Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC4233

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-02-2008
Datum publicatie
13-02-2008
Zaaknummer
200704261/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 januari 2006 heeft de raad van de gemeente Dordrecht (hierna: de raad) verklaard dat een bestemmingsplan wordt voorbereid voor het gebied dat nader is aangegeven op de bij dat besluit horende tekening nummer S2-26-119 (locatie "Laan van Londen/Van der Steenhovenplein") (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200704261/1.

Datum uitspraak: 13 februari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de vereniging "Belangenvereniging Amstelwijck", [appellanten a, b en c], gevestigd, onderscheidenlijk wonend, te Dordrecht,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 11 mei 2007 in zaak nr. 06/942 in het geding tussen:

appellanten

en

de raad der gemeente Dordrecht.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 januari 2006 heeft de raad van de gemeente Dordrecht (hierna: de raad) verklaard dat een bestemmingsplan wordt voorbereid voor het gebied dat nader is aangegeven op de bij dat besluit horende tekening nummer S2-26-119 (locatie "Laan van Londen/Van der Steenhovenplein") (hierna: het perceel).

Bij besluit van 23 mei 2006 heeft de raad [appellant c] niet-ontvankelijk verklaard in het door hem tegen dat besluit gemaakte bezwaar, het door de belangenvereniging Amstelwijck, [appellant a] en [appellant b] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 3 januari 2006 in stand gelaten.

Bij uitspraak van 11 mei 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Dordrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door de belangenvereniging Amstelwijck, [appellant a], [appellant b] en [appellant c] (hierna: de belangenvereniging e.a.) ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de belangenvereniging e.a. bij brief van 20 juni 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 18 juli 2007.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 januari 2008, waar [appellant b] en de belangenvereniging e.a., vertegenwoordigd door mr. A. van Diermen, en het college, vertegenwoordigd door mr. H.J.W. Visser, W.S. van Leeuwen en G.W. Slager, allen ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is gehoord de Islamitische Vereniging "Al Fath" (hierna: Al Fath), vertegenwoordigd door ing. B. de Wit en H. Moujid.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 13 september 2005 heeft het college aan Al Fath krachtens artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Amstelwijck" (hierna: het bestemmingsplan) en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een moskee met bijbehorende voorzieningen op het perceel. De raad heeft het besluit van 3 januari 2006 op voorstel van het college genomen, opdat het college op de voet van artikel 19, vierde lid, van de WRO een besluit op het door de belangenvereniging e.a. tegen het besluit van 13 september 2005 gemaakte bezwaar zou kunnen nemen.

2.2. De belangenvereniging e.a. betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de raad [appellant c] ten onrechte niet als belanghebbende bij het besluit van 3 januari 2006 heeft aangemerkt, nu hij aanvoert dat bij realisering van het bouwplan dat is voorzien op het perceel waarop dat besluit betrekking heeft, de ingevolge het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: het Besluit luchtkwaliteit) geldende grenswaarden worden overschreden. Omdat de bepalingen in het Besluit luchtkwaliteit milieukwaliteitsnormen betreffen die hun oorsprong vinden in een EU-richtlijn, kan een ieder in dit verband een rechtsmiddel aanwenden, aldus de belangenvereniging e.a.

2.3. Dit betoog slaagt niet. De rechtbank heeft terecht voor de vraag, wie als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) moet worden beschouwd, bepalend geacht of de bezwaarmaker in de nabijheid van het te bebouwen perceel woonachtig is en zicht heeft op het bouwplan. Het vrijstellingsbesluit is met het oog op dit bouwplan genomen. Anders dan de belangenvereniging e.a. betogen, maakt het enkele feit dat een bezwaarmaker een beroep doet op het Besluit luchtkwaliteit hem geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. In het onderhavige geval is de woning van [appellant c] meer dan 300 m van het perceel verwijderd en heeft hij als gevolg van tussenliggende hoge bebouwing niet of nauwelijks zicht op de op te richten moskee. Voorts woont hij niet aan de toegangsweg tot die moskee en evenmin aan één van de andere toevoerwegen, zodat de rechtbank terecht heeft overwogen dat [appellant c] evenmin op grond van de mogelijke toename van verkeer en mogelijke afname van de luchtkwaliteit ten gevolge daarvan als belanghebbende kan worden aangemerkt. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat niet is gebleken dat [appellant c] een hem persoonlijk aangaand belang bij het voorbereidingsbesluit heeft dat hem in voldoende mate van andere omwonenden onderscheidt en dat hij terecht niet-ontvankelijk in zijn bezwaar is verklaard.

2.4. Voorts faalt het betoog van de belangenvereniging e.a. dat de rechtbank, door te oordelen dat geen sprake is van een situatie waarin reeds bij een globale beschouwing aanstonds duidelijk is dat het voorgenomen bouwplan onaanvaardbaar is, heeft miskend dat de te realiseren moskee een vergaande inbreuk op het geldende planologische regime vormt en op onaanvaardbare wijze de uitgangspunten van het bestemmingsplan doorkruist.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 november 2006 in zaak nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/actuele_uitspraken/hoofdzaken/zoekresultaat/?zoeken_veld=&verdict_id=15525">200600657/1</a>), komt de gemeenteraad bij het nemen van een voorbereidingsbesluit een ruime mate van beleidsvrijheid toe en bestaat slechts dan aanleiding voor het oordeel dat de gemeenteraad niet in redelijkheid tot het nemen van een voorbereidingsbesluit heeft kunnen overgaan, wanneer reeds bij een globale beschouwing aanstonds duidelijk had moeten zijn dat het voorgenomen plan in planologisch opzicht onaanvaardbaar is. De rechtbank heeft terecht overwogen dat daarvan in dit geval geen sprake is. De gronden die de belangenvereniging e.a. in hoger beroep hebben aangevoerd zijn alle gericht tegen het besluit van 13 september 2005 en kunnen derhalve in deze procedure niet aan de orde komen. Voorts heeft de Afdeling bij uitspraak van heden in zaak nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/actuele_uitspraken/hoofdzaken/zoekresultaat/?zoeken_veld=&verdict_id=22293">200704318/1</a> de rechtmatigheid van de vrijstelling en bouwvergunning voor het oprichten van de moskee bevestigd. De rechtbank heeft dan ook terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid tot het nemen van het voorbereidingsbesluit heeft kunnen overgaan.

2.5. Ten slotte betogen de belangenvereniging e.a. tevergeefs dat het geschil, gezien zijn complexiteit en de aanzienlijke inbreuk van het bouwplan op het planologische regime, niet aan een enkelvoudige kamer van de rechtbank had mogen worden voorgelegd, maar aan een meervoudige kamer had moeten worden voorgelegd.

Ingevolge artikel 8:10, eerste lid, van de Awb is in eerste aanleg een behandeling van zaken door een enkelvoudige kamer uitgangspunt. Of een zaak voor verwijzing naar een meervoudige kamer in aanmerking komt, staat ter beoordeling aan de enkelvoudige kamer. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 9 juli 2003 in zaak nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/actuele_uitspraken/hoofdzaken/zoekresultaat/?zoeken_veld=&verdict_id=4190">200103789/1</a>, JB 2003/254) betreft dit een procesrechtelijke beslissing die in beginsel de verantwoordelijkheid is van de eerste rechter. Behoudens uitzonderingssituaties kunnen hiertegen gerichte grieven niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Een dergelijke uitzonderingssituatie doet zich in dit geval niet voor.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. C.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Soede

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2008

270-488.