Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC4229

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-02-2008
Datum publicatie
13-02-2008
Zaaknummer
200705172/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 februari 2007 heeft de Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer (hierna: de RDW) de aan [wederpartij] verleende erkenning voor het uitvoeren van periodieke keuringen van voertuigen tot en met 3500 kilogram voor de keuringsplaats, gelegen te Rotterdam aan de [locatie], met ingang van 21 februari 2007 voor de duur van twaalf weken ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200705172/1.

Datum uitspraak: 13 februari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer,

appellant,

tegen de uitspraak in de zaken nrs. 07/2102 en 07/2103 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 11 juli 2007 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 februari 2007 heeft de Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer (hierna: de RDW) de aan [wederpartij] verleende erkenning voor het uitvoeren van periodieke keuringen van voertuigen tot en met 3500 kilogram voor de keuringsplaats, gelegen te Rotterdam aan de [locatie], met ingang van 21 februari 2007 voor de duur van twaalf weken ingetrokken.

Bij besluit van 11 mei 2007 heeft de RDW het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 juli 2007 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit op bezwaar vernietigd en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, hetgeen in dit geval inhoudt dat het besluit van 13 februari 2007 wordt herroepen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de RDW bij brief van 23 juli 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 januari 2008, waar de RDW, vertegenwoordigd door drs. J. Greidanus, werkzaam bij de Dienst Wegverkeer, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. J.R. Juriaans, advocaat te Leiden, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 87, tweede lid, aanhef en onder f, van de Wegenverkeerswet 1994 kan de RDW een erkenning intrekken of wijzigen, indien degene aan wie de erkenning is verleend handelt in strijd met een of meer uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen.

In de Erkenningsregeling APK zijn regels neergelegd omtrent de erkenningseisen en erkenningsvoorschriften.

Ingevolge artikel 44, achtste lid, van de Erkenningsregeling APK, deelt de erkenninghouder, indien het voertuig aan een steekproef wordt onderworpen, dit aan de aanvrager mede en houdt de erkenninghouder het keuringsrapport onder zich voor een periode van ten hoogste negentig minuten, vanaf het tijdstip van afmelding.

Ingevolge artikel 45, eerste lid, van de Erkenningsregeling APK gelden, indien het voertuig blijkens mededeling van de RDW aan een steekproef wordt onderworpen, onder meer de in het tweede tot en met zesde lid vermelde verplichtingen.

Ingevolge het vijfde lid, aanhef en onder d, van dit artikel wordt aan een steekproef alle medewerking verleend en worden de ter zake door de RDW gegeven aanwijzingen in acht genomen. Onder alle medewerking wordt in ieder geval verstaan dat het voertuig, ongeacht het tijdstip van aanvang van de steekproef, niet uit de keuringsplaats wordt verwijderd gedurende de steekproef.

Ingevolge het zesde lid van dit artikel, voor zover thans van belang, wordt, indien wordt geconstateerd dat de voorschriften met betrekking tot de steekproef niet in acht zijn genomen, door de daartoe aangewezen functionaris van de RDW een steekproefcontrolerapport opgemaakt dat door deze alsmede door de keurmeester wordt ondertekend.

Ingevolge artikel 58 van de Erkenningsregeling APK, voor zover thans van belang, wordt, indien door de erkenninghouder de in de artikelen 44 neergelegde verplichtingen of de in artikel 45, tweede, vierde en vijfde lid, opgenomen voorschriften niet worden nageleefd, terstond begonnen met een procedure voor intrekking van de erkenning.

Met betrekking tot het toezicht op keuringen en het opleggen van sancties voert de RDW een beleid dat is neergelegd in de zogeheten Toezichtbeleidsbrief, die aan elke erkenninghouder is verstrekt.

In paragraaf 6.3 van deze Toezichtbeleidsbrief APK Erkenninghouders is met betrekking tot het toezicht op erkenninghouders onder meer het volgende vermeld.

"Aanwezigheid voertuig bij de steekproef

U dient ervoor te zorgen dat ook na afmelding het voertuig voor de uitvoering van de steekproef door de steekproefcontroleur van de RDW in de keuringsruimte aanwezig is en blijft. Ingeval er na 90 minuten nog geen steekproefcontroleur is verschenen, mag u het keuringsrapport afgeven en hoeft het voertuig niet meer beschikbaar te zijn voor de RDW.

U wordt er hier met nadruk op gewezen dat u verplicht bent om de gang van zaken rond de APK-keuring zo in te richten dat het wegrijden uit een steekproef wordt voorkomen."

In Bijlage 1 van deze Toezichtbeleidsbrief staat vermeld dat onder meer bij het niet verlenen van medewerking bij het toezicht door de RDW in beginsel een sanctie van tijdelijke intrekking van de erkenning voor de duur van twaalf weken wordt opgelegd.

2.2. De RDW heeft de erkenning voor de duur van twaalf weken ingetrokken en gehandhaafd omdat [wederpartij] heeft gehandeld in strijd met de verplichting die voortvloeit uit artikel 45, vijfde lid, aanhef en onder d, van de Erkenningsregeling APK. De RDW heeft zich op het standpunt gesteld dat [wederpartij] bij een steekproefherkeuring op 3 januari 2007 van het voertuig met kenteken […] (hierna: het voertuig) niet alle medewerking heeft verleend, omdat het voertuig bij aankomst van de steekproefcontroleur niet in de keuringsplaats aanwezig was. Volgens de RDW heeft [wederpartij] niet aannemelijk gemaakt dat hem ten aanzien van medewerking verlenen aan de steekproefherkeuring geen enkel verwijt valt te maken.

2.3. De RDW betoogt in hoger beroep dat de voorzieningenrechter ten onrechte ongemotiveerd is voorbijgegaan aan de verklaring van de steekproefcontroleur dat [wederpartij] hem heeft medegedeeld dat de keurmeester plotseling weg moest en met het voertuig is vertrokken. Ook uit eigen waarneming heeft de steekproefcontroleur geconstateerd dat het voertuig afwezig was, aldus de RDW.

Voorts betoogt de RDW dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het [wederpartij] te verwijten valt dat hij niet aan de steekproef heeft meegewerkt.

Ten slotte betoogt de RDW dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat het niet laten ondertekenen door [wederpartij] van het steekproefcontrolerapport voor risico van de RDW komt. Volgens de RDW is er geen wettelijke verplichting om de erkenninghouder bedoeld rapport te laten ondertekenen en mag van hem verwacht worden dat hij bij afwezigheid van de keurmeester zelf het initiatief neemt om het rapport te ondertekenen.

2.4. Volgens het steekproefcontrolerapport, dat in dit opzicht door [wederpartij] niet wordt betwist, heeft [wederpartij] aan de steekproefcontroleur toen deze op de keuringsplaats arriveerde noch het voertuig noch het kentekenbewijs daarvan getoond.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraken van 10 februari 2000 in zaak nr. H01.99.0607; AB 2000, 145 en van 12 april 2006 in zaak nr. 200508323/1), levert de enkele afwezigheid van het voertuig op het moment van herkeuring een overtreding op van de medewerkingsverplichting van artikel 45, vijfde lid, aanhef en onder d, van de Erkenningsregeling APK en mag de RDW naar aanleiding daarvan tot intrekking overgaan, tenzij de erkenninghouder ter zake niets te verwijten valt.

Vast staat dat het voertuig zich toen de steekproefcontroleur arriveerde niet in de keuringsruimte bevond. Indien, zoals door [wederpartij] is aangevoerd, het voertuig zich toen op de parkeerplaats voor de garage bevond, had het op de weg van [wederpartij] gelegen dat direct na aankomst van de steekproefcontroleur, toen hij deze ook heeft geïnformeerd over het feit dat en waarom de keurmeester afwezig was, aan de controleur mede te delen. Dat een dergelijke mededeling toen door hem zou zijn gedaan is door [wederpartij] niet gesteld en kan ook overigens uit de stukken niet worden opgemaakt. Evenmin zijn er aanwijzingen dat een dergelijke mededeling op een later tijdstip tijdens de aanwezigheid van de steekproefcontroleur op de keuringsplaats aan deze is gedaan.

Reeds op grond van het vorenstaande kan niet worden geoordeeld dat [wederpartij] niet kan worden verweten niet aan de steekproef mede te hebben gewerkt. [wederpartij] diende als erkenninghouder van zijn verplichtingen als zodanig op de hoogte te zijn. Het niet laten ondertekenen van het steekproefcontrolerapport door [wederpartij] kan deze verwijtbaarheid dan ook niet wegnemen. Dit temeer niet nu er geen wettelijke verplichting bestaat dit rapport door de erkenninghouder te laten ondertekenen.

De voorzieningenrechter heeft gezien het vorenstaande ten onrechte geoordeeld dat de RDW niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het inleidende beroep bij de rechtbank alsnog ongegrond verklaren.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 11 juli 2007 in de zaken nrs. 07/2102 en 07/2103;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. den Broeder, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Den Broeder

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2008

187-497.