Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC4221

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-02-2008
Datum publicatie
13-02-2008
Zaaknummer
200703544/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 mei 2005 heeft de minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de minister) een verzoek van [appellant] om nadeelcompensatie afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Ruimtelijk Bestuursrecht 2008/41
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703544/1.

Datum uitspraak: 13 februari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 05/5250 van de rechtbank Arnhem van 10 april 2007 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Verkeer en Waterstaat.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 mei 2005 heeft de minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de minister) een verzoek van [appellant] om nadeelcompensatie afgewezen.

Bij besluit van 8 november 2005 heeft de minister het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 april 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 22 mei 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 20 juni 2007.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 januari 2008, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. W.G.C. Wijsman, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, en de minister, vertegenwoordigd door mr. B.P.M. van Ravels, advocaat te Breda, vergezeld door mr. N. Fokke, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Volgens artikel 2 van de Regeling Nadeelcompensatie Betuweroute van 6 september 1996 (Stcrt. 1996, nr. 189), voor zover thans van belang, kent de minister op verzoek van degene die schade lijdt, of zal lijden, als gevolg van het onherroepelijke Tracébesluit Betuweroute, alsmede hieruit voortvloeiende besluiten van bestuursorganen en rechtmatige uitvoeringshandelingen, een vergoeding naar billijkheid toe, voor zover de schade redelijkerwijze niet of niet geheel ten laste van de verzoeker behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet, of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd.

2.2. [appellant], die eigenaar is van een eenmansbedrijf dat aan de zuidkant van het tracé van de Betuweroute is gevestigd, houdt zich bedrijfsmatig bezig met het uitdiepen of uitbaggeren van sloten, vaarten en kanalen in de omgeving van dat bedrijf. Bij het verrichten van deze werkzaamheden maakt hij gebruik van een rupskraan. Deze rupskraan wordt vervoerd op een dieplader die wordt voortgetrokken door een tractor.

2.3. Aan zijn verzoek om nadeelcompensatie heeft [appellant] ten grondslag gelegd dat hij schade heeft geleden door de aanleg van een viaduct over het tracé van de Betuweroute op de verbindingsroute die hij gebruikt om de noordkant van de Betuweroute te bereiken. Daartoe heeft hij aangevoerd, samengevat weergegeven, dat de rijweg van dat viaduct een relatief steile helling met een scherpe bocht heeft, de oude tractor te weinig kracht had om de dieplader met de rupskraan veilig over dat viaduct te vervoeren en hij daarom noodgedwongen een nieuwe tractor met meer vermogen heeft gekocht.

2.4. Bij het besluit op bezwaar heeft de minister de bij het primaire besluit gegeven afwijzing van het verzoek om nadeelcompensatie gehandhaafd. Voor de gronden van dat besluit heeft hij naar een advies van de bezwaarcommissie van 8 november 2005 verwezen. In dat advies is, voor zover thans van belang, geconcludeerd dat een rechtstreeks causaal verband tussen de gestelde schade en het Tracébesluit Betuweroute ontbreekt.

2.5. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat de minister zich terecht op dat standpunt heeft gesteld. Daartoe heeft zij overwogen dat, nu de minister zich bij het bouwen van het viaduct aan de daartoe gestelde normen heeft gehouden, de door [appellant] gestelde schade niet rechtstreeks is veroorzaakt door de aanleg van dat viaduct.

2.6. [appellant] betoogt in hoger beroep dat de rechtbank dat ten onrechte heeft overwogen. Daartoe voert hij aan dat, nu hij naar aanleiding van de aanleg van het viaduct een nieuwe tractor heeft moeten kopen, een rechtstreeks oorzakelijk verband tussen deze beide gebeurtenissen bestaat.

2.6.1. Niet in geschil is dat de rijbaan op de weg op het viaduct aan te ter zake gehanteerde richtlijnen voor verkeersveiligheid voldoet.

Hoewel aannemelijk is dat [appellant] de nieuwe tractor nog niet zou hebben gekocht indien het viaduct niet zou zijn gebouwd op de verbindingsroute die hij gebruikt om de noordkant van het tracé van de Betuweroute te bereiken, brengt dat niet met zich dat de door [appellant] gestelde schade in zodanig verband staat met de aanleg van dat viaduct dat zij de minister, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de gestelde schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend. In het in hoger beroep aangevoerde is geen grond te vinden voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, nu de oude tractor te weinig vermogen had om de dieplader met de rupskraan veilig te vervoeren over wegen die aan de gestelde richtlijnen voldoen en de schade derhalve niet rechtstreeks is veroorzaakt door de aanleg van het viaduct, de minister terecht het standpunt heeft ingenomen dat een rechtstreeks oorzakelijk verband tussen de aanleg van het viaduct en de aankoop van de nieuwe tractor ontbreekt.

Het betoog faalt.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Hazen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2008

452.