Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC4225

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-02-2008
Datum publicatie
13-02-2008
Zaaknummer
200706332/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 september 2005 heeft het college van gedeputeerde staten van Utrecht (hierna: het college) [wederpartij] onder oplegging van een last onder dwangsom aangeschreven zijn vaartuig te verwijderen van de [locatie] te [plaats] en af te voeren naar een niet met de Verordening bescherming natuur en landschap strijdige locatie en tevens de daarvoor getroffen voorzieningen zoals een steiger met toebehoren te verwijderen en af te voeren en de oever in de oorspronkelijke staat te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200706332/2.

Datum uitspraak: 6 februari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verzoeker,

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/455 van de rechtbank Utrecht van 3 juli 2007 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 september 2005 heeft het college van gedeputeerde staten van Utrecht (hierna: het college) [wederpartij] onder oplegging van een last onder dwangsom aangeschreven zijn vaartuig te verwijderen van de [locatie] te [plaats] en af te voeren naar een niet met de Verordening bescherming natuur en landschap strijdige locatie en tevens de daarvoor getroffen voorzieningen zoals een steiger met toebehoren te verwijderen en af te voeren en de oever in de oorspronkelijke staat te herstellen.

Bij besluit van 9 januari 2007 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, het onderdeel van de last om de oever in de oorspronkelijke staat te herstellen geschrapt en als alternatief voor de last tot verwijdering van de steiger toegevoegd dat de omvang van de steiger wordt teruggebracht tot een oppervlakte van maximaal 7,2 vierkante meter.

Bij uitspraak van 3 juli 2007, verzonden op 27 juli 2007, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 9 januari 2007 vernietigd, het college opgedragen binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar te nemen en het besluit van 22 september 2005 geschorst tot twee weken na de bekendmaking van het te nemen besluit op bezwaar.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 september 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 oktober 2007.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 december 2007, heeft het college de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 31 januari 2008, waar het college, vertegenwoordigd door mr. R. Visser, advocaat te 's-Hertogenbosch, en [wederpartij], in persoon, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het verzoek strekt ertoe dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat het college in afwachting van de uitspraak op het ingestelde hoger beroep geen gevolg hoeft te geven aan de aangevallen uitspraak, voor zover deze inhoudt dat het college opnieuw op het bezwaar van [wederpartij] beslist. Het verzoek strekt er uitdrukkelijk niet toe dat de schorsing door de rechtbank van het besluit van 22 september 2005 wordt opgeheven. Niet is gebleken van belangen die nopen tot het spoedig gevolg geven aan de aangevallen uitspraak. De voorzitter ziet hierin aanleiding de hierna te melden voorziening te treffen.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat het college van gedeputeerde staten van Utrecht geen nieuw besluit op het door [wederpartij] gemaakte bezwaar hoeft te nemen voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Smissen, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. Van der Smissen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2008

419.