Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC4235

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-02-2008
Datum publicatie
13-02-2008
Zaaknummer
200704584/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 februari 2006 heeft de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: de minister) een aanvraag van [appellante] om afgifte van een verklaring van vakbekwaamheid inhoudende dat tegen de inschrijving van haar in het register van beroepsbeoefenaren volksgezondheid geen bezwaar bestaat, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200704584/1

Datum uitspraak: 13 februari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 07-120 van de rechtbank Haarlem van 31 mei 2007 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 februari 2006 heeft de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: de minister) een aanvraag van [appellante] om afgifte van een verklaring van vakbekwaamheid inhoudende dat tegen de inschrijving van haar in het register van beroepsbeoefenaren volksgezondheid geen bezwaar bestaat, afgewezen.

Bij besluit van 6 december 2006 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 mei 2007, verzonden op 5 juni 2007, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief van 28 juni 2007, bij de Raad van State ingekomen op 4 juli 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 december 2007, waar [appellante], in persoon en bijgestaan door A. de Vogel, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: de Wet BIG), voor zover thans van belang, worden registers ingesteld waarin degenen die aan de daarvoor bij en krachtens deze wet gestelde voorwaarden voldoen, op hun aanvrage als tandarts worden ingeschreven.

Ingevolge artikel 6, aanhef en onder a, wordt de inschrijving geweigerd indien de aanvrager niet voldoet aan de in hoofdstuk III bedoelde opleidingseisen.

Ingevolge artikel 41, eerste lid, wordt in afwijking van het in artikel 6, onder a, bepaalde aan een persoon die niet voldoet aan de ter zake van de genoten opleiding bij of krachtens hoofdstuk III voor inschrijving in een register gestelde eisen, inschrijving in het register deswege niet geweigerd indien:

a. hij in het buitenland een door de minister aangewezen getuigschrift heeft verkregen dat geldt als bewijs van een verworven vakbekwaamheid die geacht kan worden gelijkwaardig te zijn aan de vakbekwaamheid welke uit het voldoen aan vorenbedoelde eisen mag worden afgeleid;

b. de minister, gelet op een door de betrokkene in het buitenland verkregen getuigschrift en op de daarnaast opgedane beroepservaring en gevolgde opleiding, hem op aanvrage een verklaring heeft afgegeven, inhoudende dat tegen zijn inschrijving in het register voor wat zijn vakbekwaamheid betreft geen bedenkingen bestaan;

c. indien aan hem ten aanzien van het betrokken beroep een EU-verklaring als bedoeld in de Algemene wet erkenning EU-beroepsopleidingen is afgegeven.

Ingevolge het derde lid, aanhef en onder b, kan de minister bij afgifte van een verklaring als bedoeld in het eerste lid, onder b, daarin bepalen dat de betrokkene, in het register ingeschreven staande, zijn beroep slechts zal mogen uitoefenen met inachtneming van in de verklaring omschreven beperkingen.

Ingevolge het vierde lid kan een verklaring, behoudens in bijzondere gevallen, zonder toepassing van het derde lid slechts worden afgegeven, indien het door de betrokkene in het buitenland verkregen getuigschrift naar het oordeel van de minister kan gelden als bewijs van verworven vakbekwaamheid die de in het eerste lid, onder a, bedoelde gelijkwaardigheid bezit.

Ingevolge het vijfde lid, voor zover thans van belang, stelt de minister voor elk daarvoor in aanmerking komend beroep een commissie van deskundigen in, die tot taak heeft hem op zijn verzoek of uit eigen beweging van advies te dienen inzake de toepassing van dit artikel. Bij algemene maatregel van bestuur worden de samenstelling, taak en werkwijze van de commissie geregeld. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het afleggen van een kennis- en vaardighedentoets.

2.2. In de circulaire "Verklaring vakbekwaamheid" van 16 januari 2003 (Stcrt. 2003, nr. 13; hierna: de circulaire) heeft de minister het beleid, ten tijde van belang, neergelegd met betrekking tot de behandeling van verzoeken om een vakbekwaamheidsverklaring. Blijkens de circulaire onderzoekt de minister of de vakbekwaamheid van de aanvrager, gezien zijn/haar diploma respectievelijk getuigschrift, zijn/haar eventuele specialisatie en zijn/haar eventuele beroepservaring, gelijkwaardig kan worden geacht aan de vakbekwaamheid van de in Nederland gediplomeerde beoefenaar. Voorts vermeldt de circulaire dat de minister zich ten aanzien van het al dan niet afgeven van deze verklaring kan laten adviseren door de Commissie buitenslands gediplomeerden volksgezondheid (hierna: de CBGV). Met betrekking tot deze advisering is in de circulaire opgenomen dat de CBGV haar advies primair baseert op aan haar voorgelegde documenten en, in aanvulling daarop, desgewenst op de diplomawaardering door onder meer de Nederlandse organisatie voor internationale samenwerking in het Hoger Onderwijs (hierna: Nuffic). De CBGV beoordeelt volgens de circulaire de vakbekwaamheid mede in het licht van opgedane beroepservaring, aanvullende opleiding, en bij- of nascholing en eventuele specialisatie, of - zo nodig - in het licht van een eventuele kennis- en/of vaardighedentoets.

De CBGV heeft, teneinde haar wijze van beoordeling inzichtelijk te maken, deze neergelegd in de Richtlijn compensatie buitenlands gediplomeerde tandartsen (hierna: de CBGV-Richtlijn). In deze CBGV-Richtlijn is neergelegd dat een tekort in de opleiding slechts kan worden gecompenseerd door opgedane beroepservaring, indien het niveau van de gevolgde opleiding volgens de Nuffic vergelijkbaar is met ten minste vier jaren wetenschappelijk onderwijs en de CBGV instemt met deze waardering.

2.3. De minister heeft de aanvraag van [appellante] om een verklaring van vakbekwaamheid als tandarts bij besluit van 21 februari 2006 afgewezen. De overwegingen van deze beslissing zijn vervat in een brief van 4 november 2005 waarin het voornemen tot afwijzing van het verzoek van [appellante] kenbaar is gemaakt. Uit deze brief blijkt dat de beslissing van de minister berust op eerdere studievergelijkingen van met de tandartsenopleiding van [appellante] overeenkomende gevallen, waaruit is gebleken dat haar in Irak gevolgde tandartsenopleiding niet kan gelden als gelijkwaardig noch nagenoeg gelijkwaardig aan de Nederlandse basisopleiding Tandheelkunde, omdat het aldaar behaalde niveau overeenkomt met hooguit 3 jaar wetenschappelijk onderwijs tandheelkunde in Nederland. De vervolgopleiding tot Master in Science in Pediatric Dentistry (hierna: masteropleiding Kindertandheelkunde) heeft volgens de minister betrekking op een specifiek onderdeel van de tandheelkunde en kan de tekorten in de basisopleiding niet compenseren. Evenmin kan de opgedane beroepservaring als compensatie dienen voor de tekorten in die opleiding, aldus de minister.

2.4. [appellante] betoogt tevergeefs dat de rechtbank er ten onrechte aan is voorbijgegaan dat de CBGV-richtlijn in strijd is met artikel 41, eerste lid, van de Wet BIG, dat een implementatie behelst van EG-richtlijn 2001/19/EU (hierna: de EG-richtlijn), voor zover in de CBGV-richtlijn is bepaald dat een tekort in de opleiding slechts kan worden gecompenseerd door opgedane beroepservaring, indien het niveau van de gevolgde opleiding volgens de Nuffic vergelijkbaar is met ten minste vier jaren wetenschappelijk onderwijs. Uit de EG-richtlijn volgt immers dat opgedane werkervaring in de beoordeling moet worden betrokken.

Nog daargelaten of [appellante] in haar geval een beroep zou kunnen doen op de EG-richtlijn, is, zoals de Afdeling heeft overwogen in uitspraken van 19 september 2007 in de zaken nrs. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/actuele_uitspraken/hoofdzaken/zoekresultaat/?zoeken_veld=&verdict_id=18258">200701040/1</a> en <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/actuele_uitspraken/hoofdzaken/zoekresultaat/?zoeken_veld=&verdict_id=18253">200701873/1</a>, artikel 41, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet BIG een correcte implementatie van de EG-richtlijn. Dit artikel vereist, in overeenstemming met de EG-richtlijn, een beoordeling van de door een aanvrager van een verklaring opgedane beroepservaring. De Richtlijn Beoordeling gaat ervan uit dat, wanneer de gevolgde opleiding het niveau heeft van vier jaar of minder wetenschappelijk onderwijs, de opgedane beroepservaring er niet toe kan leiden dat de vakbekwaamheid alsnog als nagenoeg gelijk kan worden beoordeeld, omdat het niveau van de opgedane beroepservaring daartoe niet toereikend is. In die zin is in zijn algemeenheid een oordeel gegeven over de opgedane beroepservaring. De EG-richtlijn verzet zich er niet tegen dat aan het niveau van de genoten opleiding en de opgedane beroepservaring minimumeisen worden gesteld.

2.5. [appellante] komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister zich bij het nemen van zijn besluit heeft mogen baseren op eerdere studievergelijkingen in vergelijkbare gevallen door de Nuffic en de CBGV. Zij voert aan dat in deze adviezen ten onrechte bij de beoordeling van het niveau van de door haar gevolgde universitaire opleiding tot Bachelor of Dental Surgery aan de Universiteit van Bagdad de door haar gevolgde vooropleiding is betrokken en onvoldoende onderzoek is gedaan naar het werkelijke niveau. De door haar gelopen stage en gevolgde masteropleiding Kindertandheelkunde zijn bovendien ten onrechte niet betrokken bij de door haar gevolgde opleiding. [appellante] heeft daarbij verwezen naar het bij de Afdeling ingestelde hoger beroep van [naam], zaaknr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/actuele_uitspraken/hoofdzaken/zoekresultaat/?zoeken_veld=&verdict_id=21973">200702936/1</a>. Voorts voert [appellante] aan dat de rechtbank ten onrechte eraan is voorbijgegaan dat aan een andere Iraakse tandarts een verklaring van vakbekwaamheid is gegeven, terwijl deze tandarts onder hetzelfde onderwijssysteem en bij dezelfde universiteit de opleiding tandheelkunde heeft doorlopen. Bovendien heeft de rechtbank, volgens [appellante], miskend dat de voor haar nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn aan de met het besluit te dienen doelen.

2.5.1. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 30 januari 2008, nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/actuele_uitspraken/hoofdzaken/zoekresultaat/?zoeken_veld=&verdict_id=21973">200702936/1</a>, in de zaak [naam] heeft overwogen, heeft de minister aan zijn besluit ten grondslag mogen leggen het oordeel van de Nuffic dat het niveau van het geheel van de opleiding tot Bachelor of Dental Surgery aan de Universiteit van Bagdad, die nominaal vijf jaar duurt, mede gelet op het aanvangsniveau, moet worden gelijkgesteld met drieëneenhalf jaar universitair onderwijs in Nederland, alsmede het oordeel van de CBGV dat deze opleiding moet worden gewaardeerd op drie jaar Nederlands universitair onderwijs, zodat deze opleiding niet gelijkwaardig noch nagenoeg gelijkwaardig kan worden geacht. De door [appellante] overgelegde gegevens over de door haar gevolgde opleiding bieden in zoverre geen grond voor een ander oordeel.

Niet in geschil is dat het geval waarop [appellante] zich beroept, werd beoordeeld naar het kader van de thans ingetrokken Wet voorwaarden afzonderlijke bevoegdheid uitoefening der tandheelkunst en van de uitoefening dier kunst. De minister heeft ter zitting bij de rechtbank toegelicht dat niet slechts sprake is van een wijziging van het wettelijk kader, maar dat de CBGV na klachten van artsen en tandartsen die op grond van een buitenlandse opleiding een BIG-registratie hebben verkregen, ook de criteria voor het beoordelen van genoten opleiding in het kader van verzoeken om een BIG-registratie heeft aangescherpt. Nu het door [appellante] aangehaalde geval is beoordeeld onder eerdere wetgeving met minder strikte beoordelingscriteria, is reeds daarom geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 30 januari 2008 in de zaak [tandarts] heeft overwogen, betekent de omstandigheid dat de CBGV voorheen de Iraakse opleiding tot tandarts op vier jaar waardeerde, niet dat de CBGV de opleiding thans onder een strengere beoordeling niet lager zou mogen waarderen en de minister daar bij zijn besluit niet van heeft mogen uitgaan.

Zoals de Afdeling in voornoemde uitspraak tevens heeft overwogen, staat de Wet BIG eraan in de weg dat in het geval de minister van oordeel is dat de vakbekwaamheid van een aanvrager niet gelijk of nagenoeg gelijk kan worden geacht aan de vakbekwaamheid van de in Nederland gediplomeerde beoefenaar, de belangen van de aanvrager van de verklaring er toe zouden kunnen leiden dat de minister de verklaring desalniettemin dient af te geven.

In zoverre faalt het betoog van [appellante] derhalve.

2.5.2. In de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 30 januari 2008 is overwogen dat [tandarts] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de verplichte stage onderdeel uitmaakt van de door haar gevolgde opleiding tot tandarts, zodat de stage niet behoefde te worden betrokken bij het advies over het niveau van de door [tandarts] gevolgde opleiding.

Anders dan [tandarts] heeft [appellante] in haar aanvraagformulier en in de bij brief van 21 november 2005 gegeven zienswijze op de brief van de minister van 4 november 2005 aangevoerd dat zij, na het behalen van het diploma Bachelor of Dental Surgery op 30 juni 1998, gedurende een jaar een stage heeft gelopen aan het Baghdad Educational Dental Hospital. Ter zitting heeft [appellante] medegedeeld dat deze kliniek is verbonden aan de Universiteit van Bagdad. Naar [appellante] heeft gesteld, vormt deze stage een voorwaarde om een masteropleiding te kunnen volgen. Vervolgens heeft [appellante] van oktober 1999 tot oktober 2001 met succes de masteropleiding Kindertandheelkunde van twee jaar gevolgd.

De door de minister overgelegde adviezen van de Nuffic en de CBGV hebben geen betrekking op personen die een zelfde of vergelijkbare stage als [appellante] hebben gelopen en vervolgens een masteropleiding hebben gevolgd. Nu de minister niet ter zitting is verschenen, is niet duidelijk kunnen worden of bij de beantwoording van de vraag of de stage dient te worden betrokken bij de door [appellante] gevolgde opleiding, gewicht toekomt aan de omstandigheid dat [appellante] haar stage heeft gelopen bij het aan de universiteit verbonden Baghdad Educational Dental Hospital en deze stage, naar zij heeft gesteld, een vereiste is voor toelating tot de masteropleiding kindertandheelkunde. De Afdeling acht in dat verband van belang dat de CBGV in eerdere adviezen heeft gesteld dat het Nederlands curriculum van de opleiding Tandheelkunde voor 50% bestaat uit het toepassen van hoog technologische praktische vaardigheden bij de patiënt. De vraag is onbeantwoord gebleven of niet de praktische vaardigheden, indien deze in de verplichte stage tussen de bachelor- en masteropleiding zijn opgedaan, gelijkwaardig moeten worden geacht aan de praktische vaardigheden opgedaan tijdens de Nederlandse opleiding en deze stage om die reden dient te worden betrokken bij het niveau van de door [appellante] gevolgde opleiding.

Zonder nadere toelichting valt voorts niet in te zien, waarom niet de na de bacheloropleiding gevolgde masteropleiding bij de duur van de wetenschappelijke opleiding dient te worden betrokken, nu het daarbij evenzeer om universitair onderwijs gaat. De Afdeling acht in dat verband voorts van belang dat de minister in de toelichting bij het besluit van 21 februari 2006 heeft gesteld dat de functie van kindertandarts ligt besloten in het beroep van de Nederlandse basistandarts. Nu kindertandheelkunde kennelijk deel uitmaakt van de Nederlandse opleiding Tandheelkunde, behoeft tevens de vraag beantwoording of niet de door [appellante] gevolgde masteropleiding Kindertandheelkunde kan worden beschouwd als aanvulling op de door haar gevolgde bacheloropleiding en om die reden dient te worden betrokken bij het niveau van de door haar gevolgde opleiding.

2.5.3. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de minister aan de Nuffic en de CBGV advies had behoren te vragen over de waardering van de door [appellante] gelopen stage en gevolgde masteropleiding Kindertandheelkunde. Door dit na te laten en te volstaan met verwijzing naar eerdere adviezen van de Nuffic en de CBGV heeft de minister zijn besluit onzorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd waarom de door [appellante] gevolgde opleiding niet nagenoeg gelijkwaardig is aan de Nederlandse opleiding Tandheelkunde noch vergelijkbaar is met ten minste vier jaar wetenschappelijk onderwijs.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van de minister van 6 december 2006 alsnog gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen. De minister dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.7. De minister dient op na de melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 31 mei 2007 in zaak nr. AWB 07-120;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 6 december 2006, kenmerk DWJZ-2671909/13;

V. veroordeelt de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan [appellante] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI. gelast dat de Staat der Nederlanden (het ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Sport) aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 355,00 (zegge: driehonderdvijfenvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. J.E.M. Polak, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Wilbers-Taselaar

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2008

71-554.