijven in overeenstemming is met het streekplanbeleid. Bij recht kunnen deze bedrijven 20% van de bestaande glasopstanden uitbreiden, slechts onder stringente voorwaarden kan aan verdergaande uitbreiding worden meegewerkt, aldus verweerder.

2.11.2. In de plantoelichting is opgenomen dat uitbreiding van glastuinbouwbedrijven bij voorkeur dient plaats te vinden in de bestaande intensiveringszones. Voor solitaire glastuinbouwbedrijven geldt dat deze dienen te worden bestemd overeenkomstig de vigerende omvang. Conform het provinciaal beleid mogen deze bedrijven bij recht eenmalig worden uitgebreid met maximaal 20% van de bestaande glasopstanden. Voor alle solitaire glastuinbouwbedrijven geldt dat verdergaande uitbreiding slechts mogelijk is via een wijzigingsprocedure, waarbij ondermeer aangetoond dient te worden dat de uitbreiding zich verdraagt met de ter plaatse van belang zijnde kwaliteiten en dat uitbreiding noodzakelijk is voor een doelmatige voortzetting van het bedrijf.

De aan de solitaire glastuinbouwbedrijven geboden uitbreidingsmogelijkheden van 20% van de bestaande bebouwing is verwerkt in het bouwperceel dat voor ieder individueel agrarisch bedrijf op de plankaart is aangegeven.

In de planvoorschriften is voorzien in wijzigingsbevoegdheden op grond van artikel 11 van de WRO voor het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) om onder voorwaarden de bouwpercelen van glastuinbouwbedrijven te vergroten.

2.11.3. Voor zover ZLTO stelt dat de intensiveringsgebieden niet meer beschikbaar zijn, omdat de concrete beleidsbeslissing in de op het Streekplan Gelderland 1996 gebaseerde partiële herziening "De Bommelerwaard" door de Afdeling is vernietigd, wordt overwogen dat dit niet zonder meer betekent dat deze gebieden niet beschikbaar zijn voor glastuinbouwbedrijven. Op 20 september 2005 is het Streekplan Gelderland 2005 (hierna: het streekplan) in werking getreden. Het streekplan vervangt het Streekplan Gelderland 1996 en de daarop gebaseerde partiële herzieningen. Gelet op het beleid zoals dat is neergelegd in het streekplan zijn daarin concentratiegebieden voor glastuinbouwbedrijven niet uitgesloten. Tevens blijkt uit de stukken dat de gemeenteraad voornemens is een bestemmingsplan voor deze gebieden in zijn gemeente vast te stellen. Gelet hierop faalt het betoog van ZLTO dat de intensiveringsgebieden niet meer beschikbaar zijn.

2.11.4. In het streekplan is opgenomen dat concentratie van glastuinbouw gewenst blijft, omdat kassen een zeer grote landschappelijke en ruimtelijke impact hebben, in de concentratiegebieden gezamenlijke milieu-investeringen kunnen worden gedaan en de centrumfunctie in de glastuinbouw ook economisch belangrijk is. Om onder meer deze redenen zijn volgens het in het streekplan neergelegde beleid geïsoleerd gelegen bedrijven niet gewenst. Voor bestaande geïsoleerd gelegen glastuinbouwbedrijven is naast een eenmalige uitbreiding van 20% bij recht onder bepaalde voorwaarden een verdergaande uitbreiding mogelijk.

2.11.5. De Afdeling acht, mede gelet op ruimtelijke uitstraling van kassen, het beleid van verweerder en de gemeenteraad om glastuinbouw te concentreren, niet onredelijk. Gelet op de aan solitaire glastuinbouwbedrijven toegekende agrarische bouwpercelen kunnen zij met 20% ten opzichte van de bestaande kassenbebouwing uitbreiden. Voorts is in het plan voorzien in een wijzigingsbevoegdheid voor het college op grond van artikel 11 van de WRO, waardoor het onder voorwaarden mogelijk is de bouwpercelen van glastuinbouwbedrijven te vergroten. Gelet hierop heeft verweerder in redelijkheid kunnen instemmen met de in het plan aan glastuinbouwbedrijven toegekende uitbreidingsmogelijkheden.

2.11.6. De conclusie is dat hetgeen ZLTO heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in het plan neergelegde regeling inzake de uitbreidingsmogelijkheden van solitair gelegen glastuinbouwbedrijven in zijn algemeenheid niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarin wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is in zoverre mitsdien ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 1]

2.12. [appellant sub 1] betoogt dat het agrarisch bouwblok op de percelen, waarop hij een glastuinbouwbedrijf exploiteert ten onrechte is verkleind. Door de te geringe uitbreidingsmogelijkheden wordt hij in zijn bedrijfsvoering beperkt.

2.12.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bedrijf van [appellant sub 1] buiten de intensiveringsgebieden voor glastuinbouw is gelegen, en dat voor dergelijke bedrijven in het plan, in overeenstemming met het provinciaal beleid, een uitbreidingsmogelijkheid van maximaal 20% ten opzichte van de bestaande bebouwing is opgenomen.

2.12.2. Voor het gemeentelijk en provinciaal beleid inzake de solitair gelegen glastuinbouwbedrijven wordt verwezen naar hetgeen is overwogen in 2.11.2. en 2.11.4..

2.12.3. Onder het voorheen geldende plan "Buitengebied herziening 1993", vastgesteld door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Rossum op 23 februari 1995, hadden, voor zover thans van belang, de percelen van [appellant sub 1] een agrarisch bouwblok met een oppervlakte van 1,8 hectare.

2.13. [appellant sub 1] exploiteert op de percelen [locatie 3] en [locatie 4] te [plaats] een glastuinbouwbedrijf. De gronden hebben thans de bestemming "Agrarisch gebied" met de aanduidingen "agrarisch bouwperceel", "gt-glastuinbouw" en "2dw-maximaal toegestane bedrijfswoningen". Het agrarisch bouwblok van [appellant sub 1] beslaat in het onderhavige plan een oppervlakte van ongeveer 6.720 m², waarvan de bestaande kassenbebouwing 5.600 m² bedraagt en is gelegen achter de woning [locatie 3]. De uitbreidingsmogelijkheid bedraagt 20% ten opzichte van de bestaande bebouwing en is gesitueerd achter de woning [locatie 4]. Voorts is in artikel 3, vijfde lid, onder 3, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, voorzien in een wijzigingsbevoegdheid voor het college om met gebruikmaking van artikel 11 van de WRO onder in dit artikel genoemde voorwaarden het agrarisch bouwperceel te vergroten.

2.13.1. Het agrarisch bouwperceel van [appellant sub 1] is uitgebreid met 20% ten opzichte van de bestaande bebouwing, hetgeen in overeenstemming is met het gemeentelijk en provinciaal beleid omtrent geïsoleerd gelegen glastuinbouwbedrijven. Niet in geding is dat de door [appellant sub 1] gewenste uitbreidingsmogelijkheden op het perceel [locatie 4] in strijd zijn met dit algemeen geformuleerde beleid. Ter zitting is gebleken dat noch door gemeenteraad bij de vaststelling van het plan noch door verweerder bij de goedkeuring daarvan is bezien of in dit concrete geval aanleiding bestond om af te wijken van het gemeentelijk en provinciaal beleid. In dit verband acht de Afdeling van belang dat uit het deskundigenbericht is af te leiden dat [appellant sub 1] zich ter plaatse in 2000 heeft gevestigd met de bekend gemaakte intentie het toen reeds aanwezige bedrijf te vernieuwen en te ontwikkelen tot een glastuinbouwbedrijf in een omvang als destijds was toegestaan, hij als eerste fase in 2003 is overgegaan tot vernieuwing van de bestaande bebouwing en dat de inrichting van zijn bedrijf ook wijst op een intentie tot uitbreiding. Nu voorts [appellant sub 1] van meet af aan heeft betoogd dat het zonder de door hem gewenste uitbreidingsmogelijkheden niet mogelijk is om een rendabele bedrijfsvoering te ontwikkelen, heeft verweerder ten onrechte niet bezien of in dit geval bijzondere omstandigheden aanwezig waren die ertoe noopten om van zijn beleid inzake de uitbreidingsmogelijkheden van solitaire glastuinbouwbedrijven af te wijken.

2.13.2. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied" en de aanduidingen "agrarisch bouwperceel", "gt-glastuinbouw" en "2dw-maximaal toegestane bedrijfswoningen" ter plaatse van het perceel [locatie 4] te [plaats], niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb dient te worden vernietigd.

Het beroep van ZLTO voor zover dat betrekking heeft op het aanlegvergunningenstelsel voor het omzetten van grasland in bouwland en de maximaal toegestane oppervlakte van kassen bij grondgebonden agrarische hoofdactiviteiten

2.14. ZLTO betoogt dat het aanlegvergunningenstelsel voor het permanent omzetten van grasland naar bouwland niet noodzakelijk is, nu voor deze activiteiten reeds een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) is vereist alsmede dat het aanlegvergunningenstelsel tot dubbele kosten voor de aanvrager leidt.

2.14.1. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van artikel 4, zesde lid, onder 1, van de planvoorschriften voor de beoordeling van de aanvraag voor een aanlegvergunning onder andere wordt getoetst aan onder meer het criterium dat het areaal weidevogelgebied niet structureel mag afnemen en geen onherstelbare ecologische schade mag plaatsvinden. Een dergelijk afweging vindt niet plaats in het kader van de Ffw.

2.14.2. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de als "Agrarisch gebied met landschaps- en cultuurhistorische waarden" bestemde gronden onder meer bestemd voor het behoud en herstel van het graslandareaal, de relatief hoge grondwaterstanden, de rust en de openheid binnen de gronden aangeduid als "weidevogelgebied" en behoud en ontwikkeling van ecologische waarden.

In artikel 4, zesde lid, onder 1, van de planvoorschriften is een aanlegvergunningenstelsel opgenomen voor de gronden met de bestemming "Agrarisch gebied met landschaps- en cultuurhistorische waarden" voor onder meer het permanent omzetten van grasland naar bouwland. In dit artikel zijn tevens criteria voor verlening van de aanlegvergunning opgenomen. Hierin zijn onder meer de volgende criteria opgenomen: er mag geen onherstelbare schade plaatsvinden aan ecologische waarden in de gebieden aangeduid met "weidevogelgebied" en het areaal weidevogelgebied mag niet structureel afnemen.

2.14.3. Uit de wetsgeschiedenis van de Ffw komt naar voren dat deze wet zich met name richt op de bescherming van dier- en plantensoorten. Nu de criteria voor het aanlegvergunningenstelsel mede zien op de bescherming van het graslandareaal, de relatief hoge grondwaterstanden, de rust en de openheid binnen de gronden aangeduid als "weidevogelgebied" en het behoud en ontwikkeling van ecologische waarden, betreft dit de bescherming van andere belangen dan waar de Ffw op ziet. Gelet op de te beschermen belangen heeft verweerder in redelijkheid kunnen instemmen met het in artikel 4, zesde lid, onder 1, van de planvoorschriften neergelegde aanlegvergunningenstelsel voor het permanent omzetten van grasland in bouwland. Voorts heeft ZLTO niet aannemelijk gemaakt dat de aan het verlenen van een aanlegvergunning verbonden kosten leiden tot een onevenredige belemmering voor de bedrijfsvoering.

2.15. ZLTO betoogt voorts dat in het plan ten onrechte aanvullende voorwaarden zijn opgenomen voor het toestaan van teeltondersteunende kassen tot een oppervlakte van 1.500 m². Volgens ZLTO is op grond van het streekplan een oppervlakte van 1.500 m² bij recht mogelijk. Voorts zijn de in het plan opgenomen voorwaarden te beperkend.

2.15.1. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat ingevolge het streekplan een vrijstellingsbepaling in een bestemmingsplan kan worden opgenomen voor het toestaan van een oppervlakte van 1.500 m² voor teeltondersteunende kassen. Volgens verweerder is het inherent aan een vrijstellingsbepaling dat beoordeeld moet worden of de vrijstelling kan worden verleend.

2.15.2. In het streekplan is opgenomen dat kassen die opgericht worden ter ondersteuning van de grondgebonden agrarische hoofdactiviteiten, met een oppervlakte van maximaal 1.000 m², zijn toegestaan op het agrarisch bouwperceel. Voorts kan indien gewenst in een bestemmingsplan voorzien worden in het opnemen van een vrijstellingbepaling tot een maximum van 1.500 m². Hieruit volgt dat op grond van het in het streekplan opgenomen beleid, anders dan ZLTO betoogt, bij recht een oppervlakte van maximaal 1.000 m² is toegestaan.

2.15.3. Ingevolge artikel 3, derde lid, onder 1, en artikel 4, derde lid, onder 1, van de planvoorschriften, is, voor zover thans van belang, bepaald dat bij niet-glastuinbouwbedrijven maximaal 1.000 m² aan kassen is toegestaan. Ingevolge artikel 3, aanhef en vierde lid, onder 7, en artikel 4, aanhef en vierde lid, onder 6 van de planvoorschriften kan het college vrijstelling verlenen om de maximaal toegestane oppervlakte bij niet-glastuinbouwbedrijven te vergroten tot 1.500 m² mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a. er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing;

b. het woon- en leefklimaat mogen niet onevenredig worden aangetast.

2.15.4. Ingevolge artikel 15, eerste lid, onder a, van de WRO is het college bevoegd om vrijstelling te verlenen van bij het plan aan te geven voorschriften met inachtneming van de in het plan vervatte regelen. Hieruit volgt dat het verlenen van een vrijstelling van een planvoorschrift aan voorwaarden gebonden mag zijn. Ook overigens heeft ZLTO niet aannemelijk gemaakt dat de voorwaarden voor de verlening van de vrijstelling te beperkend zijn.

2.15.5. De conclusie is dat hetgeen ZLTO heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat artikel 4, zesde lid, onder 1, van de planvoorschriften en de artikelen 3, derde lid, onder 1, 4, derde lid, onder 1, in samenhang gelezen met de artikelen 3, vierde lid, onder 7, en 4, vierde lid, onder 6, van de planvoorschriften niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Daarin wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is in zoverre mitsdien ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 2] e.a.)

2.16. [appellante sub 2] e.a. stellen dat ten onrechte de aannemersactiviteiten op het perceel [locatie 5] niet als zodanig zijn bestemd. Het aannemersbedrijf wordt volgens hen sinds 1992 door het gemeentebestuur op het perceel gedoogd en door verweerder is een milieuvergunning verleend voor het meest belastende deel van de bedrijfsactiviteiten, zijnde het breken van puin. Nu in de directe omgeving geen alternatieve locatie voor handen is en ook vele andere niet-agrarische activiteiten in de omgeving positief zijn bestemd, diende de gemeenteraad de aannemersactiviteiten positief te bestemmen.

2.16.1. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat evenbedoelde aannemersactiviteiten in strijd zijn met zowel het voorheen geldende plan als het onderhavige plan en dat legalisering, gelet op het gemeentelijk en provinciaal beleid inzake het weren van zwaardere vormen van niet-agrarische bedrijvigheid in het buitengebied en het hanteren van een onderscheid in bedrijvigheid met een binding aan het buitengebied en overige niet-agrarische bedrijvigheid, niet tot de mogelijkheden behoort. Verweerder stelt voorts dat hij inderdaad een milieuvergunning heeft afgegeven voor puinbreekactiviteiten, maar dat een milieuvergunning slechts kan worden geweigerd in het belang van de bescherming van het milieu. Strijdigheid met gemeentelijk of provinciaal ruimtelijk beleid kan geen aanleiding zijn om de milieuvergunning te weigeren.

2.16.2. Het noordelijk deel van het perceel [locatie 5] te [plaats] heeft in het plan de bestemming "Niet-agrarische bedrijven" met de aanduiding "lb-loonbedrijf" gekregen. Ingevolge artikel 6, tweede lid, onder a, van de planvoorschriften is de maximaal toegestane omvang van het loonbedrijf 4.500 m². Op dit gedeelte van het perceel staan een woning met kantoor en enkele loodsen. De bedrijfsbestemming heeft, gemeten vanaf de Koestraat, een diepte van meer dan 110 meter. Het overig deel van het perceel heeft de bestemming "Agrarisch gebied". Hiervan wordt volgens het deskundigenbericht een gedeelte gebruikt voor de buitenopslag van bouw- en sloopafval. Het perceel heeft een totale oppervlakte van ongeveer 1,5 hectare.

2.16.3. In het deskundigenbericht is opgenomen dat het perceel [locatie 5] eigendom is van [vergunninghoudster]. [vergunninghoudster] exploiteert een agrarisch loonbedrijf en een champostverwerkend bedrijf. Tevens houdt [vergunninghoudster] enkele stuks vee. Voorts staat in het deskundigenbericht dat omstreeks 2002 wegens inkrimping van de champosthandel en afname van de activiteiten in het loonbedrijf, gezocht is naar nieuwe activiteiten in de vorm van inzameling en verwerking van bouw- en sloopafval. Voor deze activiteiten is door verweerder een milieuvergunning verleend. Een gedeelte van het perceel wordt door [appellante sub 2] gebruikt voor het opslaan van machines. De inzameling en verwerking van het bouw- en sloopafval op het perceel wordt door [vergunninghoudster] gezamenlijk met [appellante sub 2] uitgevoerd.

2.16.4. Bij besluit van 8 september 2003 heeft het college [vergunninghoudster] onder oplegging van dwangsommen gelast ten aanzien van het perceel werkzaamheden, zowel in de bedrijfsgebouwen als daarbuiten, die geen binding hebben met de agrarische sector, te staken, te weten het op- en overslaan van grond, zand, puin, etc., bestratings- en andere civieltechnische materialen en ook het, al dan niet tijdelijk, breken van puin; de bewoning van de unit te staken en de unit, portable cabin en de zeecontainer te verwijderen. Deze aanschrijving is na de uitspraak van de Afdeling van 21 september 2005, <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/actuele_uitspraken/hoofdzaken/zoekresultaat/?zoeken_veld=&verdict_id=11636">200410280/1</a>, onherroepelijk geworden.

2.16.5. Ingevolge artikel 1, zesde lid, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, is een agrarisch technisch hulpbedrijf een bedrijf dat gericht is op het verlenen van diensten aan agrarische bedrijven door middel van het telen van gewassen, het houden van dieren, of de toepassing van andere landbouwkundige methoden, uitgezonderd mestbewerking. Hieronder wordt volgens het voorschrift in ieder geval verstaan: mestopslag- en mesthandelsbedrijven en agrarische loonbedrijven (inclusief verhuurbedrijven voor landbouwwerktuigen). Vast staat dat de aannemersactiviteiten van [appellante sub 2] e.a. niet binnen de toegekende bestemming passen.

2.16.6. In de plantoelichting en het streekplan is opgenomen dat het merendeel van niet-agrarische bedrijven niet thuishoort in het buitengebied. Op grond van genoemd beleid horen deze bedrijven thuis op een bedrijventerrein.

2.16.7. Gelet op de hiervoor weergegeven en inmiddels onherroepelijke aanschrijving kan niet staande worden gehouden dat ten deze sprake is van een situatie waarin het gemeentebestuur heeft berust dan wel had moeten berusten in de activiteiten zoals door [vergunninghoudster] gewenst. Mede gelet op het gemeentelijk en provinciaal beleid met betrekking tot het weren van zwaardere vormen van niet-agrarische bedrijvigheid in het buitengebied en het hanteren van een onderscheid in bedrijvigheid met een binding aan het buitengebied en overige niet-agrarische bedrijvigheid, heeft verweerder in redelijkheid kunnen instemmen met de keuze van de gemeenteraad de aannemersactiviteiten op het perceel niet positief te bestemmen. Met verweerder overweegt de Afdeling dat [appellante sub 2] e.a. aan de verleende milieuvergunning geen verwachtingen kan ontlenen, omdat bij de verlening daarvan ruimtelijke ordeningscriteria niet worden betrokken.

2.16.8. Ten aanzien van de door [appellante sub 2] e.a. gemaakte vergelijking met enige andere bedrijven in de omgeving, wordt het volgende overwogen. De gemeenteraad heeft uiteengezet dat aan de Oude Weistraat 17 het aannemersbedrijf "Van den Biggelaar", waarnaar [appellante sub 2] e.a. verwijzen, sinds 1993 een niet-agrarische bestemming heeft. Voor zover [appellante sub 2] e.a. verwijzen naar het bedrijf "Grondwerken Zoetermeer B.V." heeft de gemeenteraad gesteld dat dit bedrijf een agrarische bestemming heeft gekregen. Gelet hierop heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de door [appellante sub 2] e.a. genoemde situaties niet op één lijn te stellen zijn met hun situatie.

2.17. Voorts betogen [appellante sub 2] e.a. dat ten onrechte het aannemersbedrijf op het perceel [locatie 6]/[locatie 7] niet als zodanig is bestemd. Het gemeentebestuur is volgens [appellante sub 2] e.a. op de hoogte dat op het perceel al gedurende veertien jaar een aannemersbedrijf wordt geëxploiteerd. Nu daartegen niet is opgetreden, behoren de activiteiten positief te worden bestemd, aldus [appellante sub 2] e.a..

2.17.1. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat uit een voor dit plan uitgevoerde enquête blijkt dat op het perceel nog champignon- en fruitteelt plaatsvindt. Gelet hierop stemt hij in met de toegekende bestemming. Verweerder stelt, in navolging van de gemeenteraad, dat de aannemersactiviteiten gezien de buitenopslag en de omvang van de activiteiten niet in overeenstemming zijn met het gemeentelijk en provinciaal beleid voor het buitengebied.

2.17.2. Het perceel [locatie 6]/[locatie 7] te [plaats] heeft de bestemming "Agrarisch gebied" met, voor zover thans van belang, de aanduidingen "agrarisch bouwperceel" en "ch-champignons".

Ingevolge artikel 3, eerste lid in samenhang met het tweede lid, onder e, van de planvoorschriften, zijn, voor zover thans van belang, de gronden met de bestemming "Agrarische doeleinden" met de aanduiding "ch-champignons" bestemd voor een champignonteeltbedrijf.

2.17.3. In het voorheen geldende plan "Buitengebied", vastgesteld door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Maasdriel op 12 februari 1993, had het perceel de bestemming "Agrarisch gebied" waarbij aan dat perceel twee bouwpercelen waren toegekend.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften bij dat plan, zijn de gronden met de bestemming "Agrarisch gebied" bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf.

2.17.4. [directeur] van [appellante sub 2], is woonachtig in de woning op het perceel [locatie 6]. Zijn schoonouders wonen op het perceel [locatie 7]. Voorheen exploiteerde de schoonvader van [directeur] een champignonteeltbedrijf op het perceel. De woningen en loodsen op het perceel, welke gedeeltelijk nog in gebruik zijn door [appellante sub 2], staan op het westelijk deel van het perceel. Het onbebouwde terrein ten oosten van de bebouwing wordt gebruikt voor buitenopslag, aldus het deskundigenbericht. Uit het deskundigenbericht is af te leiden dat thans geen champignonteeltbedrijf op het perceel meer is gevestigd, maar dat op het perceel nog slechts een aannemersbedrijf wordt geëxploiteerd.

2.17.5. Voor hetgeen in de plantoelichting en het streekplan is opgenomen over niet-agrarische bedrijven in het buitengebied, wordt verwezen naar de overweging 2.16.6..

2.17.6. Daargelaten het feit dat verweerder zich niet enkel heeft mogen baseren op de door [appellante sub 2] e.a. ingevulde enquête, nu aannemelijk is dat de uitkomst hiervan niet meer in overeenstemming is met de feitelijke situatie, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt mogen stellen dat de aannemersactiviteiten niet in het beleid voor het buitengebied passen. De enkele omstandigheid dat de activiteiten reeds lange tijd worden uitgevoerd, verplichtte verweerder nog niet om in te stemmen met een bestemming waarbij die activiteiten worden toegelaten. Hierbij wordt van belang geacht dat het perceel ook voorheen niet als zodanig was bestemd en zowel het gemeentelijk als het provinciaal beleid erop gericht is om

niet-agrarische bedrijven uit het buitengebied te weren, zodat een positieve bestemming van het aannemersbedrijf niet in de rede ligt.

2.18. De conclusie is dat hetgeen [appellante sub 2] e.a. hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de plandelen met de bestemming "Niet-agrarische bedrijven" met de aanduiding "lb-loonbedrijf" en de bestemming "Agrarisch gebied" ter plaatse van het perceel [locatie 5] te [plaats] en het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied" met, voor zover thans van belang, de aanduidingen "agrarisch bouwperceel" en "ch-champignons" ter plaatse van het perceel [locatie 6]/[locatie 7] te [plaats] niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Daarin wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is mitsdien ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 4] (hierna: [appellant sub 4])

2.19. [appellant sub 4] betoogt dat ten onrechte de intensiveringszone voor champignonteelt is verkleind, waardoor zijn perceel aan de Hurwenensestraat buiten deze intensiveringszone is komen te liggen. Verplaatsing van zijn champignonteeltbedrijf naar de Hurwenensestraat is daardoor niet meer mogelijk, hetgeen noodzakelijk is nu in de directe nabijheid van zijn huidige bedrijf aan de [locatie 8] te [plaats] woningbouw is voorzien.

2.19.1. Het perceel van [appellant sub 4] aan de Hurwenensestraat te Hurwenen (hierna: het perceel) heeft thans, evenals onder het voorheen geldende plan "Buitengebied herziening 1993", vastgesteld door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Rossum op 23 februari 1995, de bestemming "Agrarisch gebied" zonder dat aan dat perceel een agrarisch bouwperceel is toegekend. Vast staat dat aan het perceel onder het voorheen geldende plan de aanduiding "zone ontwikkeling glastuinbouw" was toegekend, welke aanduiding in het onderhavige plan niet is opgenomen. Binnen deze gebieden waren soepelere uitbreidings- en vestigingsrandvoorwaarden voor bepaalde vormen van tuinbouwbedrijven van toepassing.

2.19.2. Uit de plantoelichting komt naar voren dat de gemeenteraad de intensiveringszone ten westen van Rossum, alwaar het perceel is gelegen, heeft verkleind, omdat het gebied op minder dan 500 meter van het Vogel- en Habitatrichtlijngebied "De Hurwenense Kil" is gelegen, het op korte afstand ligt van burgerwoningen en omdat slechts een geringe oppervlakte van dit intensiveringsgebied wordt benut.

Gelet hierop heeft verweerder, nog daargelaten de vraag of [appellant sub 4] onder het voorheen geldende plan zijn bedrijf kon verplaatsen naar het perceel, zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de verkleining van de intensiveringszone, gelet op de daarbij betrokken belangen, niet onredelijk is. Hierbij heeft verweerder mogen betrekken dat, anders dan [appellant sub 4] stelt, de intensiveringsgebieden niet verdwijnen, doch dat deze slechts zijn verkleind. Tevens blijkt uit het deskundigenbericht dat [appellant sub 4] geen blijk heeft gegeven van concrete plannen om zijn bedrijf te verplaatsen. Gelet hierop heeft verweerder de belangen die zijn gediend met verkleining van de intensiveringszone zwaarder kunnen laten wegen dan de belangen van [appellant sub 4].

2.19.3. Voor zover [appellant sub 4] stelt dat gezien de afstand tot het Natura 2000-gebied dit niet de reden kan zijn om het perceel buiten de intensiveringszone te houden, omdat zijn bedrijf op grotere afstand ligt dan de intensieve veehouderijen en glastuinbouwbedrijven waaraan verweerder goedkeuring heeft onthouden, overweegt de Afdeling dat het beroep in zoverre feitelijke grondslag mist, nu uit de plankaart blijkt dat de percelen waaraan verweerder goedkeuring heeft onthouden, [locatie 1] te [plaats] en [locatie 2] te [plaats], op ongeveer dezelfde afstand van het betreffende gebied zijn gelegen.

2.19.4. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied" ter plaatse van het perceel van [appellant sub 4] aan de Hurwenensestraat te Hurwenen, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is mitsdien ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 5]

2.20. [appellant sub 5] betoogt dat op zijn perceel ten onrechte niet is voorzien in de mogelijkheid tot het bouwen van een dienstwoning.

Hiertoe voert hij in de eerste plaats aan dat het streekplanbeleid met betrekking tot bedrijfswoningen niet op zijn situatie van toepassing is, omdat het Streekplan Gelderland 1996 in dit geval van toepassing is. Verder betoogt [appellant sub 5] aan dat hij een volwaardig agrarisch bedrijf exploiteert en hij in 2003 een bouwvergunning voor bedrijfsbebouwing heeft gekregen waarbij al een dienstwoning was ingetekend. Naar zijn mening is hiermee het vertrouwen gewekt dat hij een dienstwoning zou kunnen verkrijgen. Voorts heeft [appellant sub 5] uiteen gezet dat verweerder weliswaar een stringent beleid voert met betrekking tot tweede dienstwoningen en wegens de te ruime vrijstellingsmogelijkheden daarvoor aan de betreffende planvoorschriften goedkeuring heeft onthouden, maar dat een tweede bedrijfswoning in het beleid van verweerder niet is uitgesloten.

2.20.1. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat nu bij het perceel een dienstwoning aanwezig is geweest, maar daarvan is afgesplitst en bestemd als burgerwoning, niet zonder meer kan worden meegewerkt aan het opnieuw oprichten van een bedrijfswoning. Het

anti-versteningsbeleid in het buitengebied en het beleid in het streekplan met betrekking tot tweede bedrijfswoningen staan hieraan in de weg, aldus verweerder.

2.20.2. [appellant sub 5] exploiteert een glastuinbouwbedrijf aan de [locatie 9] te [plaats]. Het perceel heeft de bestemming "Agrarisch gebied" waarbij ten aanzien van een deel van dat perceel de aanduidingen "agrarisch bouwperceel", "gt-glastuinbouw" en "adw-bedrijf waarvan bedrijfswoning is afgesplitst" gelden. Ingevolge artikel 3, tweede lid, onder i, van de planvoorschriften is, voor zover thans van belang, per agrarisch bedrijf één bedrijfswoning toegestaan, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding "adw-bedrijf waarvan bedrijfswoning is afgesplitst" geen bedrijfswoningen zijn toegestaan. De voormalige bedrijfswoning aan de [locatie 10] heeft thans de bestemming "Agrarisch gebied" met de aanduiding "∆-burgerwoning".

2.20.3. Onder het voorheen geldende plan "Buitengebied", vastgesteld door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Hedel op 28 juni 1995, had het perceel de bestemming "Agrarisch gebied" en was hieraan een agrarisch bouwblok toegekend. De woning aan de [locatie 10] was binnen dit agrarisch bouwblok gelegen.

2.20.4. In de plantoelichting staat dat in het plan een regeling is opgenomen, waarin voor een eerste agrarische bedrijfswoning een verzwaarde volwaardigheid dient te worden aangetoond. Voor de oprichting van een tweede agrarische bedrijfswoning dient volgens de plantoelichting de noodzaak daartoe te worden aangetoond. Voor bedrijven, waar in het verleden afsplitsing van de toenmalige bedrijfswoning heeft plaatsgevonden is de oprichting van een nieuwe bedrijfswoning niet toegestaan, aldus de plantoelichting.

2.20.5. Het betoog van [appellant sub 5] dat het streekplanbeleid met betrekking tot bedrijfswoningen niet op zijn situatie van toepassing is, kan, nog daargelaten de inhoud van het beleid ten aanzien van bedrijfswoningen in het Streekplan Gelderland 1996, niet slagen, omdat de overgangsbepaling in het streekplan in dit geval niet van toepassing is. Hierin is, voor zover thans van belang, bepaald dat indien een bestemmingsplan is vastgesteld vóór de inwerkingtreding van het streekplan het beleid van toepassing blijft zoals dat gold ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan. Nu het streekplan op 20 september 2005 in werking is getreden en het onderhavige plan eerst nadien, te weten op 22 februari 2006, is vastgesteld, is de overgangsbepaling van het streekplan niet van toepassing en dient het streekplan als toetsingskader. Dat de door [appellant sub 5] gewenste bedrijfswoning op een bouwtekening uit 2003 is ingetekend, doet daar niet aan af.

2.20.6. In het streekplan is opgenomen dat het vanuit bedrijfsmatig oogpunt gewenst kan zijn om bij een agrarisch bedrijf een tweede bedrijfswoning te realiseren. Dit wordt beoordeeld aan de hand van 3 criteria: de aard, omvang en continuïteit van het bedrijf. De tweede bedrijfswoning moet nodig zijn voor controle en toezicht buiten normale werkuren en op niet te voorziene tijdstippen, aldus het streekplan.

2.21. Wat betreft de stelling van [appellant sub 5] dat het plan hem ten onrechte niet de mogelijkheid biedt een bedrijfswoning te bouwen, overweegt de Afdeling het volgende.

De hoofdregel die in de planvoorschriften is opgenomen, is dat per bestemmingsvlak één bedrijfswoning is toegestaan, maar dat ten aanzien van voormalige bedrijfswoningen die van agrarische bedrijven zijn afgesplitst en vervolgens als burgerwoning zijn bestemd een uitzondering wordt gemaakt in dier voege dat geen (nieuwe) bedrijfswoning meer wordt toegestaan. Nu gelet op de systematiek van de WRO de gemeenteraad een grote beleidsvrijheid heeft bij het vaststellen van bestemmingen voor gronden is de aldus door de gemeenteraad, onder verwijzing naar het anti-versteningsbeleid gemaakte keuze om de mogelijkheid voor het oprichten van een tweede dienstwoning in enkele gevallen uit te sluiten, op zich niet ten onrechte aanvaard door verweerder.

Anders dan [appellant sub 5] stelt heeft de omstandigheid dat bij de gekozen wijze van bestemmen de mogelijkheid voor het oprichten van een tweede dienstwoning niet is opgenomen, niet tot gevolg dat sprake is van strijd met het streekplan. Een verplichting om in geval van afgesplitste bedrijfswoningen een nieuwe of tweede bedrijfswoning op te nemen valt daarin niet te lezen.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is af te leiden dat [appellant sub 5] ten tijde van de aankoop van het bedrijf - zonder woning - in 2003 ervan op de hoogte was dat geen bedrijfswoning meer zou worden toegestaan. Voorts heeft [appellant sub 5] geen vertrouwen kunnen ontlenen aan het feit dat op de tekening behorende bij de aanvraag voor een bouwvergunning voor het oprichten van bedrijfsbebouwing, een bedrijfswoning is ingetekend, omdat in de aanvraag bouwvergunning duidelijk is vermeld dat de aanvraag bedrijfsbebouwing betreft en bij de verlening van de vergunning kenbaar is gemaakt dat de woning aan de [locatie 10] als eerste bedrijfswoning wordt aangemerkt. Gelet hierop heeft verweerder zich in navolging van de gemeenteraad in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in dit geval niet in de mogelijkheid van de bouw van een nieuwe bedrijfswoning behoefde te worden voorzien.

2.22. Voorts betoogt [appellant sub 5] dat de aan zijn gronden toegekende uitbreidingsmogelijkheden met betrekking tot het bouwperceel niet voldoende zijn.

2.22.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bedrijf van [appellant sub 5] buiten de intensiveringsgebieden voor glastuinbouw is gelegen, voor welke bedrijven in het plan, in overeenstemming met het provinciaal beleid, een uitbreidingsmogelijkheid van maximaal 20% ten opzichte van de bestaande bebouwing is opgenomen.

2.22.2. Voor het gemeentelijk en provinciaal beleid inzake de uitbreidingsmogelijkheden voor glastuinbouw wordt hier verwezen naar de overwegingen 2.11.2. en 2.11.4..

2.22.3. [appellant sub 5] beschikt thans over ongeveer 10.675 m² aan bedrijfsbebouwing op het perceel. In overeenstemming met het gemeentelijk en provinciaal beleid is het agrarisch bouwperceel van [appellant sub 5] met 20% vergroot ten opzichte van de reeds bestaande bedrijfsbebouwing.

2.22.4. Voor zover [appellant sub 5] stelt dat de uitbreidingsmogelijkheden van 20% ten opzichte van de bestaande bebouwing niet voldoende zijn, wordt overwogen dat in hetgeen hij heeft aangevoerd op zichzelf geen reden wordt gezien voor het oordeel dat verweerder in het onderhavige geval diende af te wijken van het gemeentelijk en provinciaal beleid.

Uit het onderzoek door de deskundige is evenwel af te leiden dat ongeveer 1.600 m² van het aan [appellant sub 5] toegekende agrarisch bouwperceel is gelegen op het naastliggende perceel achter de woning [locatie 10], welke gronden [appellant sub 5] niet in eigendom heeft. Hij kan derhalve de hem geboden uitbreidingsruimte, welke is gelegen achter de woning aan de [locatie 10], niet zonder meer benutten. De gemeenteraad heeft in zoverre door de gewijzigde vaststelling van het plan niet bereikt dat aan [appellant sub 5] een uitbreidingsruimte van 20% wordt geboden ten opzichte van de bestaande bebouwing, zoals de gemeenteraad heeft beoogd. Verweerder heeft dit miskend.

2.22.5. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied", ter plaatse van het perceel [locatie 9] te [plaats], niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat verweerder, door het plandeel goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit, voor zover hierbij goedkeuring is verleend aan voornoemd plandeel, dient te worden vernietigd. Hieruit volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan voornoemd plandeel.

Het beroep van [appellant sub 6]

2.23. [appellant sub 6] stelt dat ten onrechte geen agrarische bouwpercelen zijn toegekend aan zijn percelen aan de Uilecotenweg te Ammerzoden en de Veldweg te Hedel. Hierdoor kan hij zijn bedrijf niet naar voornoemde percelen verplaatsen, terwijl dit, gezien de voorziene woningbouw in de directe omgeving van zijn bedrijf op de huidige locatie, wel noodzakelijk is.

2.23.1. Verweerder kan instemmen met het standpunt van de gemeenteraad dat de plannen van [appellant sub 6] nog niet concreet genoeg zijn om bouwpercelen toe te kennen aan de desbetreffende percelen. Tevens is volgens verweerder verplaatsing van het champignonteeltbedrijf slechts mogelijk naar een intensiveringsgebied en zijn de percelen van [appellant sub 6] niet binnen een dergelijk gebied gelegen.

2.23.2. [appellant sub 6] exploiteert een champignonteeltbedrijf en een ponyfokkerij aan de [locatie 11] te [plaats]. Dit perceel is gelegen in de kern van Ammerzoden, die niet tot het plangebied behoort. Uit het deskundigenbericht is af te leiden dat op en nabij het perceel van [appellant sub 6] woningbouw is voorzien, waardoor het bedrijf van [appellant sub 6] moet worden verplaatst. Tevens is uit het deskundigenbericht af te leiden dat [appellant sub 6] thans in onderhandeling is over de verplaatsing van zijn champignonteeltbedrijf naar zijn perceel aan de Uilecotenweg te Ammerzoden en verplaatsing van de ponyfokkerij naar een perceel aan de Bernseweg te Ammerzoden, welk perceel [appellant sub 6] thans nog niet in eigendom heeft.

2.23.3. Het perceel aan de Uilecotenweg te Ammerzoden, kadastraal bekend sectie M, nummer 278, heeft de bestemming "Agrarisch gebied met landschaps- en cultuurhistorische waarden" met de aanduiding "karakteristiek oeverwallandschap". Aan dit perceel is geen agrarisch bouwperceel toegekend. Het perceel van [appellant sub 6] aan de Veldweg heeft de bestemming "Agrarisch gebied" zonder dat daaraan een agrarisch bouwperceel is toegekend.

2.23.4. De Afdeling stelt voorop dat het door verweerder aanvaarde beleid van de gemeenteraad om in beginsel geen nieuwe bouwpercelen in het buitengebied toe staan voor agrarische bedrijven in zijn algemeenheid niet onredelijk is. Voorts hebben de gemeenteraad bij vaststelling van het plan en verweerder bij goedkeuring daarvan zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de plannen van [appellant sub 6] met betrekking tot de verplaatsing van zijn bedrijf niet voldoende concreet waren om de door [appellant sub 6] gewenste agrarische bouwpercelen toe te kennen.

2.23.5. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 6] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschaps- en cultuurhistorische waarden" met de aanduiding "karakteristiek oeverwallandschap" ter plaatse van het perceel Uilecotenweg te Ammerzoden, kadastraal bekend sectie M, nummer 278, en het perceel van [appellant sub 6] met de bestemming "Agrarisch gebied" aan de Veldweg te Ammerzoden, niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is mitsdien ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 7B]

2.24. [appellant sub 7B] stelt dat ten onrechte het agrarisch bouwperceel op zijn perceel [locatie 12] is verkleind. Hij heeft net zoals onder het voorheen geldende plan een agrarisch bouwblok op het hele perceel nodig, omdat het thans toegekende agrarische bouwperceel te klein is voor een rendabele bedrijfsvoering.

[appellant sub 7B] stelt voorts dat hij gecompenseerd wil worden als het agrarisch bouwperceel wordt verkleind. De compensatie zou volgens [appellant sub 7B] moeten bestaan uit het toekennen van een bouwmogelijkheid voor twee nieuwe burgerwoningen op het perceel tussen de [locatie 13] en [locatie 12] of voor één burgerwoning op dit perceel en de mogelijkheid om een nieuwe burgerwoning te bouwen op het perceel [locatie 12].

2.24.1. [appellant sub 7B] woont op het perceel[locatie 13] en is eigenaar van het perceel [locatie 12]. Het perceel [locatie 12] (hierna: het perceel) heeft de bestemming "Agrarisch gebied" waarbij voor een deel van dat perceel de aanduiding "agrarisch bouwperceel" geldt.

2.24.2. Onder de vigeur van het voorheen geldende plan "Buitengebied", vastgesteld door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Maasdriel op 12 februari 1993, had het perceel de bestemming "Agrarisch gebied" met een bouwperceel van ongeveer 6.000 m².

2.24.3. Voor zover [appellant sub 7B] stelt dat de planregeling leidt tot een inperking van de onder het voorheen geldende plan toegestane bouwmogelijkheden, stelt de Afdeling voorop dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De gemeenteraad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een uitzondering had moeten worden gemaakt op dit uitgangspunt. Hierbij acht de Afdeling van belang dat uit het deskundigenbericht is af te leiden dat [appellant sub 7B] sinds 1993 geen agrarische activiteiten meer heeft uitgeoefend op het perceel, maar dat hij slechts hobbymatig dieren houdt. Uit dien hoofde is een aanpassing van het bouwblok gelet op de feitelijke situatie niet onredelijk. Hetgeen [appellant sub 7B] heeft aangevoerd met betrekking tot de verkoop van het perceel, waardoor mogelijk in de toekomst op het perceel een agrarisch bedrijf zal worden uitgeoefend, is een zodanig onzekere factor dat verweerder daarmee bij zijn besluitvorming geen rekening behoefde te houden.

2.24.4. Evenmin valt in te zien dat verweerder gehouden was goedkeuring te onthouden nu aan de percelen van [appellant sub 7B] geen nieuwe burgerwoonbestemming is toegekend. Het zonder meer toelaten daarvan zou in beginsel strijdig zijn met het gemeentelijk en provinciaal beleid ter zake. De belangen van [appellant sub 7B] zijn niet zodanig dat zij tot een afwijking van dat beleid noodzaakten. In artikel 3, vijfde lid, onder 4, van de planvoorschriften is wel de bevoegdheid voor het college opgenomen om met gebruikmaking van artikel 11 van de WRO, onder in het planvoorschrift genoemde voorwaarden, het agrarisch bedrijf om te zetten in een burgerwoning.

2.24.5. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 7B] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied" met de aanduiding "agrarisch bouwperceel" ter plaatse van het perceel [locatie 13]-[locatie 12] niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarin wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is mitsdien ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 8]

2.25. [appellant sub 8] betoogt dat zijn perceel aan de Laarstraat ten onrechte niet bestemd is als aannemersbedrijf, omdat het gebruik van het perceel als opslagterrein voor zijn aannemersbedrijf sinds 1993 wordt gedoogd. Hij stelt voorts dat verweerder bij de beantwoording van zijn bedenkingen ten onrechte heeft verwezen naar het Kroonbesluit van 13 januari 1997, nr. 97.00086, aangezien hierin juist wordt bevestigd dat hij sinds lange tijd een aannemersbedrijf exploiteert op het perceel.

2.25.1. Verweerder kan instemmen met de door de gemeenteraad toegekende agrarische bestemming, omdat op het desbetreffende perceel slechts opslag van aannemersbenodigdheden plaatsvindt en het aannemersbedrijf daar zelf niet is gevestigd. Voorts zijn de activiteiten op het perceel in strijd met het gemeentelijk beleid. Verweerder verwijst eveneens naar voornoemd Kroonbesluit waarin zijn besluit, waarin hij goedkeuring heeft onthouden aan het positief bestemmen van de opslag van het bedrijf van [appellant sub 8], door de Kroon in stand is gelaten.

2.25.2. Het perceel van [appellant sub 8] is gelegen aan de Laarstraat te Kerkdriel, kadastraal bekend sectie P, nummer 346, en heeft, voor zover thans van belang, de bestemming "Agrarisch gebied". Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften zijn, voor zover thans van belang, deze gronden bestemd voor agrarisch (bedrijfsmatig) gebruik en een niet-agrarische nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf.

2.25.3. Uit het deskundigenbericht is af te leiden dat [appellant sub 8] sinds 1962 een aannemersbedrijf exploiteert aan de Bulkseweg te Kerkdriel, welk perceel is gelegen in de kern van Kerkdriel die niet het in onderhavige plan is opgenomen. Voorts is in het deskundigenbericht opgenomen dat [appellant sub 8] het perceel aan de Laarstraat gebruikt voor buitenopslag van (wegen)bouwmaterialen.

2.25.4. Anders dan [appellant sub 8] betoogt, kan naar het oordeel van de Afdeling uit het voornoemde Kroonbesluit niet worden afgeleid dat hij een aannemersbedrijf op het perceel aan de Laarstraat exploiteert. De Kroon heeft in dit besluit slechts overwogen dat [appellant sub 8] het perceel sinds 1989 in strijd met het geldende bestemmingsplan gebruikt als opslagterrein voor bouwmaterialen en als parkeerterrein voor bij het bedrijf behorende voertuigen en dat het toekennen van de bestemming "Bedrijfsbebouwing" met de aanduiding "an-aannemersbedrijf" aan het perceel een voortzetting zou betekenen van het gebruik van het perceel als opslag- en parkeerterrein en tevens nieuwvestiging van een

niet-agrarisch bedrijf in het buitengebied met zich brengt.

Voorts heeft de Kroon bij dit besluit uitdrukkelijk ingestemd met de weigering van verweerder om goedkeuring te hechten aan een positieve bestemming van de bedrijfsactiviteiten van [appellant sub 8] en met de onthouding van goedkeuring van het betreffende plandeel door verweerder.

2.25.5. Nu niet is gebleken van een voor dit perceel relevante wijziging in het beleid en evenmin van gewijzigde omstandigheden die verweerder ertoe hadden moeten brengen thans anders te oordelen, is de conclusie dat hetgeen [appellant sub 8] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met, voor zover thans van belang, de bestemming "Agrarisch gebied" ter plaatse van het perceel aan de Laarstraat te Kerkdriel, kadastraal bekend sectie P, nummer 346, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is mitsdien ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 9]

2.26. Het beroepschrift van [appellant sub 9] is gericht tegen de goedkeuring van het plandeel "Agrarisch gebied met landschaps- en cultuurhistorische waarden" en de aanduidingen "karakteristiek komgebied" en "∆-burgerwoning" aan de [locatie 14] te [plaats], omdat deze bestemming niet voorziet in de mogelijkheid voor de bouw van een grotere woning. Voor zover ter zitting door [appellant sub 9] is beoogd de omvang van het geding uit te breiden tot de goedkeuring van voornoemd plandeel, omdat hierin niet is voorzien in de bouw van een tweede woning, moet dit in strijd met een goede procesorde worden geacht. Niet is gebleken dat [appellant sub 9] dit aspect niet eerder naar voren had kunnen brengen, zodat dit buiten beschouwing dient te worden gelaten.

2.26.1. [appellant sub 9] betoogt dat in het plan ten onrechte verschil wordt gemaakt tussen een burgerwoning en een bedrijfswoning. Hij wenst de burgerwoning aan de [locatie 14] te vervangen door een grotere, aan de ziekte van zijn echtgenote aangepaste woning. De maximaal toegestane inhoud van een bedrijfswoning is voor het bouwplan van [appellant sub 9] wel voldoende.

2.26.2. [appellant sub 9] is woonachtig op het perceel [locatie 14] te [plaats]. Dit perceel heeft de bestemming "Agrarisch gebied met landschaps- en cultuurhistorische waarden" en de aanduidingen "karakteristiek komgebied" en "∆-burgerwoning".

2.26.3. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften, zijn, voor zover thans van belang, de gronden op de kaart aangegeven met de bestemming "Agrarische doeleinden met landschaps- en cultuurhistorische waarden" bestemd voor burgerwoningen, uitsluitend op of nabij de aanduiding "∆-burgerwoning". Voorts is ingevolge artikel 4, derde lid, onder 3, van de planvoorschriften, voor zover van belang, bepaald dat de inhoud van een burgerwoning maximaal 600 m³ mag zijn, tenzij de bestaande burgerwoning een grotere inhoud heeft. In dat geval geldt de grotere inhoud als maximale inhoud. Ingevolge artikel 4, derde lid, onder 1, van de planvoorschriften mag, voor zover thans van belang, een bedrijfswoning een maximale inhoud van 750 m³ hebben. Een bedrijfswoning op de bestemming "Agrarische doeleinden met landschaps- en cultuurhistorische waarden" is ingevolge artikel 4, tweede lid, onder i, van de planvoorschriften slechts mogelijk bij een agrarisch bedrijf.

2.26.4. Niet in geschil is dat [appellant sub 9] geen agrarisch bedrijf uitoefent op het perceel [locatie 14], zodat hij blijkens de planvoorschriften die ten aanzien van dat perceel van toepassing zijn geen recht kan doen gelden op een bedrijfswoning.

Met betrekking tot de stelling van [appellant sub 9] dat in het plan ten onrechte verschil gemaakt wordt tussen de maximale inhoudsmaat van een burgerwoning en een bedrijfswoning, overweegt de Afdeling dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat gezien het verschil in feitelijk gebruik tussen een bedrijfswoning - waar veelal ook zekere voorzieningen ten behoeve van het bedrijf, zoals kantoorruimte, aanwezig dienen te zijn - en een burgerwoning, een grotere maximale inhoud voor een bedrijfswoning gerechtvaardigd is. Voorts kan - zoals inmiddels ook is geschied - op grond van artikel 24, eerste lid, van de planvoorschriften vrijstelling worden verleend voor een 10% groter bouwvolume. Dat [appellant sub 9] hiermee niet toe zou kunnen is door hem niet aannemelijk gemaakt.

2.26.5. Voor zover [appellant sub 9] bezwaar heeft tegen de aanduiding "karakteristiek komgebied" op het perceel aan de [locatie 14], wordt overwogen dat [appellant sub 9] niet aannemelijk heeft gemaakt, dat deze aanduiding voor hem een wezenlijke beperking met zich brengt. Anders dan [appellant sub 9] ter zitting heeft gesteld, is in de planvoorschriften niet opgenomen dat op de gronden met deze aanduiding geen vervangende woningbouw is toegestaan. De stelling mist derhalve feitelijke grondslag.

2.27. Voor zover [appellant sub 9] stelt dat zijn aannemersbedrijf aan de [locatie 15] te [plaats] niet voldoende uitbreidingsmogelijkheden heeft gekregen, wordt het volgende overwogen.

2.27.1. Het perceel [locatie 15] heeft de bestemming "Niet-agrarische bedrijven" met de aanduidingen "an-pw-aannemer pompinstallaties en waterzuivering" en "0dw-maximaal aantal bedrijfswoningen" gekregen.

Ingevolge artikel 6, tweede lid, onder a, van de planvoorschriften is, voor zover thans van belang, op het perceel van [appellant sub 9] een oppervlakte aan bedrijfsbebouwing van ongeveer 1115 m² toegestaan. Niet in geding is dat dit overeenkomt met de bestaande bedrijfsbebouwing.

Ingevolge artikel 6, derde lid, van de planvoorschriften mag [appellant sub 9] daarop maximaal 10% uitbreiden.

2.27.2. In de plantoelichting staat dat voor bedrijven waar reeds meer dan 375 m² aan bebouwd oppervlak aanwezig is slechts een (rechtstreekse) uitbreiding van maximaal 10% van het bebouwde oppervlak kan worden toegestaan. Bedrijven die verder willen doorgroeien behoren volgens de plantoelichting niet in het buitengebied thuis, maar dienen een plaats te vinden op een bedrijventerrein of een andere geëigende locatie in de kern. Wanneer dit evenwel niet tot de mogelijkheden behoort, kan slechts door middel van een planherziening een uitbreiding mogelijk worden gemaakt, aldus de plantoelichting.

In het streekplan staat dat de meeste vormen van bedrijvigheid niet thuishoren in het buitengebied, maar op een bedrijventerrein.

Gelet op het beleid in het streekplan en de plantoelichting is de aan [appellant sub 9] toegekende uitbreidingsmogelijkheid in overeenstemming met dit beleid. [appellant sub 9] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit beleid onredelijk is dan wel waarom in zijn geval een uitzondering op dit beleid dient te worden gemaakt.

2.27.3. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 9] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden met landschaps- en cultuurhistorische waarden" en de aanduidingen "karakteristiek komgebied" en "∆-burgerwoning" aan de [locatie 14] te [plaats] en het plandeel met de stemming "Niet-agrarische bedrijven" met de aanduidingen "an-pw-aannemer pompinstallaties en waterzuivering" en "0dw-maximaal aantal bedrijfswoningen" aan de [locatie 15] te [plaats] niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Daarin wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is mitsdien ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 10]

2.28. [appellante sub 10] betoogt in de eerste plaats dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, voor zover dat voorziet in een brandweerkazerne grenzend aan één van haar percelen, gelegen aan de Steenbeemdstraat (hierna: het perceel). De aanwezigheid van de brandweerkazerne beperkt haar in haar uitbreidingsmogelijkheden. Volgens de [appellante sub 10] wordt de brandweerkazerne eerst in het raadsvoorstel van 24 januari 2006 genoemd, zodat zij pas bij de gewijzigde vaststelling van het plan daartegen kon opkomen.

2.29. Uit het verslag vooroverleg en inspraak blijkt dat reeds in de fase van vooroverleg en inspraak met betrekking tot het plan de mogelijke realisatie van de brandweerkazerne in beeld was en dat [appellante sub 10] hiervan, gelet op het feit dat zij reeds toen bezwaren heeft geuit tegen de realisatie van de brandweerkazerne, ook op de hoogte was. Het beroep mist in zoverre derhalve feitelijke grondslag. Voorts heeft [appellante sub 10] in onvoldoende mate aannemelijk gemaakt dat de realisatie van een brandweerkazerne naast het perceel haar beperkt in haar uitbreidingsmogelijkheden.

2.30. [appellante sub 10] betoogt voorts dat het perceel ten onrechte niet meer in een intensiveringszone voor glastuinbouw is gelegen. Hierdoor wordt zij ernstig in haar uitbreidingsmogelijkheden beperkt.

2.30.1. Uit het deskundigenbericht is af te leiden dat [appellante sub 10] een glastuinbouwbedrijf exploiteert op gronden aan de Grote Inghweg en Steenbeemdstraat te Kerkdriel. Slechts een klein deel van haar gronden is in het plangebied opgenomen. Dit zijn de gronden tussen de Steenbeemdstraat en de Berm (hierna: het perceel). Deze gronden hebben, voor zover thans van belang, de bestemming "Agrarisch gebied". Een agrarisch bouwperceel is aan deze gronden niet toegekend.

2.30.2. Het perceel was onder het voorheen geldende plan "Buitengebied", vastgesteld door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Maasdriel op 12 februari 1993, niet aangewezen als intensiveringszone glastuinbouw. De omstandigheid dat de gemeenteraad van Maasdriel in 2002 het bestemmingsplan "Buitengebied" heeft vastgesteld waarin het perceel wel was aangewezen als intensiveringszone mist betekenis omdat dit bestemmingsplan nooit rechtskracht heeft verkregen. Het beroep van [appellante sub 10], voor zover zij betoogt dat het perceel voorheen wel was aangeduid als intensiveringszone, mist in zoverre derhalve feitelijke grondslag.

2.30.3. Het gemeentelijk en provinciaal beleid, zoals weergegeven in overweging 2.11.2. en 2.11.4. is erop gericht om glastuinbouwbedrijven zoveel mogelijk te concentreren. Gelet hierop, mede in acht genomen de gemeentelijke vrijheid voor het toekennen van bestemmingen aan gronden, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid met de gekozen bestemmingsregeling heeft kunnen instemmen. Dat [appellante sub 10] over twee dienstwoningen beschikt doet daar niet aan af.

2.31. Voorts heeft [appellante sub 10] aangevoerd dat zij de mogelijkheden om op het perceel wandelkappen als teeltondersteunende voorzieningen te verwezenlijken onvoldoende acht.

2.31.1. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat in het plan een regeling is opgenomen met betrekking tot teeltondersteunende voorzieningen als wandelkappen en dat de wens van [appellante sub 10] voor het oprichten van wandelkappen met een hoogte van 4,20 meter zal moeten worden getoetst aan de in artikel 3, zesde lid, van de planvoorschriften vervatte regeling, welke regeling hem niet onredelijk voorkomt.

2.31.2. Ingevolge artikel 1, lid 21, van de planvoorschriften is een bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

Ingevolge artikel 1, lid 30, van de planvoorschriften is een gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

Ingevolge artikel 1, lid 8, van de planvoorschriften is een ander bouwwerk een bouwwerk, geen gebouw zijnde.

2.31.3. Ingevolge artikel 3, zesde lid, onder 1, van de planvoorschriften is het verboden op de in dit artikel bedoelde gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het college (aanlegvergunning) de in een bijbehorende tabel vermelde werken en werkzaamheden uit te voeren; de aanlegvergunning kan uitsluitend worden verleend als wordt voldaan aan de in de tabel genoemde criteria.

In de bijbehorende tabel zijn, voor zover hier van belang, onder aanlegvergunningplichtige werken/werkzaamheden onder meer aangegeven:

"Het aanbrengen van teeltondersteunende voorzieningen, voor zover niet zijnde de categorie laag/tijdelijk (zie begripsbepaling)."

In deze tabel is voor deze categorie als criteria voor verlening van de aanlegvergunning opgenomen:

"1.De activiteiten zijn noodzakelijk voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering en/of de ontwikkeling van het agrarisch bedrijf;

2. een afstand van 50 meter uit de bestemming de bos en natuur (lees: de bestemming "Bos- en natuurgebied") moet in acht worden genomen;

3. rekening worden gehouden met de landschappelijke waarden;

4. de waterhuishouding niet onevenredig wordt aangetast;

5. enkel zijn toegestaan de volgende voorzieningen:

(…)

- wandelkappen, vanwege vruchtwisselingseis bij teelt in de grond, aansluitend op het bouwblok tot een maximum van 2 ha.;

(…)"

2.31.4. Ingevolge artikel 1, aanhef en lid 57, van de planvoorschriften wordt onder teeltondersteunende voorzieningen verstaan: ondersteunende voorzieningen ten behoeve van vollegrondsgroente-, fruit-, bloemen- en boomteelt; te onderscheiden in de volgende categorieën:

- laag/tijdelijk: teeltondersteunende voorzieningen met een hoogte van maximaal 1.50 m, uitsluitend toegestaan zolang de teelt het vereist met een maximum van 3 maanden, bijvoorbeeld insectengaas, afdekfolies, lage tunnels;

- laag/permanent: teeltondersteunende voorzieningen met een hoogte van maximaal 1.50 m en met een permanent karakter, bijvoorbeeld containervelden;

- hoog/tijdelijk: teeltondersteunende voorzieningen met een hoogte van minimaal 1.50 m, uitsluitend toegestaan zolang de teelt het vereist met een maximum van 3 maanden, bijvoorbeeld menstoegankelijke wandelkappen, schaduwhallen en hagelnetten;

- hoog/permanent: teeltondersteunende voorzieningen met een hoogte van minimaal 1.50 m en met een permanent karakter, bijvoorbeeld stellingenteelt (bakken in stellingen, regenkappen) en teeltondersteunende kassen;

- overig: vraatnetten, boomteelthekken.

2.31.5. Blijkens deze bepaling, alsmede de plantoelichting, heeft de gemeenteraad met deze voorschriften beoogd een al dan niet naar tijdelijkheid en hoogte van objecten gedifferentieerd systeem van teeltondersteunende voorzieningen mogelijk te maken. Deze regeling heeft echter - waar het de in geschil zijnde wandelkappen betreft - in ieder geval mede betrekking op duurzame voorzieningen die ook gelet op hun omvang moeten worden aangemerkt als gebouwen dan wel andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Aangezien in zoverre geen sprake is van werken of werkzaamheden in de zin van artikel 14 van de WRO kon hiervoor geen aanlegvergunningenstelsel worden opgenomen in het plan.

2.31.6. Gelet hierop is artikel 3, zesde lid, van de planvoorschriften, voor zover het betreft de passage "wandelkappen, vanwege vruchtwisselingseis bij teelt in de grond, aansluitend aan het bouwblok tot een maximum van 2 ha.", vastgesteld in strijd met artikel 14 van de WRO.

2.31.7. In artikel 3, derde lid, onder 1, van de planvoorschriften is, voor zover thans van belang, neergelegd dat op de gronden met de bestemming "Agrarisch gebied" gebouwen uitsluitend binnen het agrarisch bouwperceel mogen worden opgericht.

Ingevolge artikel 3, derde lid, onder 2, van de planvoorschriften zijn, voor zover van belang, andere bouwwerken met een maximale bebouwingshoogte van 2 meter binnen de gehele bestemming toegestaan, met dien verstande dat voor teeltondersteunende voorzieningen op het agrarisch bouwperceel een hoogte van maximaal 6 meter geldt.

2.31.8. In het streekplan is opgenomen dat de aanvaardbaarheid van teeltondersteunende voorzieningen in een gebied mede afhankelijk is van de aard en de verschijningsvorm in relatie tot de benoemde kwaliteit van het gebied.

2.31.9. Gelet op het verhandelde ter zitting is niet in geding dat de door [appellante sub 10] gewenste wandelkappen dienen te worden aangemerkt als bouwwerken. Gelet op de door [appellante sub 10] gewenste hoogte van de wandelkappen, 4,20 meter, en artikel 3, derde lid, onder 1 en 2, van de planvoorschriften mogen dit soort wandelkappen slechts binnen het agrarisch bouwperceel worden opgericht. Nu aan het perceel geen agrarisch bouwperceel is toegekend, is het voor [appellante sub 10] niet mogelijk om de door haar gewenste wandelkappen op te richten. Verweerder heeft dit, door ervan uit te gaan dat de door [appellante sub 10] gewenste wandelkappen onder het aanlegvergunningenstelsel vallen, niet betrokken in zijn belangenafweging.

2.31.10. De conclusie is dat hetgeen [appellante sub 10] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat artikel 3, zesde lid van de planvoorschriften, voor zover het betreft de passage "wandelkappen, vanwege vruchtwisselingseis bij teelt in de grond, aansluitend aan het bouwblok tot een maximum van 2 ha.", is vastgesteld in strijd met artikel 14 van de WRO. Door het artikel niettemin goed te keuren, heeft verweerder gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

Uit het vorenstaande volgt dat er met betrekking tot artikel 3, zesde lid van de planvoorschriften, voor zover het betreft de passage "wandelkappen, vanwege vruchtwisselingseis bij teelt in de grond, aansluitend aan het bouwblok tot een maximum van 2 ha.", rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om hieraan goedkeuring te onthouden.

Voorts volgt uit het voorgaande dat hetgeen de [appellante sub 10] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied" ter plaatse van het perceel van [appellante sub 10] tussen de Steenbeemdstraat en de Berm te Kerkdriel niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 12]

2.32. [appellant sub 12] betoogt dat het aan zijn perceel [locatie 16] te [plaats] toegekende bouwperceel te klein is. Hij stelt een groter agrarisch bouwperceel nodig te hebben voor een bedrijfseconomisch verantwoorde voortzetting van zijn bedrijf. Indien aan zijn perceel geen groter bouwperceel kan worden toegekend verzoekt [appellant sub 12] de mogelijkheid om een woning te kunnen oprichten op de plaats waar thans een varkensschuur aanwezig is. Naar aanleiding van het deskundigenbericht heeft [appellant sub 12] tevens betoogd dat het toegekende bouwperceel ook nog op de verkeerde locatie is ingetekend.

2.32.1. Verweerder heeft ingestemd met de door de gemeenteraad gekozen wijze van bestemmen, nu niet is gebleken van concrete uitbreidingsplannen, en het toegekende bouwperceel nog uitbreidingsmogelijkheden biedt.

2.32.2. Het perceel aan de [locatie 16] heeft een oppervlakte van ongeveer 8.000 m². Aan dat perceel is in het plan de bestemming "Agrarisch gebied met landschaps- en cultuurhistorische waarden" met de aanduiding "karakteristieke verkaveling" en voor een gedeelte van het perceel de aanduiding "agrarisch bouwperceel" met de nadere aanduiding "ivh-intensieve veehouderij" toegekend. Uit het deskundigenbericht is af te leiden dat op het oostelijk deel van het perceel de woning van [appellant sub 12] met bijgebouwen staan en dat op het westelijk deel een varkensstal met een oppervlakte van ongeveer 800 m² staat.

2.32.3. In de plantoelichting is opgenomen dat bij het toekennen en bepalen van de omvang van de bouwblokken de feitelijke en vergunde situatie en eventuele (concrete) voornemens van de agrarische ondernemer, zoals deze kenbaar zijn gemaakt in de agrarische bedrijfsenquête dan wel inspraakreactie zij beoordeeld; het bouwblok-op-maat principe. Voorts is in de plantoelichting opgenomen dat in principe het toe te kennen bouwblok in ieder geval de bestaande bebouwing dient te omvatten.

2.32.4. Blijkens de stukken heeft [appellant sub 12] in zijn inspraakreactie betoogd dat ten onrechte aan zijn perceel een woonbestemming was toegekend, omdat hierdoor geen rekening werd gehouden met de aanwezige varkensstal en de reeds eerder toegestane kantooractiviteiten. Naar aanleiding van deze inspraakreactie heeft de gemeenteraad aan het perceel van [appellant sub 12] alsnog een agrarisch bouwperceel toegekend met de aanduiding "ivh-intensieve veehouderij", teneinde de bestaande en op grond van het voorheen geldende plan als zodanig bestemde varkensstal positief te bestemmen. Het toegekende bouwperceel, een bouwblok op maat, is in overeenstemming met het gemeentelijk beleid, zoals neergelegd in de plantoelichting. [appellant sub 12] heeft geen blijk gegeven van concrete plannen om de varkensstal te vergroten of te vernieuwen. De enkele stelling dat hij de varkensstal, welke hij niet zelf in gebruik heeft, wil aanpassen, is daartoe niet voldoende. Gelet hierop heeft verweerder in beginsel in redelijkheid kunnen instemmen met de grootte van het aan [appellant sub 12] toegekende agrarisch bouwperceel.

2.32.5. Nu de gemeenteraad het bouwperceel echter heeft gesitueerd op het oostelijk deel van het perceel, terwijl de varkensstal op het westelijk deel staat, kan niet staande worden gehouden dat de varkensstal positief is bestemd, hetgeen de gemeenteraad blijkens de beantwoording van de inspraakreactie en het beleid zoals neergelegd in de plantoelichting wel heeft beoogd. Verweerder heeft dit miskend.

2.32.6. Voor zover [appellant sub 12] nog betoogt dat hij een nieuwe woning wil oprichten, indien aan het perceel geen groter bouwperceel wordt toegekend, wordt overwogen dat in artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder 4, van de planvoorschriften is voorzien in de bevoegdheid voor het college om met toepassing van het bepaalde in artikel 11 van de WRO het plan zo te wijzigen dat het agrarisch bedrijf wordt omgezet in een burgerwoning. Zoals verweerder ook heeft gesteld, dient hiervoor, gezien de specifieke belangen die hierbij moeten worden afgewogen, een aparte procedure te worden doorlopen. Niet is aannemelijk gemaakt dat de belangen aan de kant van [appellant sub 12] verweerder aanleiding hadden moeten geven niet in te stemmen met een zodanige regeling voor het perceel van [appellant sub 12].

2.32.7. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 12] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschaps- en cultuurhistorische waarden" met de aanduiding "karakteristieke verkaveling" en op een deel van het perceel de aanduiding "agrarisch bouwperceel" met de nadere aanduiding "ivh-intensieve veehouderij" ter plaatse van het perceel [locatie 16] te [plaats], niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat verweerder, door het plandeel goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit, voor zover hierbij voornoemd plandeel is goedgekeurd, dient te worden vernietigd. Hieruit volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan voornoemd plandeel.

Het beroep van [appellante sub 13]

2.33. [appellante sub 13] stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan, voor zover thans van belang, het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" en de aanduiding "3-toegestane hogere milieucategorie" ter plaatse van haar bedrijf in Heerewaarden.

Zij betoogt dat zij door de gekozen bestemming in haar bedrijfsvoering wordt belemmerd, omdat nieuwe activiteiten op haar perceel binnen het bedrijf slechts zijn toegestaan in de milieucategorieën 1 en 2.

2.33.1. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellante sub 13] op basis van deze bestemmingsregeling niet in haar huidige bedrijfsuitvoering wordt beperkt, maar dat niet is uit te sluiten dat het bedrijf wordt beperkt in haar toekomstige mogelijkheden.

2.33.2. Het bedrijf van [appellante sub 13] is gevestigd op het bedrijventerrein "De Hogewaard" ten zuidwesten van de kern Heerewaarden. Het perceel heeft, voor zover thans van belang, de bestemming "Bedrijventerrein" en de aanduidingen "3-toegestane hogere milieucategorie", "DH-De Hogewaard".

Ingevolge artikel 7, tweede lid, onder a, van de planvoorschriften, zijn, voor zover thans van belang op de tot "Bedrijventerrein" bestemde gronden, uitsluitend bedrijven toegestaan in de categorieën 1 en 2 van de bijgevoegde Staat van bedrijfsactiviteiten. Ingevolge artikel 7, tweede lid, onder b, van de planvoorschriften geldt het bepaalde onder a niet ter plaatse van de aanduiding "toegestane hogere milieucategorie". Ter plekke mag volgens het planvoorschrift het bestaande bedrijf worden gehandhaafd en wel in de op de kaart vermelde hogere milieucategorie; bij omschakeling naar een ander bedrijfstype dient te worden voldaan aan het bepaalde onder a. Ingevolge artikel 7, vierde lid, onder 1, van de planvoorschriften kan het college vrijstelling verlenen van het bepaalde in artikel 7, tweede lid, onder a en b, teneinde bedrijven toe te staan tot maximaal categorie 3 van de Staat van bedrijfsactiviteiten ingevolge artikel 7, mits aan de aldaar genoemde voorwaarden wordt voldaan.

2.33.3. Met betrekking tot het standpunt van [appellante sub 13] dat nu de aanduiding "3-toegestane hogere milieucategorie" aan haar gronden is toegekend, de planvoorschriften niet kunnen bepalen dat nieuwe activiteiten slechts in milieucategorie 1 of 2 mogen vallen, wordt overwogen dat deze aanduiding een uitzondering inhoudt op de in de planvoorschriften neergelegde hoofdregel. Dit is, anders dan [appellante sub 13] stelt, niet in strijd met het recht.

2.33.4. In het voorheen geldende plan "Buitengebied, herziening de Hogewaard 1991", vastgesteld door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Heerewaarden op 16 april 1992, had het bedrijf de bestemming "Industrieterrein" met de aanduiding "straalgritbedrijf".

2.33.5. Uit het deskundigenbericht is af te leiden dat [appellante sub 13] sinds 1977 aldaar is gevestigd en zij een straalapparatuurbedrijf exploiteert. Niet in geschil is dat deze activiteiten vallen onder milieucategorie 3 van de Staat van bedrijfsactiviteiten en dat [appellante sub 13] de bestaande activiteiten op grond van het plan mag voortzetten.

Indien [appellante sub 13] ter plaatse andere activiteiten wenst te ontplooien of toe te laten zijn op grond van artikel 7, tweede lid, onder a en b, van de planvoorschriften bij recht slechts bedrijfsactiviteiten toegestaan in de milieucategorieën 1 en 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten. De Afdeling overweegt dat, nu [appellante sub 13] blijk heeft gegeven van concrete plannen om op haar terrein andere bedrijfsactiviteiten te (doen) ontplooien, zij reeds lange tijd ter plaatse is gevestigd en als zodanig bestemd is geweest, verweerder niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom het voor het bedrijf thans bij recht slechts mogelijk is om activiteiten in de categorie 1 en 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten te ontwikkelen. De enkele verwijzing naar de mogelijkheid voor het toekennen van planschadevergoeding op grond van artikel 49 van de WRO, acht de Afdeling niet voldoende.

2.33.6. De conclusie is dat hetgeen [appellante sub 13] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plandeel met, voor zover thans van belang, de bestemming "Bedrijventerrein" en de aanduidingen "3-toegestane hogere milieucategorie" en "DH-De Hogewaard" ter plaatse van het bedrijf van [appellante sub 13] op het bedrijventerrein "De Hogewaard" te Heerewaarden niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 14]

2.34. [appellant sub 14] betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in twee bedrijfswoningen op zijn perceel [locatie 17] te [plaats]. Hij voert hiertoe aan dat de reeds bestaande woningen positief dienen te worden bestemd, omdat voor beide een bouwvergunning is verleend.

2.34.1. Verweerder heeft zich in navolging van de gemeenteraad op het standpunt gesteld dat uit de door [appellant sub 14] in 1991 ingediende aanvraag voor een bouwvergunning niet blijkt dat het een aanvraag betreft voor een tweede bedrijfswoning. Hierdoor is de voor een tweede bedrijfswoning noodzakelijk te doorlopen vrijstellingsprocedure niet doorlopen en dient er van te worden uitgegaan dat de tweede woning zou worden opgericht ter vervanging van de eerste.

2.34.2. Voor zover thans van belang heeft het perceel de bestemming "Agrarisch gebied" en de aanduiding "agrarisch bouwperceel". Ingevolge artikel 3, tweede lid, onder i, van de planvoorschriften is, voor zover thans van belang, per agrarisch bedrijf maximaal één bedrijfswoning toegestaan, tenzij de aanduiding "2dw-maximaal aantal bedrijfswoningen" is opgenomen; in dat geval zijn maximaal twee bedrijfswoningen toegestaan.

2.34.3. Bij besluit van 16 november 1981 heeft het college [appellant sub 14] een bouwvergunning verleend voor het veranderen van een kantine en een zolder in een woning op het perceel [locatie 17] te [plaats].

Voorts heeft het college [appellant sub 14] bij besluit van 5 maart 1991 een bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woning op dat perceel.

2.34.4. Niet in geschil is dat op het perceel feitelijk twee bedrijfswoningen aanwezig zijn en dat voor beide woningen een bouwvergunning is verleend. De Afdeling stelt vast dat bij de verlening van de bouwvergunning in 1991 niet de eis is gesteld dat de aanwezige woning moest worden gesloopt. [appellant sub 14] behoefde derhalve de eerste woning niet te slopen en mocht daarnaast nog een tweede woning oprichten. Zo het gemeentebestuur bezwaar had en mocht hebben tegen de totstandkoming van een tweede woning, had het op de weg van dit bestuur gelegen te voorkomen dat bij recht de bouw van twee woningen werd vergund. Nu het gemeentebestuur dit heeft nagelaten, behoeft dit niet voor rekening van [appellant sub 14] te worden gebracht. Verweerder heeft dit miskend.

2.34.5. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 14] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met, voor zover van belang, de bestemming "Agrarisch gebied" en de aanduiding "agrarisch bouwperceel" ter plaatse van de [locatie 17] te [plaats] niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat verweerder, door voormeld plandeel goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep is gegrond zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Hieruit volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan voormeld plandeel.

Het beroep van [appellant sub 16]

2.35. [appellant sub 16] betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in een ontsluiting van zijn perceel [locatie 18].

In dit verband voert hij aan dat aan een gedeelte van de gronden nabij en op zijn perceel zowel in dit plan als het bestemmingsplan "Rondweg Hedel" zijn betrokken en dat daaraan in deze plannen van elkaar afwijkende bestemmingen zijn toegekend. Voorts stelt [appellant sub 16] dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de geluidsbelasting op zijn woning, nu zijn woning door drie wegen omsloten gaat worden.

2.35.1. Verweerder heeft goedkeuring onthouden aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied" met de aanduiding "watergang" onder meer ter plaatse van het perceel aan de [locatie 18] alsmede de met de totstandkoming van de rondweg rond Hedel samenhangende plandelen, opdat voor deze gronden het plan "Rondweg Hedel" het geldende bestemmingsplan zal zijn.

2.35.2. Door de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied" met de aanduiding "watergang" ter plaatse van het perceel aan de [locatie 18] alsmede de met de totstandkoming van de rondweg rond Hedel samenhangende plandelen is in zoverre aan de bezwaren van [appellant sub 16] tegemoetgekomen. Nu uit het deskundigenbericht is af te leiden dat [appellant sub 16], gelet op de onthouding van goedkeuring, geen strijd meer ziet tussen de bestemmingsregeling in onderhavig plan en het plan "Rondweg Hedel", mist het beroep in zoverre feitelijke grondslag.

2.35.3. Niet in geding is dat [appellant sub 16] thans een ontsluiting heeft op de Drielseweg en dat deze ontsluitingsmogelijkheid zal vervallen door de realisatie van de in het bestemmingsplan "Rondweg Hedel" voorziene rondweg.

De Afdeling stelt voorts vast dat de op de ontsluiting van zijn perceel en de geluidsbelasting van zijn woning betrekking hebbende bezwaren van [appellant sub 16] direct en uitsluitend verband houden met de in het bestemmingsplan "Rondweg Hedel" voorziene rondweg. Door de onthouding van goedkeuring en de gegeven voorziening dat in zoverre geen nieuw plan hoeft te worden vastgesteld, worden alle ten behoeve van de rondweg strekkende voorzieningen die in verband staan met het perceel van [appellant sub 16] buiten het plan gehouden en zullen deze hun regeling vinden in het bestemmingsplan "Rondweg Hedel". Aangezien [appellant sub 16] met zijn beroep niet meer kan bereiken is de conclusie dat hetgeen [appellant sub 16] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied" met de aanduiding "watergang" ter plaatse van het perceel aan de [locatie 18] te [plaats], in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is mitsdien ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 17]

2.36. [appellant sub 17] betoogt dat haar belangen bij het vaststellen van het plan ten onrechte niet voldoende zijn meegewogen.

Hiertoe voert zij aan dat ten onrechte de ontsluiting van haar perceel [locatie 19] op de Sint Annaweg niet in het plan is geregeld.

Voorts voert zij aan dat ten onrechte niet op haar hele perceel een maximale bouwhoogte van twaalf meter is opgenomen, terwijl een gedeelte van de bestaande bebouwing een bouwhoogte van ruim twaalf meter heeft. [appellant sub 17] betoogt verder dat zij ten onrechte slechts een uitbreidingsmogelijkheid van 10% ten opzichte van de bestaande bebouwing heeft gekregen. Zij stelt dat voor haar bedrijf, zoals ook in de plantoelichting is vermeld, een specifieke uitbreidingsmogelijkheid zou moeten worden opgenomen, nu het perceel op de streekplankaart is gelegen in een zoekzone voor stedelijke functies.

2.36.1. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de aan [appellant sub 17] toegekende uitbreidingsmogelijkheden in overeenstemming zijn met de jurisprudentie. Nu de zoekzone stedelijke functies nog niet is vertaald in een concreet gemeentelijk plan, blijft de uitbreidingsmogelijkheid van 10% van toepassing. Slechts indien daartoe dringende behoefte bestaat, bestaat volgens verweerder de mogelijkheid om af te wijken van het streekplanbeleid.

Voorts kan verweerder instemmen met de in het plan voorziene maximale bebouwingshoogte en verwijst hij voor de door [appellant sub 17] gewenste ontsluiting naar de procedure met betrekking tot de rondweg Hedel.

2.36.2. Het perceel van [appellant sub 17] aan de [locatie 19] te [plaats] heeft de bestemming "Niet-agrarische bedrijven" met de aanduidingen "tgf/o-transport-, groothandel-, opslag-, en logistiek bedrijf in groente en fruit" en "0dw-maximaal aantal bedrijfswoningen".

Ingevolge artikel 6, tweede lid, onder a, van de planvoorschriften is op het perceel een groothandel in groente en fruit, een transportbedrijf en een logistiek dienstverlenend bedrijf toegestaan met een oppervlakte aan bedrijfsbebouwing van ongeveer 12.788 m². Ingevolge artikel 6, derde lid, van de planvoorschriften mag [appellant sub 17] maximaal 10% uitbreiden.

Voorts is ingevolge dit artikellid de maximale bebouwingshoogte voor bedrijfsgebouwen tien meter. Aanvullend hierop is bepaald dat voor zover de bestaande bebouwingshoogte meer bedraagt, deze bestaande maatvoering als maximum geldt.

2.36.3. Voor het beleid in de plantoelichting met betrekking tot de uitbreiding van niet-agrarische bedrijven in het buitengebied wordt verwezen naar overweging 2.27.2..

2.36.4. Onder de vigeur van het voorheen geldende plan "Buitengebied", vastgesteld door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Hedel op 28 juni 1995, had het perceel de bestemming "Bedrijfsbebouwing" met de aanduiding "II-bestaande niet-funktioneel aan het buitengebied gebonden

niet-agrarische bedrijven". Op grond van artikel 13, tweede lid, onder 2, sub a, van deze planvoorschriften was de ten tijde van het ter inzage leggen van het ontwerpplan aanwezige bedrijfsbebouwing ook het maximaal toegestane bebouwingsoppervlak, met dien verstande dat dit oppervlak met 15% mocht worden vergroot en dat via een vrijstelling op grond artikel 13, derde lid, de oppervlakte tot 25% kon worden vergroot mits dit om bedrijfseconomische redenen noodzakelijk was.

2.36.5. Blijkens het provinciaal en gemeentelijk beleid behoort het bedrijf van [appellant sub 17] in beginsel niet thuis in het buitengebied, maar op een bedrijventerrein. Niettemin heeft de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan ervoor gekozen, zoals hij ook reeds onder het voorheen geldende plan heeft gedaan, het bedrijf van [appellant sub 17] een positieve bestemming toe te kennen en heeft verweerder aan deze bestemming goedkeuring verleend. Zowel de gemeenteraad als verweerder hebben zich derhalve op het standpunt gesteld dat het bedrijf van [appellant sub 17] ter plaatse kan voortbestaan. Hierbij dient te worden betrokken dat indien een positieve bedrijfsbestemming wordt toegekend, een goede ruimtelijke ordening met zich brengt dat alle belangen van het bedrijf in de afweging moeten worden betrokken.

2.36.6. Ter zitting is gebleken dat van de zijde van verweerder en de gemeenteraad in beginsel mogelijkheden worden gezien om medewerking te verlenen aan het toekennen van meer dan 10% uitbreidingsruimte. In dat geval is niet voldoende inzichtelijk gemaakt waarom verweerder heeft kunnen instemmen met de aan [appellant sub 17] toegekende uitbreidingsruimte. Dit klemt te meer omdat [appellant sub 17] blijk heeft gegeven van concrete plannen om haar bedrijfsactiviteiten te concentreren op het perceel aan de [locatie 19], waarvoor een ruimere uitbreidingsmogelijkheid dan 10% noodzakelijk is. Tevens heeft verweerder in dit kader niet inzichtelijk gemaakt waarom hij heeft ingestemd met een maximale bouwhoogte van 10 meter, met uitzondering van de reeds bestaande bebouwing, aangezien een gedeelte van de bedrijfsbebouwing van [appellant sub 17] reeds ruim 12 meter hoog is en de voornoemde bouwplannen van het bedrijf daarbij aansluiten.

Gelet op voorstaande argumenten heeft de gemeenteraad de belangen van [appellant sub 17] onvoldoende bij zijn besluitvorming betrokken. Verweerder heeft dit miskend. De overige argumenten van [appellant sub 17] behoeven geen verdere bespreking.

2.36.7. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 17] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plandeel met de bestemming "Niet-agrarische bedrijven" met de aanduidingen "tgf/o-transport-, groothandel-, opslag- en logistiek bedrijf in groente en fruit" en "0dw-maximaal aantal bedrijfswoningen" ter plaatse van het perceel [locatie 19] te [plaats] is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Door het plandeel niettemin goed te keuren, heeft verweerder gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

Gelet op de onlosmakelijke samenhang tussen voormeld plandeel en het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied", voor zover gelegen tussen het perceel [locatie 19] en de Sint Annaweg, dient ook dit plandeel te worden betrokken in de vernietiging.

Nu tot voormelde plandelen rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, ziet de Afdeling aanleiding om hieraan goedkeuring te onthouden.

Het beroep van [appellant sub 18]

2.37. [appellant sub 18] betoogt dat hem ten onrechte bouwmogelijkheden op het perceel [locatie 20] te [plaats] zijn ontnomen. Hiertoe voert hij aan dat voor een rendabele bedrijfsvoering bebouwing op dit perceel noodzakelijk is. Voorts vereist een positieve bestemming van het bedrijf [locatie 21] dat het bedrijf voldoende uitbreidingsmogelijkheden op het perceel [locatie 20] krijgt en is verweerder niet zonder meer voorbij mogen gaan aan de concrete bouwplannen voor dat perceel, aldus [appellant sub 18].

2.37.1. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het handhaven van het door [appellant sub 18] gewenste bouwperceel, waarvan de oppervlakte groter is dan 1,5 hectare, op gespannen voet staat met het beleid inzake de concentratie van glastuinbouw. Voorts stelt hij dat [appellant sub 18] een ruime uitbreidingsmogelijkheid op het perceel [locatie 21] heeft gekregen, zodat uitbreiding naar het perceel [locatie 20] toe vanuit bedrijfseconomisch oogpunt niet noodzakelijk is.

2.37.2. Het perceel [locatie 20] heeft de bestemming "Agrarisch gebied" met de aanduiding "archeologisch en/of cultuurhistorisch waardevol terrein".

Het perceel aan de [locatie 21] heeft de bestemming "Agrarisch gebied" met de aanduidingen "archeologisch en/of cultuurhistorisch waardevol terrein", "agrarisch bouwperceel", voor een oppervlakte van ongeveer 1,25 hectare, en "ch-champignons".

Ingevolge artikel 3, tweede lid, onder d, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn deze gronden bestemd voor een champignonbedrijf. Ingevolge artikel 3, tweede lid, onder b, zijn agrarische bedrijfsgebouwen uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding "agrarisch bouwperceel".

2.37.3. Onder de vigeur van het voorheen geldende plan "Buitengebied" had het perceel [locatie 20] de bestemming "Agrarisch gebied" met de aanduidingen "bebouwingsoppervlak voor gebouwen" en "zone ten behoeve van de bescherming van archeologische waarden".

Het perceel [locatie 21] had onder het voorheen geldende plan "Buitengebied", zoals nader gewijzigd bij het wijzigingsplan "Buitengebied, wijziging 1998-I", de bestemming "Agrarisch gebied" met de aanduidingen "bebouwingsoppervlak voor gebouwen" en "zone ten behoeve van de bescherming van archeologische waarden".

Uit het voorstaande volgt dat [appellant sub 18] thans slechts op het perceel [locatie 21] een bouwperceel toegekend heeft gekregen, terwijl onder het voorheen geldende planologische regime aan beide percelen een bouwperceel was toegekend.

2.37.4. Uit het deskundigenbericht is af te leiden dat [appellant sub 18] sinds 1989 op het perceel [locatie 22] te [plaats] een champignonkwekerij exploiteert. Tot 2003 heeft hij een loods met een oppervlakte van 1.800 m² op het perceel [locatie 21] gebruikt voor zijn bedrijfsvoering. Thans is hij nog slechts woonachtig op deze locatie.

[appellant sub 18] heeft volgens het deskundigenbericht het perceel [locatie 20] rond 1999 aangekocht.

Op 26 juli 2005 heeft [appellant sub 18] een schetsplan ingediend bij het college voor het oprichten van bedrijfshallen voor een champignonteeltbedrijf op de percelen [locatie 21] en [locatie 20], aldus het deskundigenbericht. Het college heeft [appellant sub 18] bij brief van 8 november 2005 op de hoogte gesteld dat, voor zover thans van belang, het schetsplan niet in strijd is met het geldende en in voorbereiding zijnde plan, maar dat het bouwplan in strijd is met de redelijke eisen van welstand.

In opdracht van [appellant sub 18] heeft "C-point, training en consultancy voor paddestoelenteelt" een bedrijfseconomisch advies opgesteld. Uit dit rapport is af te leiden dat voor een rendabele bedrijfsvoering niet slechts dient te worden uitgebreid op het perceel [locatie 21], maar ook op het perceel [locatie 20].

2.37.5. In de plantoelichting is opgenomen dat uitbreiding van champignonbedrijven bij voorkeur dient plaats te vinden in de bestaande, in de thans geldende bestemmingsplannen opgenomen intensiveringszones. Voorts is in de plantoelichting opgenomen dat champignonbedrijven langs de weg van een wijzigingsbevoegdheid kunnen uitgroeien tot een omvang van maximaal 1,5 hectare. Indien deze bedrijven willen doorgroeien naar 2 tot 3 hectare, moeten ze worden verplaatst naar een intensiveringszone, die niet in onderhavig plan zijn opgenomen, aldus de plantoelichting.

Niet in geding is dat de door [appellant sub 18] gewenste uitbreidingsmogelijkheden in strijd zijn met voornoemd beleid. Uit de stukken blijkt echter dat ten onrechte door gemeenteraad bij de vaststelling van het plan noch door verweerder bij de goedkeuring daarvan is bezien of in dit concrete geval aanleiding bestond om af te wijken van dit beleid. Hierbij acht de Afdeling van belang dat [appellant sub 18] een positieve bedrijfsbestemming voor zijn perceel [locatie 21] heeft gekregen, hij gemotiveerd heeft gesteld dat het daarbij betrekken van het perceel [locatie 20] de enige mogelijkheid is om een rendabele bedrijfsvoering te garanderen en bovendien concrete bouwplannen van [appellant sub 18] bekend waren. Tevens is hierbij van belang dat aan het perceel [locatie 20] onder het voorheen geldende plan wel een agrarisch bouwperceel was toegekend.

2.37.6. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 18] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied" met de aanduiding "archeologisch en/of cultuurhistorisch waardevol terrein" ter plaatse van het perceel [locatie 20] te [plaats], is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

Proceskosten

2.38. Met betrekking tot de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 5], [appellante sub 10], [appellant sub 12], [appellante sub 13], [appellant sub 14], [appellant sub 17] en [appellant sub 18] dient verweerder op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Met betrekking tot de beroepen van [appellante sub 2] e.a., [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 6], [appellant sub 7B], [appellant sub 8], [appellant sub 9], ZLTO, [appellant sub 16] en [appellant sub 11] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van de afdeling Maasdriel van de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen de aanduiding "agrarisch bouwperceel" op de plandelen met de bestemming "Agrarische doeleinden" met de aanduiding "ch-champignons";

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 12], de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "[appellante sub 13]", [appellant sub 14], [appellante sub 17] en [appellant sub 18] geheel en van [appellant sub 5] alsmede [appellante sub 10], waarvan de maten zijn [maat A], [maat B] en [maat C] gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: verweerder) van 17 oktober 2006, kenmerk 2006-007797, voor zover het betreft:

A. de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied" en de aanduidingen "agrarisch bouwperceel", gt-glastuinbouw" en 2dw-maximaal toegestane bedrijfswoningen" ter plaatse van het perceel Burgemeester van [locatie 4] te [plaats];

B. de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied" ter plaatse van het perceel [locatie 9] te [plaats];

C. de goedkeuring van artikel 3, zesde lid, van de planvoorschriften, voor zover het betreft de passage "wandelkappen, vanwege vruchtwisselingseis bij teelt in de grond, aansluitend aan het bouwblok tot een maximum van 2 ha.";

D. de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied" ter plaatse van het perceel van de [appellante sub 10] tussen de Steenbeemdstraat en de Berm te Kerkdriel;

E. de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschaps- en cultuurhistorische waarden" met de aanduiding "karakteristieke verkaveling" en op een deel van het perceel de aanduiding "agrarisch bouwperceel" met de nadere aanduiding "ivh-intensieve veehouderij" ter plaatse van het perceel [locatie 16] te [plaats];

F. de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" en de aanduidingen "3-toegestane hogere milieucategorie"en "DH-De Hogewaard" ter plaatse van het bedrijf van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "[appellante sub 13]" op het bedrijventerrein "De Hogewaard" te Heerewaarden;

G. de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied" en de aanduiding "agrarisch bouwperceel" ter plaatse van de [locatie 17] te [plaats];

H. de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Niet-agrarische bedrijven" met de aanduidingen "tgf/o-transport-, groothandel-, opslag en logistiek bedrijf in groente en fruit" en "0dw-maximaal aantal bedrijfswoningen" ter plaatse van het perceel [locatie 19] te [plaats]l;

I. de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied" voor zover gelegen tussen het perceel [locatie 19] en de Sint Annaweg te Hedel;

J. de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied" met de aanduiding "archeologisch en/of cultuurhistorisch waardevol terrein" ter plaatse van het perceel [locatie 20] te [plaats];

IV. onthoudt goedkeuring aan:

A. het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied" ter plaatse van het perceel [locatie 9] te [plaats];

B. artikel 3, zesde lid, van de planvoorschriften, voor zover het betreft de passage "wandelkappen, vanwege vruchtwisselingseis bij teelt in de grond, aansluitend aan het bouwblok tot een maximum van 2 ha.";

C. het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschaps- en cultuurhistorische waarden" met de aanduiding "karakteristieke verkaveling" en op een deel van het perceel de aanduiding" agrarisch bouwperceel" met de nadere aanduiding "ivh-intensieve veehouderij" ter plaatse van het perceel [locatie 16] te [plaats];

D. het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied" met de aanduiding "agrarisch bouwperceel" ter plaatse van het perceel [locatie 11] te [plaats];

E. het plandeel met de bestemming "Niet-agrarische bedrijven" met de aanduidingen "tgf/o-transport-, groothandel-, opslag en logistiek bedrijf in groente en fruit" en "0dw-maximaal aantal bedrijfswoningen" ter plaatse van het perceel [locatie 19] te [plaats];

F. het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied" voor zover gelegen tussen het perceel [locatie 19] en de Sint Annaweg te Hedel;

V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 17 oktober 2006 voor zover het de onder IV genoemde plandelen betreft;

VI. verklaart de beroepen van [appellante sub 2] e.a., [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 6], [appellant sub 7B], [appellant sub 8], [appellant sub 9], [appellant sub 11] en [appellant sub 16] geheel en het beroep van [appellant sub 5], [appellante sub 10], waarvan de maten zijn [maat A], [maat B] en [maat C], alsmede de afdeling Maasdriel van de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie voor het overige ongegrond;

VII. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij de volgende appellanten in verband met de behandeling van hun beroepen opgekomen proceskosten:

A. bij [appellant sub 1] tot een bedrag van € 672,43 (zegge: zeshonderdtweeënzeventig euro en drieënveertig cent), waarvan € 644,00, is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

B. bij [appellant sub 5] tot een bedrag van € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

C. bij [appellante sub 10], waarvan de maten zijn [maat A], [maat B] en [maat C], tot een bedrag van € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

D. bij [appellant sub 12] tot een bedrag van € 833,43 (zegge: achthonderddrieëndertig euro en drieënveertig cent) waarvan € 805,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

E. bij [appellante sub 13] tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

F. bij [appellant sub 14] tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

G. bij [appellante sub 17] tot een bedrag van € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

H. bij [appellant sub 18] tot een bedrag van € 672,43 (zegge: zeshonderdtweeënzeventig euro en drieënveertig cent), waarvan € 644,00, is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

de bedragen dienen door de provincie Gelderland aan de onderscheiden appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VIII. gelast dat de provincie Gelderland aan de volgende appellanten het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht vergoedt:

A. aan [appellant sub 1] het bedrag van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro);

B. aan [appellant sub 5] het bedrag van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro);

C. aan [appellante sub 10], waarvan de maten zijn [maat A], [maat B] en [maat C] het bedrag van € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro);

D. aan [appellant sub 12] het bedrag van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro);

E. aan [appellante sub 13] het bedrag van € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro);

F. aan [appellant sub 14] het bedrag van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro);

G. aan [appellante sub 17] het bedrag van € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro)

H. aan [appellant sub 18] het bedrag van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro).

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, voorzitter, en mr. H.P.J.A.M. Hennekens en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Matulewicz

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2008

45-533.