Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC4218

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-02-2008
Datum publicatie
13-02-2008
Zaaknummer
200705511/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 mei 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) het voertuig van [appellant] met kenteken […] doen verwijderen van de hoek van de Van Blankenburgstraat en de Banstraat te Den Haag en [appellant] medegedeeld dat de kosten in verband met het wegslepen en bewaren voor zijn rekening komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2008/95
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200705511/1.

Datum uitspraak: 13 februari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/5684 van de rechtbank 's-Gravenhage van 23 juli 2007 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 mei 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) het voertuig van [appellant] met kenteken […] doen verwijderen van de hoek van de Van Blankenburgstraat en de Banstraat te Den Haag en [appellant] medegedeeld dat de kosten in verband met het wegslepen en bewaren voor zijn rekening komen.

Bij besluit van 3 juli 2006 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 juli 2007, verzonden op 1 augustus 2007, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 augustus 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Voor afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van [appellant]. Dit is aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 januari 2008, waar [appellant] in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.E.W. Tieleman, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

Ingevolge het tweede lid, van dit artikel wordt de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang uitgeoefend door het college, indien de toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.

Ingevolge artikel 170, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de WVW 1994) behoort tot de bevoegdheid van het college tot toepassing van bestuursdwang als bedoeld in artikel 125 van de Gemeentewet, de bevoegdheid tot het overbrengen en in bewaring stellen van een op een weg staand voertuig, indien met het voertuig een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift wordt overtreden en bovendien verwijdering van het voertuig noodzakelijk is in verband met het vrijhouden van aangewezen weggedeelten en wegen.

Ingevolge artikel 173, eerste lid, aanhef en onder a, van de WVW 1994 worden bij algemene maatregel van bestuur de soorten van de in artikel 170, eerste lid, onderdeel c, bedoelde weggedeelten en wegen aangewezen.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder c, van dit artikel worden bij gemeentelijke verordening nadere regels gesteld ter uitvoering van de artikelen 170 tot en met 172 en de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur. Die regels betreffen in elk geval, wil het gemeentebestuur bestuursdwang kunnen toepassen in gevallen als bedoeld in artikel 170, eerste lid, onder c, ook de aanwijzing van de desbetreffende wegen en weggedeelten.

Ingevolge artikel 26, aanhef en onder b, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: het RVV 1990), mag op een gehandicaptenparkeerplaats slechts worden geparkeerd een motorvoertuig op meer dan twee wielen waarin een geldige gehandicaptenparkeerkaart duidelijk zichtbaar is aangebracht.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder e, van het Besluit wegslepen van voertuigen (hierna: het Besluit) zijn de soorten van weggedeelten en wegen, bedoeld in artikel 173, eerste lid, onderdeel a, van de WVW 1994, parkeerplaatsen voor invaliden, aangeduid door bord E6 van bijlage 1 bij het RVV 1990.

Ingevolge artikel 2 van de Wegsleepverordening Gemeente Den Haag (hierna: de wegsleepverordening), voor zover thans van belang, worden als wegen en weggedeelten, als bedoeld in artikel 170, eerste lid, onder c, van de WVW 1994 aangewezen alle wegen en weggedeelten binnen de gemeente voor zover ze behoren tot een van de in artikel 2 van het Besluit bedoelde soorten van wegen en weggedeelten.

2.2. Het college heeft het voertuig van [appellant] op 3 januari 2006 doen wegslepen omdat het zonder zichtbare geldige gehandicaptenparkeerkaart geparkeerd stond op een plaats met bord E6 van bijlage 1 van het RVV 1990 - volgens welk bord het verboden is te parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats zonder geldige gehandicaptenparkeerkaart - en het wegslepen van de auto noodzakelijk was.

2.3. [appellant] betoogt primair dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet bevoegd was om handhavend op te treden, nu de officier van justitie heeft beslist dat geen sprake is van overtreding van het RVV 1990 en/of de WVW 1994. Hij betoogt dat door de intrekking van de vergunning op grond waarvan de gehandicaptenparkeerplaats was verleend en de publicatie daarvan, het verkeersbord ongeldig is geworden en had moeten worden weggehaald. Het college had volgens hem niet hangende de bezwaartermijn tegen de intrekking van het desbetreffende verkeersbesluit mogen handhaven.

Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat het wegslepen van zijn voertuig niet noodzakelijk was en in de gegeven omstandigheden disproportioneel was. Hij voert hiertoe aan dat de fysiotherapeutenpraktijk, ten behoeve waarvan de vergunning was verleend, was verhuisd en ter plaatse voldoende parkeerruimte beschikbaar was.

2.4. Vaststaat dat [appellant] op 3 januari 2006 zijn voertuig heeft geparkeerd op een plaats waar het bord E6 van bijlage 1 van het RVV 1990 was geplaatst. Hiermee heeft hij het voorschrift van artikel 26 van het RVV 1990 overtreden. Nu een gehandicaptenparkeerplaats in artikel 2 van de wegsleepverordening in samenhang met artikel 2 van het Besluit is aangewezen als weggedeelte als bedoeld in artikel 170, eerste lid, aanhef en onder c, van de WVW 1994, was het college bevoegd tot het toepassen van bestuursdwang. Dat de officier van justitie het bezwaar van [appellant] tegen de eerder afgegeven beschikking inzake dezelfde overtreding gegrond heeft verklaard, doet hieraan niet af, nu het college bij het toepassen van bestuursdwang een eigen, niet van de met strafvervolging en strafoplegging belaste organen afhankelijke, verantwoordelijkheid heeft.

Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het besluit tot opheffing van het desbetreffende verkeersbord en de publicatie daarvan aan die overtreding evenmin afdoet. In dit verband heeft de rechtbank, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 1986 (LJN: AC 1488), terecht overwogen dat een weggebruiker een verkeersteken dat als zodanig herkenbaar is in het belang van de rechtszekerheid en verkeersveiligheid dient op te volgen, ook al is het verkeersteken niet langer geplaatst met inachtneming van de daaromtrent geldende wettelijke voorschriften.

Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat het hier weliswaar een op verzoek van de fysiotherapeutenpraktijk als zodanig aangewezen gehandicaptenparkeerplaats betrof, doch dat deze niet uitsluitend bestemd was voor bezoekers van die praktijk, maar gereserveerd was voor iedere gehandicapte met een geldige parkeerkaart. Gehandicaptenparkeerplaatsen dienen te allen tijde beschikbaar te zijn voor de weggebruikers voor wie die plaatsen zijn bedoeld. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat verwijdering van het voertuig noodzakelijk was in verband met het belang van het vrijhouden van aangewezen weggedeelten. Het college heeft de kosten voor het verwijderen van het voertuig op [appellant] mogen verhalen, nu [appellant] wist, althans behoorde te weten, dat hij op een gehandicaptenparkeerplaats niet mocht parkeren.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. den Broeder, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Den Broeder

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2008

187-497.