Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC3834

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-01-2008
Datum publicatie
14-02-2008
Zaaknummer
200705336/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekendmaking besluit / aantekening op voorblad geen bewijs van aangetekende verzending

Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat het besluit van 21 november 1994 aan de vreemdeling in persoon is uitgereikt. In het dossier bevindt zich voorts geen bewijs van de gestelde aangetekende verzending van dit besluit. De enkele aantekening met die strekking op het voorblad kan niet als zodanig worden aangemerkt. Gelet hierop is de aangetekende verzending van het besluit niet genoegzaam komen vast te staan. Uit het vorenstaande volgt dat het besluit van 21 november 1994 niet op de voorgeschreven wijze aan de vreemdeling is bekendgemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200705336/1.

Datum uitspraak: 28 januari 2008

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellante],

appellante,

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/1699 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht, van 26 juni 2007 in het geding tussen:

[appellante]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 november 1994 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) de aan [appellante] (hierna: de vreemdeling) verleende vergunning tot vestiging ingetrokken.

Bij besluit van 12 december 2006 heeft de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) het hiertegen door de vreemdeling bij brief van 13 juli 2006 gemaakte bezwaar niet ontvankelijk verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 26 juni 2007, verzonden op 29 juni 2007, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht, (hierna: de rechtbank) het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 27 juli 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 120 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), voor zover thans van belang, kan hoger beroep, als bedoeld in artikel 84 van die wet, slechts worden ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank over een besluit dat is bekendgemaakt na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, met uitzondering van een beslissing op bezwaar gericht tegen een besluit bekendgemaakt voor inwerkingtreding van de wet.

2.2. De grieven klagen – samengevat weergegeven – dat de vreemdeling de verzending en ontvangst van het besluit op of omstreeks 21 december 1994 betwist en dat dit besluit eerst op 16 juni 2006, met de verzending daarvan aan de gemachtigde van de vreemdeling, op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Gelet hierop is de Afdeling volgens de vreemdeling bevoegd van het hoger beroep kennis te nemen.

2.2.1. De staatssecretaris heeft het origineel van het besluit van 21 november 1994 bij brief van dezelfde datum naar het Bureau Vreemdelingenpolitie van het Regiopolitiekorps Haaglanden verzonden, met het verzoek dit aan de vreemdeling in persoon uit te reiken of, indien uitreiking in persoon niet mogelijk is gebleken, dit aangetekend naar haar laatst bekende adres te zenden. Op het bij dit besluit behorende voorblad is vermeld dat het besluit op 21 december 1994 door "Mo te Den Haag" aangetekend is verzonden naar het laatst bekende adres van de vreemdeling. De minister heeft het bij brief van 13 juli 2006 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat dit niet binnen vier weken na de bekendmaking van het besluit van 21 november 1994 is ingediend.

2.2.2. Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat het besluit van 21 november 1994 aan de vreemdeling in persoon is uitgereikt. In het dossier bevindt zich voorts geen bewijs van de gestelde aangetekende verzending van dit besluit. De enkele aantekening met die strekking op het voorblad kan niet als zodanig worden aangemerkt.

Gelet hierop is de aangetekende verzending van het besluit niet genoegzaam komen vast te staan. Uit het vorenstaande volgt dat het besluit van 21 november 1994 niet op de voorgeschreven wijze aan de vreemdeling is bekendgemaakt.

2.3. Uit de voorgaande overweging vloeit voort dat het besluit van 21 november 1994 na het tijdstip van inwerkingtreding van de Vw 2000 is bekendgemaakt. Ingevolge artikel 120 van de Vw 2000 staat derhalve, anders dan onder de aangevallen uitspraak is opgenomen, hoger beroep open tegen die uitspraak. Hieruit volgt dat de Afdeling bevoegd is van het hoger beroep kennis te nemen.

2.4. Gelet op het vooroverwogene is het hoger beroep kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 12 december 2006 van de minister alsnog gegrond verklaren. Het bestreden besluit op bezwaar komt eveneens voor vernietiging in aanmerking.

2.5. De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht, van 26 juni 2007 in zaak nr. 07/1699;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 12 december 2006, kenmerk 9411-03-0370;

V. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 966,00 (zegge: negenhonderdzesenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) aan de vreemdeling onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI. gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) aan de vreemdeling het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 357,00 (zegge: driehonderdzevenenvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H. van der Winden, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens

Voorzitter

w.g. Van der Winden

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2008

348-553.

Verzonden: 28 januari 2008

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak