Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC3632

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-02-2008
Datum publicatie
06-02-2008
Zaaknummer
200703602/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 augustus 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht (hierna: het college) een besluit van 22 december 2004 ingetrokken, waarbij het eenrichtingsverkeer in oostelijke richting had ingesteld op het gedeelte van de Zuidendijk, gelegen tussen de Leeuwstraat en de Schenkeldijk Beneden en een fietsstrook aan de noordelijke zijde van het desbetreffende weggedeelte had aangewezen. Voorts heeft het daarbij aan weerszijden van het desbetreffende gedeelte van de Zuidendijk fietsstroken aangewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703602/1.

Datum uitspraak: 6 februari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht van 11 april 2007 in de zaken nrs. 07/281 en 07/283 in het geding tussen:

[wederpartij A],

[wederpartijen B],

[wederpartijen C],

[wederpartijen D],

[wederpartijen E],

[wederpartij F],

[wederpartij G], allen wonend te [woonplaats],

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 augustus 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht (hierna: het college) een besluit van 22 december 2004 ingetrokken, waarbij het eenrichtingsverkeer in oostelijke richting had ingesteld op het gedeelte van de Zuidendijk, gelegen tussen de Leeuwstraat en de Schenkeldijk Beneden en een fietsstrook aan de noordelijke zijde van het desbetreffende weggedeelte had aangewezen. Voorts heeft het daarbij aan weerszijden van het desbetreffende gedeelte van de Zuidendijk fietsstroken aangewezen.

Bij besluit van 16 februari 2007 heeft het college, voor zover thans van belang, de door [wederpartij A], [wederpartijen B], [wederpartijen C], [wederpartijen D], [wederpartijen E] en [wederpartijen F] (hierna: [wederpartijen A] e.a.) daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Bij besluit van 2 april 2007, voor zover thans van belang, heeft het dat gedaan met het door [wederpartij G] daartegen gemaakte bezwaar.

Bij uitspraak van 11 april 2007, verzonden op 16 april 2007, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, de door [wederpartij A] e.a. en [wederpartij G] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard en die besluiten vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 mei 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 20 juni 2007.

[wederpartij A] e.a. en [wederpartij G] hebben een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van het college. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 november 2007, waar het college, vertegenwoordigd door mr. drs. J.E. Ossewaarde, H. van Ballegooijen en M. Schipper, allen ambtenaar in dienst van de gemeente, en [een der wederpartij B], [een der wederpartij C], [wederpartij F] en [wederpartij G] in persoon zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de wet), voor zover thans van belang, kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels strekken tot:

a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;

b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;

c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, kunnen die regels voorts strekken tot het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, geschiedt de plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens, en onderborden voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, krachtens een verkeersbesluit.

Ingevolge het tweede lid geschieden maatregelen op of aan de weg tot wijziging van de inrichting van de weg of tot het aanbrengen of verwijderen van voorzieningen ter regeling van het verkeer krachtens een verkeersbesluit, indien de maatregelen leiden tot een beperking of uitbreiding van het aantal categorieën weggebruikers dat van een weg of weggedeelte gebruik kan maken.

Ingevolge artikel 21 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer dient de motivering van het verkeersbesluit in ieder geval te vermelden, welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven, welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet vermelde belangen aan het verkeersbesluit ten grondslag liggen. Indien tevens andere van die belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven, op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen.

2.2. Het college klaagt dat de voorzieningenrechter, door te overwegen dat het zijn oordeel dat de veiligheid van de weg met het opheffen van het eenrichtingsverkeer voor gemotoriseerde voertuigen is gediend onvoldoende heeft gemotiveerd, heeft miskend dat sinds de instelling van het eenrichtingsverkeer sneller werd gereden en het inrijverbod structureel overtreden, de verkeersveiligheid op het desbetreffende weggedeelte daardoor is afgenomen en dat voor de handhaving van het inrijverbod geen alternatieven beschikbaar zijn. Ook heeft de voorzieningenrechter volgens hem ten onrechte aangenomen dat het de aanleg van de nieuwe verbindingsweg niet voortvarend ter hand heeft genomen.

2.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 april 2007 in zaak nr. 200604334/1), komt het college van burgemeester en wethouders bij het nemen van een verkeersbesluit, als hier aan de orde, een ruime beoordelingsmarge toe. Het is aan het college van burgemeester en wethouders om alle verschillende bij het nemen van een dergelijk besluit betrokken belangen tegen elkaar af te wegen. De rechter zal zich er bij de beoordeling van een dergelijk besluit toe dienen te beperken te onderzoeken of - voor zover thans van belang - de afweging van de betrokken belangen zodanig onevenwichtig is, dat het niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen. De te stellen motiveringseisen dienen met deze uitgangspunten in overeenstemming te zijn.

2.3.1. Het college heeft aan het besluit van 30 augustus 2006 en de handhaving daarvan in bezwaar ten grondslag gelegd dat voorspelbaarheid van het gedrag van de verkeersdeelnemers de verkeersveiligheid bevordert, tegenstanders van het eenrichtingsverkeer de desbetreffende verkeersborden plegen te verwijderen, een zeer hoog percentage van de voertuigen de maximum toegestane snelheid overtreedt en stelselmatig tegen het verkeer wordt ingereden. Onder die op zichzelf niet bestreden omstandigheden heeft het in beroep aangevoerde de voorzieningenrechter ten onrechte grond gegeven voor het oordeel dat het college zijn oordeel dat opheffing van het eenrichtingsverkeer onder versmalling van de rijbaan door de aanwijzing van fietsstroken tot snelheidsvermindering en daarmee verbetering van de verkeersveiligheid zal leiden niet toereikend heeft gemotiveerd.

2.3.2. Evenzeer ten onrechte heeft de voorzieningenrechter het oordeel van het college dat handhaving van het eenrichtingsverkeer niet met aanvullende maatregelen kan worden bevorderd onvoldoende gemotiveerd geacht. In dit verband heeft het college onweersproken gesteld dat het voor de handhaving van het inrijverbod van de politie afhankelijk is en die hem te kennen heeft gegeven hiervoor niet over voldoende capaciteit te beschikken.

2.3.3. De voorzieningenrechter heeft ook ten onrechte overwogen dat het college de aanleg van de nieuwe verbindingsweg niet voortvarend genoeg ter hand heeft genomen. Het heeft in de belangenafweging mede betrokken dat tweerichtingsverkeer op het desbetreffende gedeelte van de Zuidendijk tijdelijk is, nu deze voor gemotoriseerd verkeer, met uitzondering van bestemmingsverkeer, zal worden afgesloten, zodra de permanente oplossing, het doortrekken van de Copernicusweg, is gerealiseerd. Dat dit ten tijde van het in beroep bestreden besluit nog niet was gebeurd, biedt op zichzelf onvoldoende grond voor het oordeel dat het college aan deze permanente oplossing in de belangenafweging niet in redelijkheid de betekenis heeft kunnen hechten die het heeft gedaan. Het college heeft gesteld dat het aan de voortgang werkt. Het in beroep aangevoerde gaf geen reden om dat niet aan te nemen.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover het beroepen van [wederpartij A] e.a. en [wederpartij G] daarbij gegrond zijn verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de inleidend beroepen beoordelen, voor zover dat na hetgeen hiervoor is overwogen nog nodig is.

2.5. [wederpartij A] e.a. en [wederpartij G] hebben in beroep betoogd dat het college niet in redelijkheid tot opheffing van het eenrichtingsverkeer heeft kunnen besluiten, omdat als gevolg daarvan toename van de geluid- en trillingshinder en verslechtering van de luchtkwaliteit voor omwonenden zal optreden. Volgens een op 13 november 2006 in opdracht van het college opgesteld rapport van onderzoek naar de luchtkwaliteit op de Zuidendijk leidt de instelling van tweerichtingsverkeer niet tot zodanige verslechtering van de luchtkwaliteit, dat niet aan de geldende regelgeving wordt voldaan. Het tegendeel is niet aannemelijk gemaakt. Reeds hierom geeft de gestelde toename van de overlast voor omwonenden geen aanleiding tot het oordeel dat het college niet in redelijkheid aan het belang van de verkeersveiligheid groter gewicht heeft kunnen hechten. Het college heeft daarbij mede in aanmerking mogen nemen dat de toename van de overlast van beperkte duur zal zijn.

2.6. De conclusie is dat de beroepen van [wederpartij A] e.a. en [wederpartij G] tegen de besluiten van 16 februari en 2 april 2007 ongegrond moeten worden verklaard.

2.7. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht van 11 april 2007 in de zaken nrs. 07/281 en 07/283, voor zover de beroepen van [wederpartij A] e.a. en [wederpartij G] gegrond zijn verklaard;

III. verklaart de bij de rechtbank in die zaken ingestelde beroepen in zoverre ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. S.F.M. Wortmann, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. De Leeuw-van Zanten

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2008

97-538.