Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC3631

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-02-2008
Datum publicatie
06-02-2008
Zaaknummer
200701939/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 januari 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer voor een periode van 10 jaar verleend voor het oprichten en in werking hebben van een composteringsbedrijf gelegen aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 5 februari 2007 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2008/3584
JOM 2009/391
JOM 2009/390
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200701939/1.

Datum uitspraak: 6 februari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging Huurdersvereniging Middelharnis, te Middelharnis,

appellant,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 januari 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer voor een periode van 10 jaar verleend voor het oprichten en in werking hebben van een composteringsbedrijf gelegen aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 5 februari 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft de vereniging Huurdersvereniging Middelharnis (hierna: de vereniging) bij brief van 15 maart 2007, bij de Raad van State ingekomen op 16 maart 2007 beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 november 2007, waar de vereniging, vertegenwoordigd door mr. J. Teeninga, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. ir. A.C. de Waaij, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. S.W. Boot, advocaat te Rotterdam.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat de bij deze wetten doorgevoerde wetswijzigingen niet van toepassing zijn op het geding.

2.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.3. De vereniging stelt dat voorschrift 15.10 niet toereikend is om verontreiniging van de bodem met gevaarlijke stoffen als gevolg van het overstromen van de vloeistofdichte bak, te voorkomen. Volgens haar is onduidelijk waarom de inhoud van de vloeistofdichte zuurbestendige bak bij plaatsing van meerdere tanks met gevaarlijke stoffen hierin, niet hetzelfde moet zijn als de gezamenlijke inhoud van die tanks.

2.3.1. Ingevolge voorschrift 15.10, voor zover hier van belang, moet een tank zijn geplaatst in een vloeistofdichte zuurbestendige bak. De opnamecapaciteit van de vloeistofdichte bak moet tenminste gelijk zijn aan de inhoud van de tank of bij meerdere tanks in een bak de inhoud van de grootste tank vermeerderd met 10% van de gezamenlijke inhoud van de overige tanks.

2.3.2. Hoofdstuk 15 van de vergunningvoorschriften betreft de opslag van zwavelzuur en ammoniumsulfaat in bovengrondse tanks. Bij het opstellen van voorschrift 15.10 van de vergunning heeft het college aansluiting gezocht bij de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 30 'Vloeibare aardolieproducten' - buitenopslag kleine installaties (hierna: PGS 30) (www.vrom.nl), paragraaf 4.3. De omstandigheden van het geval leiden niet tot de conclusie dat de technische installatie-eisen uit de PGS 30 niet kunnen worden toegepast voor de opslag van andere stoffen dan aardolie waarvoor de richtlijn in hoofdlijnen dient. Blijkens het deskundigenbericht is de kans dat meerdere tanks gelijktijdig falen en hun inhoud verliezen zeer gering, zodat de kans op overstroming van de vloeistofdichte bak waarin de tanks zich bevinden eveneens zeer gering is. Volgens het deskundigenbericht is met deze voorziening sprake van een verwaarloosbaar risico op bodemverontreiniging.

De Afdeling is mede gelet op het deskundigenbericht van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat met voorschrift 15.10 van de vergunning een toereikend beschermingsniveau wordt geboden. De beroepsgrond faalt.

2.4. De vereniging stelt dat het college ten onrechte geen voorschriften over stofhinder aan de vergunning heeft verbonden ten aanzien van het vervoer van gips naar de inrichting.

2.4.1. In de inrichting worden dierlijke meststoffen in combinatie met van buiten de inrichting afkomstig afvalgips en stro verwerkt tot verse en doorgroeide compost voor de champignonteelt. Het gips dat in de inrichting wordt verwerkt is afkomstig van een derde en wordt van buiten de inrichting aangeleverd. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld, dat aan vergunninghoudster geen voorschriften kunnen worden opgelegd die zien op een activiteit buiten haar invloedsgebied. Wat betreft het aspect stofhinder als gevolg van het gips in de inrichting zal vergunninghoudster, zodra het gips zich in de inrichting bevindt, moeten voldoen aan de voorschriften 7.1 en 7.2 van de vergunning. De beroepsgrond faalt.

2.5. De vereniging betoogt dat de aan de vergunning verbonden voorschriften niet toereikend zijn om geurhinder als gevolg van het in werking zijn van de inrichting te voorkomen dan wel in voldoende mate te beperken. Het in de vergunning vastgestelde hinderniveau is volgens haar onvoldoende onderbouwd en is er niet inzichtelijk gemaakt of de vastgestelde normen naleefbaar zijn. Daarnaast betwijfelt de vereniging of het college in dit geval de brief van de minister van Volksgezondheid, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 30 juni 1995 had mogen toepassen, aangezien daarin geen normen zijn opgenomen.

2.5.1. Ingevolge voorschrift 6.1 van de vergunning mogen de geurcontouren van 2,3, 4,2 en 4,4 ge/m³ zoals opgenomen in de bijlagen 1 en 2 van deze beschikking binnen twaalf maanden na het van kracht worden van deze vergunning niet worden overschreden.

Ingevolge voorschrift 6.2 dient de uit het compostbedrijf afgezogen lucht, alvorens te worden geëmitteerd in de buitenlucht, achtereenvolgens te worden behandeld door de ammoniakwasser en de natte strofilters en te worden geëmitteerd door de 80 meter hoge schoorsteen.

2.5.2. Het college heeft voor de beoordeling van geurhinder de brief van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 30 juni 1995, LE/LV/AJS95.16B (hierna: de brief van de minister), tot uitgangspunt genomen. In de brief van de minister is als algemeen uitgangspunt geformuleerd dat (nieuwe) geurhinder zo veel mogelijk moet worden voorkomen. Als er wel geurhinder optreedt, dienen maatregelen te worden getroffen die stroken met het voorheen geldende alara-beginsel. Op grond van artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer dienen de maatregelen echter na de wijziging van dit artikel overeen te komen met de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken. De mate van hinder die nog acceptabel is moet volgens de brief van de minister worden vastgesteld door het bevoegde bestuursorgaan.

Het college heeft het acceptabele geurhinderniveau in dit geval vastgesteld op de in voorschrift 6.1 gestelde normen van 2,3, 4,2 en 4,4 ge/m³ als 98-percentiel. De meeste woningen in de omgeving van de inrichting bevinden zich volgens het college binnen de contour van 2,3 ge/m³ als 98-percentiel, waar de maximale geurbelasting op deze woningen kleiner is dan 4,2 ge/m³ als 98-percentiel. Binnen de contour van 4,2 ge/m³ als 98-percentiel bevinden zich twee vrijstaande woningen en een vrijstaand bedrijfspand. De maximale geurbelasting op deze objecten bedraagt volgens het college 4,4 ge/m³ als 98-percentiel.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat met de voorgeschreven ammoniakwasser, de strofilters en de 80 meter hoge schoorsteen aan het acceptabele hinderniveau kan worden voldaan. Verdergaande maatregelen kunnen volgens hem redelijkerwijs niet worden gevergd.

2.5.3. In de brief van de minister is het geurbeleid in grote lijnen vastgelegd en is geen maximale geurnorm opgenomen. In het geval een bijzondere regeling uit de Nederlandse emissierichtlijn lucht (hierna: NeR) op de inrichting van toepassing is, wordt de uitkomst van de vaststelling van het acceptabele hinderniveau eventueel gekoppeld aan een concrete immissienorm. Voor de onderhavige branche is geen bijzondere regeling uit de NeR van toepassing.

Het college heeft bij het bepalen van het acceptabele hinderniveau de in paragraaf 3.6.1 van de NeR opgenomen systematiek toegepast.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college in redelijkheid de uitgangspunten in de brief van de minister en de hindersystematiek uit de NeR als uitgangspunt kunnen nemen bij beoordeling van het aspect geurhinder.

2.5.4. De berekeningen van de geurverspreiding zijn door verweerder uitgevoerd conform het Nieuwe Nationale Model 2005 (hierna: NNM 2005). Volgens het deskundigenbericht is dit model het meest recente, algemeen aanvaarde model waarmee verspreiding van luchtverontreinigende stoffen en geur vanwege puntbronnen wordt berekend. Alle door de vereniging genoemde factoren die van invloed zijn op de geurimmissiecontouren zijn hierin verdisconteerd.

Op grond van de uitgangspunten in de brief van de minister en de hindersystematiek uit de NeR dient het bestuursorgaan in een specifieke situatie het acceptabele hinderniveau vast te stellen ter plaatse van geurobjecten die beschermd moeten worden tegen geuroverlast. Mede gelet op het deskundigenbericht heeft verweerder zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de voorgeschreven maatregelen ter reductie van geurhinder, zoals de gaswasser en de strofilter in combinatie met de uitstoot via een 80 meter hoge schoorsteen in dit geval aan te merken zijn als de beste beschikbare technieken. Daarnaast heeft verweerder zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met de in voorschrift 6.1 van de vergunning neergelegde normen een acceptabel geurhinderniveau ter plaatse van de woningen in de omgeving van de inrichting is vastgesteld.

2.5.5. Blijkens het deskundigenbericht zijn de vastgestelde geurcontouren met gebruikmaking van de voorgeschreven maatregelen naleefbaar. In voorschrift 6.9 van de vergunning dienen verspreidingsberekeningen van geur in het kader van het onderzoek naar de naleefbaarheid van de geurnormen, berekend te worden met het NNM 2005. Dit betreft hetzelfde model als waarmee de normen zijn vastgesteld, zodat eenzelfde toetsing zal zijn gewaarborgd.

Hetgeen de vereniging heeft aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat met een zorgvuldige bedrijfsvoering de aan de vergunning verbonden geurnormen naleefbaar zijn. De beroepsgrond faalt.

2.6. Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, Leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van Staat.

w.g. Hennekens w.g. Sparreboom

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2008

43-495.